Generatie van 7 maal oud-oud-grootouders, Gerrit Jansz van der Gracht en Susanne de Canteleu, Godefridus van Arnhem, Koning Karel I van Engeland en koning Willem der nederlanden

 



GERRIT JANSZ VAN DER GRACHT (Koos' Stamvader) werd geboren in 1645, in Hoorn (NL), als kind van Jan gerritszvvan Der Gracht en Ida Dominicus Van Der Gracht, zoals getoond in stamboom 65. Gerrit werd Hoedenmaker. Hij is gestorven op 25 maart 1700, ongeveer 54 jaar oud, in Hoorn, Noord-Holland, Nederland. Hij werd begraven op 25 maart 1700 in Hoorn (NH).

Gerrit Jansz van der Gracht werd geboren in 1645, een periode die bekend staat als de Nederlandse Gouden Eeuw. Dit was een tijd van economische voorspoed, culturele bloei en politieke macht voor Nederland, met name voor steden als Amsterdam, Hoorn en andere handelscentra. Als hoedenmaker was Gerrit betrokken bij een ambacht dat belangrijk was voor de samenleving van die tijd. Hoeden waren niet alleen mode-accessoires, maar ook belangrijke functionele kledingstukken, die werden gedragen door mensen van verschillende klassen en beroepen. In de 17e eeuw was Nederland betrokken bij verschillende oorlogen, waaronder de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje die eindigde met de Vrede van Münster in 1648. Daarnaast was er ook de Engels-Nederlandse Oorlog (1665-1667) en andere conflicten die de handel en economie van het land beïnvloedden. Hoorn, waar Gerrit Jansz van der Gracht woonde en werkte, was een belangrijke havenstad en lid van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), die een cruciale rol speelde in de handel met Azië en de vestiging van Nederlandse koloniën. De Nederlandse samenleving in die tijd werd ook gekenmerkt door een sterke sociale hiërarchie en religieuze diversiteit, met een groeiende middenklasse die profiteerde van de handel en de economische voorspoed. Gerrit Jansz van der Gracht leefde dus in een periode van grote veranderingen en kansen, waarin Nederland een prominente rol speelde op het wereldtoneel en waarin ambachtslieden zoals hoedenmakers een belangrijke rol speelden in de lokale economie en samenleving.


SUSANNA NICOLAS VAN DER GRACHT (Koos' Stammoeder) werd geboren rond november 1646, in Amsterdam, Noord-Holland, Nederland, als kind van Claes De Canteleu en Anna De Canteleu BORN BENNE, zoals getoond in stamboom 66. Zij werd gedoopt op 15 november 1646, in Amsterdam, Nieuwe Kerk. Susanna is gestorven rond 1714, ongeveer 67 jaar oud.

Haar, toekomstige, man steunde haar vader financieel na zijn failissement. Gerrit Jansz van der Gracht, ongeveer 24 jaar oud, huwde Susanna de Canteleu, ongeveer 22 jaar oud, op 30 juni 1669 in 's Graveland (UT). Zij kregen elf kinderen:

Jacobus van der Gracht in 1670

Anna Gerrits van der Gragt/Gracht Gracht in 1673

Jan Gerrits van der Gracht in 1675

Marijtje van der Gracht in 1675

Nicolaas Gerrits van der Gracht in 1677

Cornelis Gerrits van der Gragt in 1681

Gerrit Gerritsz van der Gragt in 1683

Ida Gerrits van der Gragt in 1685

Cornelia Gerrits van der Gragt in 1687

Hermanus Gerrits van der Gragt/Gracht Gracht in 1689. Hermanus was adelborst op het schip Abbekerk. Waarschijnlijk overleden onderweg naar Kaap de goede hoop op weg naar Batavia.

Scheepstypefluitschip
Bouwgebouwd in 1698 voor de Kamer van Hoorn op de VOC-werf in Hoorn
Gebruikin gebruik bij de VOC vanaf 1698 tot 22/08/1727 (afgelegd, Batavia)
Lengte130 voet
Laadvermogen300 last (600 ton)
Bemanning125-180 koppen

12/06/1715TexelBatavia14/04/1716HoornPieter Jacob Rus
 

over:
• Kaap de Goede Hoop; aankomst 16/12/1715, vertrek 15/01/1716

 Bij aankomst met 116 koppen.

Arnoldus Gerritsz van der Gracht/Gragt Gragt in 1691

De volgende informatie wordt ook geregistreerd voor deze familie. Huwelijksaankondiging op 14 juni 1669, in Naarden (NH), toen Gerrit 23 jaar jaar oud was en Susanna 22 jaar jaar oud was.

Susanna Nicolas van der Gracht werd in november 1646 geboren in de bloeiende wereld van Amsterdam wat bekend staat als de Nederlandse Gouden Eeuw. In deze periode, die een groot deel van de 17e eeuw besloeg, zag Nederland vooral de provincie Holland, uitgegroeid tot een van de meest welvarende en cultureel rijke gebieden ter wereld. De Nederlanders domineerden handelsroutes met hun machtige koopvaardijvloot, waren pioniers op het gebied van bankieren en financiën, en zorgden voor een klimaat van relatieve religieuze tolerantie dat denkers, kunstenaars en vluchtelingen van over de heel Europa aantrok. Als commerciële hoofdstad van Nederland vormde Amsterdam het hart van deze welvaart. Het was een drukte van belang in de havenstad met een diverse bevolking, bekend om zijn grachten, architectuur en een opkomende beurs.

Susanna's vader, Claes De Canteleu, werkte als zilversmid, een beroep dat floreerde door de vraag voor luxegoederen onder de rijke koopmansklasse. Echter ondanks de economische bloei konden echter niet alle bedrijven floreren; Claes ging in 1658 failliet, wat het volatiele karakter van de markt weerspiegelde.

In 1669 trouwde Susanna met Gerrit Jansz van der Gracht in 's Graveland, een dorp in de provincie Utrecht. Hun huwelijk viel samen met een tijd waarin de Republiek politieke stabiliteit ervoer onder leiding van de regenten na het einde van de Eerste Stadhouderloze Periode (1650-1672). Ze brachten elf kinderen groot, wat niet ongebruikelijk was in de tijd vóór de moderne anticonceptie. Grote gezinnen betekenden vaak meer handen om te werken of bij te dragen aan het inkomen van het gezin, hoewel de kindersterfte hoog bleef.

De tweede helft van de 17e eeuw bracht uitdagingen voor de Nederlandse hegemonie met zich mee. De Frans-Nederlandse Oorlog (1672-1678) en de daaropvolgende conflicten leidden tot hogere militaire uitgaven en economische spanningen. Deze gebeurtenissen hebben mogelijk een impact gehad op de familie Van der Gracht, net als vele anderen. De financiële tussenkomst van Gerrit na het faillissement van haar vader suggereert dat het echtpaar persoonlijke financiële problemen heeft doorstaan tegen de achtergrond van bredere economische turbulentie. Susanna Nicolas van der Gracht overleed rond 1714, toen de Nederlandse Gouden Eeuw was afgelopen. Haar leven omvatte een periode van buitengewone culturele prestaties en economische transformatie. 




GODEFRIDUS VAN ARNHEM (Koos' Stamvader) werd geboren in 1668 als kind van Guilielmus Gerardus van Arnhem en Petronella van Arnhem, zoals getoond in stamboom 67. Hij is gestorven op 5 februari 1744, ongeveer 75 jaar oud.

Godefridus (Goijart) van Arnhem (Ar(n)em), zoon van Guilielmus Gerardus van Arnhem (Arem) en Petronella van Blaijel. Hij is gedoopt op zondag 31 augustus 1664 in ´s Hertogenbosch in de St. Pieter. Bij de doop van Godefridus (Goijart) waren de volgende getuigen aanwezig: Hendrik van Blaijel en Hendrikske van Ketelaar. Godefridus (Goijart) is overleden op woensdag 5 februari 1744 in ´s Hertogenbosch, 76 jaar oud. Godefridus (Goijart), meester en Deeken vleeshouwer, trouwde, 21 jaar oud, op zondag 25 augustus 1686 in ´s Hertogenbosch met Aldegundis de Haese (Haze, Hase), nadat zij op zaterdag 10 augustus 1686 in 's Hertogenbosch in ondertrouw zijn gegaan. Aldegundis is overleden vóór 1726. 

Hij was een vleeshouwer van beroep en diende als meester en deken van het vleeshouwersgilde, wat aangeeft dat hij een gerespecteerd lid van zijn beroepsgemeenschap was. Het dekenschap was een belangrijke positie binnen de gilden, waarbij de deken verantwoordelijk was voor het handhaven van de normen en regels van het gilde en het vertegenwoordigen van de belangen van de leden.

ALDEGUNDIS VAN ARNHEM (Koos' Stammoeder). Zij leeft niet meer. Godefridus van Arnhem huwde Aldegundis van Arnhem. Zij kregen negen kinderen:



KONING KAREL VAN ENGELAND I (Koos' 11 maal achter-neef, 9 gen. verwijderd) werd geboren op 19 november 1600, in Dunfermline, als kind van Jacobus van Engeland I en Anna van Denemarken. Hij is gestorven op 30 januari 1649, 48 jaar oud, in Whitehall Palace.

Karel huwde zijn 6 maal achter-nicht, Henriette Maria van Frankrijk.

Karel I (Engels: Charles I) (Dunfermline, 19 november 1600 — Londen, 30 januari 1649) uit het Huis Stuart was een anglicaanse koning van Schotland, Engeland en Ierland (27 maart 1625 – 30 januari 1649). Hij is de enige Britse vorst die ooit werd afgezet en onthoofd. Hij was een zoon van Jacobus VI van Schotland, Jacobus I van Engeland. Karel I werd geboren in het paleis in het Schotse Dunfermline. Zijn vader was op dat moment koning van Schotland, maar nog niet van Engeland. De beoogde troonopvolger was zijn oudere broer Hendrik Frederik Stuart, de prins van Wales. Deze stierf aan tyfus in 1612 en daarmee werd Karel erfgenaam van twee tronen. In 1616 werd hijzelf de prins van Wales, ofwel de beoogde troonopvolger van Engeland. Hij stond sterk onder de invloed van zijn vaders favoriet George Villiers, de eerste graaf van Buckingham. Deze nam hem in 1623 mee naar Spanje, op zoek naar een geschikte bruid. Dit leverde niets op omdat de Spanjaarden eisten dat Karel zich zou bekeren tot het rooms-katholicisme. In Karels tijd werd Europa voor een groot deel beheerst door vorsten die streefden naar absolute macht, zoals de Franse koning Lodewijk XIII. Karel kende dat gedrag van zijn vader en streefde hetzelfde na. Hierin werd hij stevig gedwarsboomd door het parlement. Er was brede oppositie tegen veel van zijn plannen, zoals het gebruik van prerogatieve rechtbanken om dissidenten de wind uit de zeilen te nemen. Ook nam hij onpopulaire belastingmaatregelen zonder goedkeuring van het parlement en voerde hij een godsdienstpolitiek die erop gericht was de Anglicaanse Kerk over zijn rijk te verspreiden. De conflicten met het parlement over allerlei zaken namen toe. Dit betrof onder andere de kwestie van de hugenoten, de willekeurig opgelegde belastingen en arrestaties. Hoewel hij in 1628 de Petition of Right inwilligde, ontbond hij op 29 maart 1629 het parlement toen dat meer wetten wilde doorvoeren. De daarop volgende jaren staan bekend als het 'Persoonlijke bewind' en 'Elf jaar van tirannie'. Karel was nauwelijks in staat het land te besturen zonder regelmatige belastinginkomsten van het parlement en moest andere middelen vinden om aan geld te komen. Een daarvan was het zogeheten ship money. Dit scheepsgeld werd geheven van inwoners van kustplaatsen ter instandhouding van de vloot, maar werd door hem ingesteld voor het hele land. Zijn belastingspolitiek, tussenkomsten in de Anglicaanse Church of England en in presbyteriaanse Church of Scotland, huwelijk met de katholieke prinses Henriëtta Maria van Frankrijk en het feit dat hij geen krachtdadige steun gaf aan protestantse vorsten in de Dertigjarige Oorlog, maakten hem verdacht bij protestantse predikanten die hem beschouwden als een tiran. Na de dood van George Villiers groeide de invloed van twee anderen in de regering: Thomas Wentworth, graaf van Strafford, en William Laud, die aartsbisschop van Canterbury werd en bijdroeg aan de overheersende rol van de staatskerk. Hij volgde hierbij de lijn van het arminianisme, wat leidde tot conflicten met de groeiende factie van de puriteinen. Alles bleef echter rustig en het ging goed met Engeland, tot Karel I in 1637 probeerde de Schotten tot hetzelfde godsdienstige conformisme te brengen. Het gevolg was de herleving van het National Covenant en de Bisschoppenoorlogen, die voor Karel I eindigde in een vernederende wapenstilstand op 28 oktober 1640. Om geld te kunnen verkrijgen voor zijn strijd tegen de Schotten riep hij een parlement bijeen op 13 april 1640. Dit Short Parliament wilde echter niet aan zijn wensen voldoen en werd op 5 mei weer ontbonden. Na een nieuwe nederlaag riep Karel I het parlement opnieuw bijeen. Dit Long Parliament nam al spoedig maatregelen die de positie van Karel in gevaar brachten. Er werd geprobeerd om Wentworth te impeachen. Toen dat niet bleek te werken, werd hij beschuldigd van hoogverraad en ter dood gebracht. Laud werd eveneens gevangengezet en jaren later geëxecuteerd. Karel I moest de ene na de andere concessie doen, zoals het afschaffen van het scheepsgeld en de prerogatieve rechtbanken, maar hij kon niet instemmen met de wet die hem het gezag over het leger zou ontnemen. Deze dreiging en de aanvallen op zijn vrouw Henriëtta Maria brachten hem ertoe vijf parlementsleden te laten arresteren die hij beschouwde als leiders van het verzet. Door gewapenderhand in te grijpen in het parlement veroorzaakte hij een blijvende breuk en was hij in Londen niet langer veilig. Hij vertrok naar het noorden, terwijl de koningin naar het buitenland ging. Beide partijen begonnen zich te bewapenen en een burgeroorlog dreigde. Na vruchteloze onderhandelingen hees Karel I op 22 augustus 1642 de koninklijke standaard in Nottingham. Hij vestigde zijn hof in het royalistische Oxford, van waaruit hij het noorden en westen van het land bestuurde, terwijl het parlement de controle behield over het zuiden en oosten en Londen. De oorlog woedde onbeslist voort in 1643 en 1644, totdat het parlement het New Model Army oprichtte, geleid door generaal Thomas Fairfax met Oliver Cromwell aan het hoofd van de cavalerie. Dit leger wist in de Slag bij Naseby een overwinning te behalen. Daarop volgde het beleg van Oxford, waaruit Karel I in april 1646 wist te ontsnappen. Hij gaf zich over aan het Schotse presbyteriaanse leger in Newark, dat hem in januari 1647 uitleverde aan het parlement. Hij werd gevangengezet in Holdenby House in Northamptonshire, totdat de kornet George Joyce hem in naam van het leger naar Newmarket overbracht. In deze periode had zich een sfeer van wederzijds wantrouwen ontwikkeld tussen het parlement en het leger, waar Karel I gretig gebruik van maakte. Men begon elkaar uit te schelden en van bijnamen te voorzien. De parlementariërs noemden de koningsgezinden ‘cavaliers’, naar het Spaanse ‘cavelios’, daarmee suggererend dat zij vreemdelingen waren. De royalisten van hun kant noemden de tegenstanders ‘roundheads’, waarmee werd aangegeven dat zij tuig waren. Karel I werd overgebracht naar Oatlands Palace en vervolgens naar Hampton Court Palace. Onderhandelingen liepen op niets uit. Men probeerde hem over te halen naar het buitenland te vluchten of desnoods naar het eiland Wight. Hij besloot tot het laatste, omdat Robert Hammond, de gouverneur van het eiland, hem goedgezind leek. Dit bleek echter niet het geval en Hammond zette hem vast in Carisbrooke Castle. Van hieruit bleef Karel I onderhandelen met de partijen en uiteindelijk bereikte hij overeenstemming met de Schotse presbyterianen, wat inhield dat hij de vestiging van het presbyterianisme zowel in Schotland als in Engeland zou toestaan gedurende een proefperiode. De royalisten kwamen in opstand in juli 1648 en de Schotten vielen het land binnen. Toen de Schotse legers werden verslagen in de Slag bij Preston, kwam de tweede burgeroorlog ten einde en waren de militaire kansen van de koning verkeken. Maar het parlement bleef streven naar een vergelijk dat een constitutionele monarchie zou vestigen. Tot grote onvrede van het leger stemde het op 5 december 1648 met 129 stemmen tegen 83 om de onderhandelingen, die plaatsvonden in Newport, voort te zetten. In de twee daaropvolgende dagen pleegde Cromwell een coup die bekend kwam te staan als Pride's Purge. Hij liet de verzoeningsgezinde parlemententsleden arresteren of uitsluiten door kolonel Thomas Pride, terwijl anderen geïntimideerd wegbleven. Na deze zuivering spreekt men van het Rump Parliament. Al eerder waren vorsten afgezet, maar nooit in die hoedanigheid berecht. De bedenkers van het plan meenden dat de koning moest sterven, maar zij wilden dat op een wettelijke manier bereiken. Daarvoor moest een showproces dienen. Buiten de bestaande rechtsorde stelde het Rump Parliament een commissie aan, het High Court of Justice, dat Karel moest berechten. Omdat het House of Lords zich niet bereid toonde daarmee in te stemmen, had het Lagerhuis in een revolutionaire stemming de opperste macht opgeëist. Van de 135 leden die in het High Court werden benoemd, toonden er zich slechts 68 bereid te zetelen. Het proces begon op 20 januari 1649. Charles Stuart – met weglating van zijn koningstitel – werd beschuldigd van tirannie, hoogverraad en moord. Hij beriep zich op zijn goddelijk recht en weigerde schuldig of onschuldig te pleiten, omdat hij de autoriteit van de rechtbank niet erkende. Nadat hij dat drie dagen had volgehouden, werd dat voor schuldig genomen en werd hij gevonnist. Op 27 januari 1649 stemden 67 rechters dat de koning ‘een tiran, verrader, moordenaar en een publieke vijand’ was die de dood verdiende ‘door het scheiden van zijn hoofd van zijn lichaam’. Karel I werd onthoofd op 30 januari 1649. Tijdens de executie was er geen gejuich te horen, het verliep bijna in volledige stilte. Cromwell stond bij wijze van gebaar toe dat het hoofd werd teruggeplaatst op het lichaam, zodat de familie op gepaste wijze eer kon betuigen aan de ex-koning, die in Windsor Castle werd begraven. Hierna volgde een periode waarin Engeland geen koninkrijk was, maar een republiek, theocratie en militaire dictatuur. Het werd bestuurd door Cromwell, die vanaf 1653 de titel Lord Protector aannam. Hij was koning in alles behalve naam en gaf zijn ambt op zijn sterfbed door aan zijn zoon Richard Cromwell. Aan deze situatie kwam een einde in 1660 toen met de troonsbestijging van Karels zoon als koning Karel II het koningschap werd hersteld. Henriëtta Maria leefde tot 1669 en stierf in Parijs. Zij maakte nog mee dat haar dochter Henriëtte Anne trouwde met de hertog van Orléans in 1661 en dat haar zoon Karel koning werd. Na de Restauratie vluchtten de 59 ondertekenaars van Karels executiebevel overzee. Deze 'regiciden' werden grotendeels ingerekend en ter dood gebracht. Op 13 juni 1625 trouwde Karel met Henriëtta Maria van Frankrijk (1609 – 1669), een dochter van de Franse koning Hendrik IV. Zij kregen vier zonen en vijf dochters:

Karel Jacobus, hertog van Cornwall (13 maart 1629 - 13 maart 1629)

Karel II, koning van Engeland, Schotland en Ierland (29 mei 1630 - 6 februari 1685)

Maria Henriëtte, de latere echtgenote van Willem II van Oranje, Prins van Oranje (4 november 1631 - 24 december 1660)

Jacobus, als Jacobus II koning van Engeland en Ierland, als Jacobus VII koning van Schotland (14 oktober 1633 - 6 september 1701)

Elizabeth (29 december 1635 - 8 september 1650)

Anne (17 maart 1637 - 8 december 1640)

Catharina (29 januari 1639 - 29 januari 1639)

Hendrik, hertog van Gloucester (8 juli 1640 - 13 september 1660)

Henriëtte Anne, door huwelijk hertogin van Orléans (16 juni 1644 - 30 juni 1670).

Het huwelijk schijnt goed te zijn geweest, maar was onder de Britse bevolking niet heel populair.



LODEWIJK FILIPS VAN ORLEANS I (Koos' 16 maal achter-neef, 9 gen. verwijderd) werd geboren op 12 mei 1725, in Palace of Versailles, France, als kind van Lodewijk van ORLEANS I en Augusta van Baden-Baden. Hij is gestorven op 18 november 1785, 60 jaar oud, in Seine-Port, France. Hij werd begraven in Église Du Val-De-Grâce, France.

Lodewijk Filips I van Orléans (Versailles, 12 mei 1725 - Seine-Port, 18 november 1785), Frans: Louis-Philippe d'Orléans, bijgenaamd de Dikke, was de hertog van Chartres en nadien de hertog van Orléans. Lodewijk Filips was een Franse prins, via een zijtak van het huis Bourbon, de dynastie die op dat moment heerste over Frankrijk. Als zoon van hertog Lodewijk van Orléans was hij prins van den bloede. Vanaf 1752 was hij het oudste mannelijke lid van het Franse hof, na de koninklijke familie. De reeds enorme rijkdom van het huis Orléans werd door hem aanzienlijk uitgebreid. Hij was de grootvader van de latere koning Lodewijk Filips I van Frankrijk.

In dienst van de Franse legers onderscheidde hij zich in de veldtochten van 1742, 1743 en 1744 tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog, en in de Slag bij Fontenoy in 1745. Nadat hij zich in 1757 in Bagnolet had teruggetrokken, hield hij zich bezig met theatervoorstellingen.

Lodewijk Filips was het oudste kind van hertog Lodewijk van Orléans en Augusta van Baden-Baden. Hij werd geboren in het paleis van Versailles op 12 mei 1725. Zijn jongere zus, Louise Marie, stierf reeds toen ze een jaar en acht maanden oud was in 1728. Bij zijn geboorte kreeg hij de titel Hertog van Chartres. Na de dood van zijn vader in 1752 werd hij de hertog van Orléans en werd zijn zoon Lodewijk Filips II de hertog van Chartres. Zijn vader, die toegewijd was aan zijn Duitse vrouw, werd kluizenaar en vroom naarmate hij ouder werd.

Al op zeer jonge leeftijd, hij was nauwelijks vijftien, ontwikkelde hij een gedeelde passie voor een van de dochters van koning Lodewijk XV van Frankrijk, Henriëtte Anne, bekend als Madame, als oudste van de ongehuwde dochters van de koning. Hij wilde met haar trouwen, maar de kardinaal van Fleury zag in dit huwelijksproject een mogelijke bron van allerlei ernstige diplomatieke verwikkelingen. De koning had slechts één zoon, bij zijn dood zou de troon van Frankrijk worden opgeëist door zowel de hertog van Orléans als de koning van Spanje Filips V. Het huwelijk van een dochter van de koning met de zoon van de hertog van Orléans zou de hertog een belangrijke plaats hebben gegeven in een mogelijke opvolging, wat Spanje van streek zou kunnen brengen. In 1740 offerde de koning, niet zonder spijt, het geluk van zijn dochter op en weigerde hij Lodewijk Filips de hand van zijn dochter. De prinses, een lief jong meisje van grote zedelijkheid, onderwierp zich hieraan, en zag af van het huwelijk. Zij stierf op 25-jarige leeftijd aan pokken in 1752.

Lodewijk Filips huwde uiteindelijk op 17 december 1743 in de kapel van het paleis van Versailles met zijn 17-jarige nicht Louise Henriëtte, dochter van Lodewijk Armand II van Bourbon-Conti. Zijn vader had veel problemen bij het vinden van een geschikte vrouw voor zijn zoon, en ondanks de niet zo glorieuze achtergrond van Louise Henriëtte dacht de vrome hertog dat het meisje een model was van christelijke deugden, vooral omdat ze was opgevoegd in een klooster. Deze beslissing bleek achteraf een vergissing. Ze veroorzaakte door haar talrijke affaires vele schandalen tijdens haar huwelijk. Het paar kreeg drie kinderen:

Een dochter (geboren en gestorven in 1745);

Hertog van Chartres Lodewijk Filips, hij volgde zijn vader op als hertog van Orléans, maar werd tijdens de Franse Revolutie vermoord. Hij huwde met Louise Marie Adélaïde van Bourbon en werd de vader van de latere koning Lodewijk Filips I van Frankrijk. Zijn vader zag hem nochtans liever trouwen met de Poolse prinses Maria Kunigunde, de jongste dochter van koning van Polen August III en Maria Josepha;

Bathilde (9 juli 1750 – 10 januari 1820), trad in het huwelijk met Lodewijk VI van Bourbon-Condé. Ze was de laatste prinses van Condé.

Louise Henriëtte overleed in 1759, op 32-jarige leeftijd, aan tuberculose. Lodewijk Filips vond troost bij een zijn maîtresses, Madame de Villemomble. Ze was een voormalige danseres die graag in komedies optrad, en die hem introduceerde in de wereld van het theater. Het paar kreeg drie kinderen die werden opgevoegd onder de hoede van de familie Orléans:

Louis-Étienne;

Louis-Philippe;

Marie-Étienne.

In 1773 trad Lodewijk Filips voor de tweede keer in het huwelijk met een andere maîtresse van hem, Charlotte Jeanne Béraud de La Haye de Riou, oftewel Madame de Montesson. Het morganatisch huwelijk werd toegestaan door koning Lodewijk XV, op voorwaarde dat Madame de Montesson nooit de titel hertogin van Orléans zou dragen. Zij was een zeer intelligente vrouw en een zeer vooraanstaand schrijfster. Het echtpaar leefde in afzondering, wat ook een voorwaarde was van de koning, op het kasteel van Le Raincy. Madame de Montesson vermaakte er haar echtgenoot door een klein theater te bouwen en haar eigen toneelstukken te schrijven, die zij samen opvoerden. Joseph Bologne werd aangesteld als dirigent en later door de Hertog benoemd tot Lieutenant de la chasse. In Le Raincy componeerde hij zijn tweede opera. Madame de Montesson overleefde haar man twintig jaar.

Tijdens de Franse Revolutie beweerde zijn zoon, Lodewijk Filips II van Orléans publiekelijk dat zijn echte vader helemaal niet de echtgenoot van zijn moeder was, maar een koetsier van het Palais-Royal. Deze bewering was waarschijnlijk een politieke reden om de ambitieuze hertog te distantiëren van het Ancien régime. Hij schreef naar de Commune van Parijs over het wangedrag van zijn moeder en vroeg om zijn naam te veranderen, en er werd een decreet uitgevaardigd waarin stond dat hij en zijn nageslacht voortaan de achternaam Égalité zullen dragen. Recente DNA-tests hebben echter de biologische legitimiteit van de oudste zoon van Louise Henriette bevestigd. De bewering was toen ook niet erg waarschijnlijk, aangezien er opvallende gelijkenissen waren tussen hem en zijn vader.

In 1769 verkocht de hertog Bagnolet en kocht hij het Château du Raincy, gelegen op minder dan tien mijl ten oosten van het centrum van Parijs. In 1773 voegde de hertog aan zijn residenties een prachtig hôtel toe, gebouwd aan de Chaussée d'Antin, de nieuwe elegante wijk van Parijs. In 1780 schonk Lodewijk Filips zijn zoon het Palais-Royal, een geschenk dat hun verzoening moest markeren na de breuk die door het tweede huwelijk van de hertog was ontstaan.

In Sainte-Assise, Le Raincy en Parijs ontving het echtpaar edelen, intellectuelen, toneelschrijvers, wetenschappers, zoals de hertogin van Lauzun, de gravin van Egmont, de markies van Lusignan, de markies van Osmond, de wiskundige d'Alembert, de Duitse schrijver Melchior Grimm, de wis- en sterrenkundige Pierre-Simon Laplace, de scheikundige Claude Louis Berthollet, de componisten Pierre-Alexandre Monsigny, André Grétry, Chevalier de Saint-Georges, Wolfgang Amadeus Mozart, en de toneelschrijver Louis Carrogis Carmontelle.

In februari 1785 verkocht de hertog, op aandringen van Lodewijk XVI en met enige hulp van Madame du Barry, het prachtige kasteel van Saint-Cloud, dat sinds 1658 in het bezit was van de familie Orléans, aan koningin Marie Antoinette van Oostenrijk, voor zes miljoen livre, een veel lagere prijs dan de oorspronkelijke kosten. Het prachtige kasteel was verwaarloosd na de dood van zijn vrouw Louise Henriette.

Omringd door alle leden van zijn naaste familie, zelfs door zijn drie kinderen bij Etiennete Le Marquis, stierf Lodewijk Filips op 18 november 1785, op zestigjarige leeftijd in zijn kasteel van Sainte-Assise. Hij werd begraven in het klooster Val-de-Grâce in Parijs.




KONING WILLEM DER NEDERLANDEN I (Koos' 16 maal achter-neef, 9 gen. verwijderd) werd geboren op 24 augustus 1772 als kind van willem van Oranje Nassau V en Frederica Sophia Wilhelmina van Pruisen. Hij is gestorven op 12 december 1843, 71 jaar oud.

Willem Frederik Prins van Oranje-Nassau (Den Haag, 24 augustus 1772 – Berlijn, 12 december 1843) was de eerste koning der Nederlanden uit het huis Oranje-Nassau.

Na de nederlaag van Napoleon in de Slag bij Leipzig in 1813 werd hij ingehuldigd als 'soeverein vorst' der Verenigde Nederlanden. Op 16 maart 1815 riep hij zichzelf uit tot koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en hertog van Luxemburg, waarna hij op 21 september 1815 in Brussel werd ingehuldigd als koning. In hetzelfde jaar werd op het Congres van Wenen door de Europese mogendheden besloten om het hertogdom Luxemburg te promoveren tot groothertogdom en Willem te erkennen als eerste groothertog, met bevestiging van de koningstitel. Hiermee was de tweede monarchie der Nederlanden binnen Europa formeel erkend. Het koninkrijk fungeerde als buffer voor zowel Frankrijk als het Verenigd Koninkrijk. Na de troonsafstand in 1840 noemde Willem I zich koning Willem Frederik, graaf van Nassau. In Duitsland was hij van 1803 tot 1806 "Fürst" (vorst) van het vorstendom Fulda en Corvey (soms 'Nassau-Oranje-Fulda') genoemd.

Willem Frederik werd geboren als derde zoon van stadhouder Willem V van Oranje-Nassau en prinses Wilhelmina van Pruisen, een nicht van koning Frederik II van Pruisen. Omdat zijn beide oudere broers in 1769 respectievelijk 1771 niet langer dan een dag hadden geleefd, werd hij de erfprins. Na de dood van zijn vader Willem V in 1806 stond hij tot 1815 bekend als Willem VI.

Willem Frederik stond in 1789-1790 ingeschreven aan de Universiteit Leiden en bewoonde in die tijd het voor hem gehuurde Huis van Leyden aan het Rapenburg. Hij volgde niet het reguliere curriculum, maar de hoogleraar Adriaan Kluit gaf hem privatissima in vaderlandse geschiedenis en historisch staatsrecht.

Hij trouwde in 1791 zijn volle nicht Wilhelmina van Pruisen, een zuster van koning Frederik Willem III van Pruisen. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren, onder wie prins Willem Frederik George Lodewijk, de toekomstige koning Willem II der Nederlanden.

In 1793 streed hij als kapitein-generaal tegen de Fransen in de Zuidelijke Nederlanden en Noord-Frankrijk. Aanvankelijk leken de Franse revolutionairen teruggedrongen te zijn, maar ze kwamen terug. In 1795 stond hij als erfprins, 23 jaar oud, aan het hoofd van het Staatse leger tegen de invallers. Toen de Fransen oprukten vluchtte hij met zijn vader naar Engeland.

In najaar 1797 kocht hij van graaf Bilinski de heerlijkheid Widzin en een jaar later van prins Jablonowski het landgoed Raçot, beide in Posen, dat bij de Poolse deling bij Pruisen was gekomen. Hij beschikte nu over bossen, landbouwgrond en een paardenstoeterij maar door zijn veelvuldige afwezigheid lukte het niet, er een bloeiend bedrijf van te maken.

In augustus 1799 probeerde Willem met Engeland en Rusland het stadhouderlijk gezag te herstellen vanuit Noord-Holland, maar deze militaire actie mislukte. Op 10 oktober 1799 werd een bestand getekend in Alkmaar en een week later waren de Engelse en Russische troepen verdwenen. Er werd wel een flink aantal Bataafse deserteurs, muiters en oorlogsgevangenen naar Engeland getransporteerd, waaruit Willem de Hollandse Brigade formeerde. Zijn vader legde zich neer bij het feit dat de politieke rol van de Oranjes uitgespeeld was. Zo nog niet zoon Willem, die uiteindelijk in 1803 als compensatie voor het verlies van zijn bezittingen in de Nederlanden van Napoleon de voormalige prinsbisdommen Fulda en abdij van Corvey, de abdij Weingarten en de rijksstad Dortmund kreeg. Die samen gingen het vorstendom Nassau-Oranje-Fulda vormen.

In 1801 probeerde de erfprins via zijn afgezant Maximiliaan d'Hangest een soort eerste consul van de Nederlandse republiek te worden. Omdat de tegemoetkoming door Napoleon op prijs werd gesteld, werd Willem uitgenodigd naar Parijs te komen waar hij op 25 februari 1802 sprak met Napoleon. Voor de functie van eerste consul werd hij afgewezen. Daarnaast vroeg en kreeg hij Duits gebied ter compensatie van de verloren Nederlandse domeinen. Dit waren andere Duitse gebieden dan de stamlanden van Nassau die steeds in het bezit van de Oranjes waren geweest. Op 23 mei 1802 sloten Frankrijk en Pruisen een verdrag, waarbij Fulda en een aantal andere gebieden (Corvey, Weingarten en Dortmund) aan de prins van Oranje werden toegezegd. Prins Willem V wees deze in zijn ogen geroofde bezittingen verontwaardigd voor zichzelf af en liet ze over aan de erfprins. Op 22 oktober bezetten Pruisische troepen het prinsbisdom om de belangen van Oranje veilig te stellen en op 6 december hield Willem zijn intocht als vorst in Fulda.

Na de dood van zijn vader op 8 april 1806 in Brunswijk, werd Willem ook vorst van Nassau. Willem zou de landen niet in bezit nemen. Op 12 juli 1806 werd de Rijnbond gesloten en een deel van de landen van Willem werd onder de soevereiniteit van andere vorsten geplaatst. Willem was als Napoleons vazal in het vorstendom Fulda niet verschenen en zodoende werd in artikel 24 de heerlijkheid Weingarten bij het koninkrijk Württemberg gevoegd, de graafschappen Siegen, Dillenburg en Hadamar bij het groothertogdom Berg en het graafschap Diez en het aandeel in het dorp Münzfelden aan het hertogdom Nassau. Op dit moment bleven dus nog Fulda, Corvey en Dortmund over. Toen op 6 augustus een einde kwam aan het Heilige Roomse Rijk was Willem theoretisch zelfs soeverein vorst van deze landen. In augustus 1806 besloot Pruisen, dat in de twee voorgaande oorlogen tegen Frankrijk neutraal was gebleven, om zich bij de coalitie te voegen en de oorlog aan Frankrijk te verklaren, vanwege de Franse inmenging in Duitse zaken. Pruisen stelde een ultimatum aan Napoleon dat afliep op 1 oktober 1806. Willem koos voor zijn familiebanden met Pruisen en liep over naar de coalitie tegen Napoleon. De Vierde Coalitieoorlog tegen Napoleon verliep echter dramatisch voor Pruisen. Na de Slag bij Auerstedt werd Willem op 16 oktober te Erfurt in zijn functie van Pruisisch generaal door de Fransen gevangengenomen. Hij werd nog dezelfde dag weer in vrijheid gesteld en vertrok meteen daarna naar Berlijn. In Pruisen moest hij op beschuldiging van lafheid voor de krijgsraad verschijnen. Hij werd noch vrijgesproken, noch veroordeeld. Op 31 oktober ontnam Napoleon de prins vanwege diens verraad bij legerorder zijn vorstendommen. Napoleon schonk hem ter compensatie later een pensioen voor dit verlies, dat in eerste instantie was bedoeld ter compensatie van het verlies van zijn Nederlandse domeinen. Na de Pruisische nederlaag probeerde Willem tevergeefs zijn Duitse bezittingen van Napoleon terug te krijgen. Tot eind 1813 woonde hij met zijn gezin in het Niederländisches Palais in Berlijn.

Na de nederlaag van Napoleon in 1813 in de Slag bij Leipzig stortte het staatkundige systeem in Midden-Duitsland ineen. De oude situatie werd niet zonder meer hersteld. De meeste gebieden kwamen onder militair bestuur te staan van Rusland, Oostenrijk of Pruisen. Willem werd door zijn banden met Pruisen direct hersteld in de gebieden van vóór 1803. Het napoleontische groothertogdom Berg bestond niet meer en in de Nassause graafschappen Siegen, Dillenburg en Hadamar kon de restauratie direct uitgevoerd worden. Voor het graafschap Diez lag de situatie iets anders, want de hertog van Nassau had zich op tijd bij de geallieerden aangesloten. Toch werd ook dit gebied aan Oranje overgedragen. Uiteindelijk zou de regering van Willem I in Nassau van korte duur zijn. In 1815 werd een verdrag met Pruisen gesloten, waarbij de oude stamlanden van Nassau werden afgestaan in ruil voor het nieuwe groothertogdom Luxemburg.

Op 30 november 1813 zette Willem na achttien jaar weer voet op Nederlandse bodem. In Londen was hij per brief uitgenodigd als "soeverein vorst" de regering op zich te nemen. De brief was afkomstig van het Driemanschap van 1813, de Haagse notabelen Gijsbert Karel van Hogendorp, Frans Adam van der Duyn van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum. Willem aanvaardde hun uitnodiging en het Engelse fregat The Warrior bracht hem naar de kust van Scheveningen. Met een boerenwagen werd hij vervolgens uit zee naar het strand gebracht en in een open rijtuig onder begeleiding van een vreugdevolle menigte naar Den Haag gereden. Een van de eerste dingen die hij in Nederland deed, was een proclamatie uitvaardigen, waarin hij aankondigde: "Ons gemeene Vaderland is gered: De oude tyden zullen weldra herleeven." Van Hogendorp werd eerst samen met Van der Duyn tot graaf verheven, maar overigens na verloop van tijd door de koning ontslagen wegens zijn voortdurende kritiek op de gang van zaken. Op 1 december werd Willem tot soeverein vorst uitgeroepen, wat op 2 december door hem werd aanvaard.

In 1815 keerde Napoleon kortstondig terug en aan Willem werden op het Congres van Wenen de voormalige Oostenrijkse Nederlanden toegezegd (die hij reeds stilzwijgend had bezet). De Nederlanden zouden, zo hoopten Engeland en Pruisen, een sterke bufferstaat aan de Franse noordgrens vormen. Op 16 maart 1815 nam soeverein vorst Willem I zelf de titel koning der Nederlanden aan. Hij kreeg als compensatie voor de aan Pruisen afgestane Nassause erflanden (Nassau-Dillenburg, Siegen, Hadamar en Dietz) als privébezit ook Luxemburg en werd daardoor als groothertog van Luxemburg lid van de Duitse Bond. Na de Belgische afscheiding werd hij voor het verlies van Waals Luxemburg als hertog weer gecompenseerd met het restant (de huidige Nederlandse provincie) van Limburg. Voor de inhuldiging in de Nieuwe Kerk is een nog altijd bestaand verguld messing model van een kroon opgesteld, waarvan werd verondersteld dat het de stadhouderlijke begrafeniskroon was. Bij de inhuldiging in Brussel spotte men over een "houten kroon" en ook over de grote hoeveelheid uitgestrooide koperen munten ("de koperen Koning"). Koperen muntjes hadden immers weinig waarde. Zo ontstond tegen de wil van de meeste Belgen een Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Een nieuwe grondwet werd opgesteld: Het Zuiden werd mede onder druk van Groot-Brittannië verplicht samen te gaan met het Noorden (union intime et complète). Willem was tevreden met zijn machtsuitbreiding; Engeland behield evenwel Duinkerke als steunpunt op het continent.

Koning Willem I kon gebruikmaken van de bestuurlijke infrastructuur die het Franse Keizerrijk en het koninkrijk Holland hadden achtergelaten. De republikeinse inwoners van het noorden waren gewend geraakt aan een centraal bestuur met een hofcultuur. Willem I versterkte die cultuur door hoffunctionarissen te benoemen. Er werd een nieuwe adel gecreëerd in de noordelijke provincies waar oude adel vrijwel ontbrak of uitgestorven was. Koning Willem I wilde geen politieke afrekening met de bestuurlijke elite die Lodewijk Napoleon en Napoleon I had gesteund; hij benoemde zelfs voormalige patriotten zoals Jan Willem Janssens op hoge posten. De koning zag zijn ministers als zijn "dienaren" en achtte zichzelf verantwoordelijk, ondanks het feit dat zijn koninklijke besluiten steeds door ministers werden medeondertekend; contrasigneren. Vastgesteld kan worden dat de basis voor zijn koningschap door Napoleon al was gelegd. De initiatieven die door Napoleon rond de verbetering van de infrastructuur, de waterwegen en de overdracht van de kerken aan de belangrijkste religieuze groep ter plaatse in gang was gezet werden door Willem I voortgezet, later ontwikkelde hij zich meer als een autoritaire vorst omdat hij zich door de Staten-Generaal gedwarsboomd zag in zijn vernieuwende ideeën.

De regering zou om het jaar in 's-Gravenhage en in Brussel resideren. Voor de koning werd een nieuw Koninklijk Paleis in Brussel gebouwd. Willem I kon zodoende beschikken over een stadsresidentie te Brussel, in Amsterdam over het Paleis op de Dam en in Den Haag over Paleis Noordeinde. Verder stonden het Kasteel van Laken, Huis ten Bosch en Paleis Het Loo tot zijn beschikking. Een aantal Oranjeresidenties had de Franse tijd niet overleefd. De prins van Oranje kreeg de beschikking over stadspaleizen te Brussel en Den Haag en verkreeg het buitenverblijf te Tervuren en Paleis Soestdijk in eigendom. De voertaal van het hof was meest Frans. De wetten werden in het Frans en in het Nederlands afgekondigd. De uitvoerende bestuurstaal volgde de taalgrens, wat in het zuiden bij de verfranste burgerij nogal wat weerstand opriep.

Willem handhaafde als absoluut monarch en verlicht despoot de hervormingen uit de Franse Tijd. Willem was een ondernemer die sterk investeerde in de industrie in het zuiden van zijn land. Hij was oprichter en aandeelhouder van de Algemeene Nederlandsche Maatschappij ter Begunstiging van de Volksvlijt. In 1830 werd dit de Belgische Generale Maatschappij. In 1824 stichtte hij de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Willem was zeer verdienstelijk voor de waterstaat. Nieuwe kanalen en wegen werden in zijn opdracht aangelegd. Zo gaf hij de opdracht om de Samber te kanaliseren en kanalen tussen Brussel en Charleroi en van de Maas naar de Moezel te graven.

Investeringen in zulke grote nationale projecten deed hij bij politieke tegenstand buiten de begroting om met behulp van het Amortisatiesyndicaat, waarin de kroondomeinen tot zekerheid waren ondergebracht. Winsten waren op deze wijze in zijn voordeel, verlies belastte deze staatseigendommen. Willem steunde William Cockerill in 1817 in Seraing bij de bouw van de grootste stoommachinefabriek in Europa. In 1820 bouwde dat bedrijf zijn eerste stoomboot en in 1835 zijn eerste stoomlocomotief. De steun zou Cockerill bij de Belgische Revolutie niet in dank afgenomen worden. Willem was de eerste kapitalistische heerser van Europa, die met enigszins moderne methoden zijn inkomsten enorm vergrootte terwijl de arbeidersklasse verpauperde. Een derde van de bevolking van Amsterdam leefde vanaf de Franse tijd van de kerkelijke en burgerlijke armenzorg, die overigens door buitenlanders in vergelijking met andere Europese landen als tamelijk royaal werd gezien. Hij maakte werk van de invoering van het metrieke stelsel en wilde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden een moderne en verlichte eenheidsstaat maken. Op godsdienstig en taalkundig gebied ondervonden deze hervormingen weerstand.

In 1827 ontstond het plan een kanaal door de landengte van Panama in Groot-Colombia te graven; koning Willem I werd enthousiast. Hij richtte in 1828 de Westindische Maatschappij op, voor het overgrote deel familiebezit. In 1830 is het plan opgegeven.

In Vlaanderen werd Nederlands de officiële taal, tot ongenoegen van de in sterke mate verfranste burgerij. Ook de staatscontrole op het curriculum van de katholieke seminaries kwam hem op verzet te staan. De sterk op Frankrijk gerichte rooms-katholieke kerkelijke elite wilde zich, ondanks het met de Heilige Stoel uitonderhandelde concordaat, niet onderwerpen aan deze modernistische protestantse vorst. Toen op 25 augustus 1830 een nationalistische opera in Brussel werd opgevoerd (De Stomme van Portici), brak in Brussel de Belgische Revolutie uit, die onder sterke militaire steun van Frankrijk uitmondde in een onafhankelijk koninkrijk België.

Willem stuurde in 1831 een leger naar België om Brussel te heroveren. Het stond onder opperbevel van kroonprins Willem en onder andere onder bevel van de tweede zoon van de koning, Frederik en Karel Bernhard van Saksen-Weimar-Eisenach. Deze Tiendaagse Veldtocht moest ondanks initiële militaire successen worden stopgezet, omdat koning Lodewijk Filips I van Frankrijk troepen stuurde om de intussen ingezworen koning Leopold I van België te helpen. Hoewel de beslissing van Willem om België binnen te vallen veel bekritiseerd is, bereikte hij er wel gunstige nieuwe territoriale voorwaarden mee. De internationale mogendheden concludeerden dat België kwetsbaar was als koninkrijk en drongen aan op nieuwe onderhandelingen met gunstiger voorwaarden voor Noord-Nederland. Dit leidde uiteindelijk tot het Verdrag der XXIV Artikelen met de aansluiting van Oostelijk Limburg bij Nederland, een verdrag dat overigens pas in 1839 door Willem I geaccepteerd zou worden. Indirect kan dus gesteld worden dat Nederlands Limburg zijn status als Nederlands gebied aan de koppigheid van Willem I te danken heeft.

De Belgische koning die Duits, Russisch, Engels en Frans sprak, maar geen Nederlands dat hij voor een Duits dialect hield, had diplomatiek een grote alliantie. Hij had in zijn jeugd aan het Russische hof gediend, was de weduwnaar van een Engelse troonopvolgster en zou trouwen met een Franse koningsdochter. Willem werd onder grote diplomatieke druk verplicht de onafhankelijkheid van het koninkrijk België te aanvaarden. Hoewel Willem de steun van de grootmachten verloor, bleef hij zich koppig tegen vrede verzetten. De koopman-koning maakte de staat praktisch bankroet met zijn volhardingspolitiek en zijn reputatie als betrouwbaar financieel genie kreeg een deuk. In 1839 erkende hij uiteindelijk de jonge Belgische staat. De afscheiding vereiste een grondwetswijziging, waarbij de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de ministers werd ingevoerd (1840). Dit was een inperking van 's konings macht en Willem vond dat te ver gaan.

In 1840 had Willem I het voornemen om te hertrouwen met de katholieke Belgische gravin Henriette d'Oultremont de Wégimont, een voormalige hofdame van Willems eerste echtgenote Wilhelmina. Willems voornemen om met de gravin in het huwelijk te treden leidde tot veel publieke verontwaardiging en was de uiteindelijke reden voor zijn abdicatie. Een maand na de afkondiging van de nieuwe grondwet trad Willem I af en verhuisde hij naar Berlijn. Hij behield zijn koninklijke rang en zijn aanspreektitel werd: Zijne Majesteit de graaf van Nassau. Hij woonde eerst bij zijn dochter Marianne en betrok later het nog altijd aan hem toebehorende Niederländisches Palais. In Berlijn trouwde hij op 17 februari 1841 met Henriëtte d'Oultremont de Wégimont. Hoewel ze van vaderskant afstamde uit een Waalse adellijke familie was zij in Maastricht geboren en daarmee Nederlandse van nationaliteit. Zijn oudste zoon, inmiddels koning, bleef zich na de huwelijksvoltrekking tegen de verbintenis verzetten en deelde zijn vader mee dat het huwelijk in Nederland ongeldig was. Zijn vader kondigde daarop aan in Den Haag opnieuw met haar in het huwelijk te treden. Om een publiek schandaal te voorkomen gaven Willem II en zijn ministers alsnog toe en werd het huwelijk op 2 oktober 1841 - zonder daar enige ruchtbaarheid aan te geven - bijgeschreven in de burgerlijke stand van de Nederlandse hofstad. Willem ging met zijn nieuwe echtgenote wonen in het Nederlandse paleis aan de Unter den Linden in Berlijn.

Willems abdicatie betekende niet het einde van zijn betrokkenheid bij de rijksfinanciën. Hij leende de staat tien miljoen gulden tegen 3% rente om bankroet te voorkomen.

Op 12 december 1843 overleed Willem in Berlijn op 71-jarige leeftijd. Zijn stoffelijk overschot werd op 2 januari 1844 bijgezet in de Koninklijke Grafkelder in de Nieuwe Kerk in Delft. Na zijn overlijden werd zijn te verdelen boedel gewaardeerd op ongeveer 30 miljoen gulden, op enkele twijfelachtige investeringen na die gemeenschappelijk bezit van zijn kinderen bleven.

Willem I was overgrootvader toen hij overleed; een maand voor de abdicatie was zijn kleinzoon, de latere koning Willem III, vader geworden van de erfopvolger Willem (Wiwill). De enige keer dat de vier generaties samen in het openbaar waren verschenen, was bij de doop van Wiwill in 1840.

Op 20 oktober 2018 werd aan de Reep te Gent een standbeeld van Willem I onthuld. Initiatiefnemer hiervoor was het Comité 1815-2015. Willem Bedankt! onder leiding van de Groot-Nederlandsgezinde professor Alexander Evrard. Ze herdenken hiermee de 200e verjaardag van zijn troonsbestijging en onderstrepen zijn belang voor de ontwikkeling van de stad. Hij stichtte de Universiteit Gent in 1817 en verkoos, ondanks sterke druk, Gent en niet Brugge als locatie. In 1823 nam hij de beslissing om het kanaal Gent-Terneuzen aan te laten leggen.

Naast koning der Nederlanden droeg Willem I de titels prins van Oranje-Nassau, vorst van Fulda (1803–1806), graaf van Corvey, Weingarten en Dortmund (1802–1806) en later als Willem I soeverein vorst van het Soeverein Vorstendom der Verenigde Nederlanden (1813–1815), hertog van Luxemburg (1815), groothertog van Luxemburg (1815–1840) en hertog van Limburg (1839–1840). Na zijn abdicatie nam hij de titel en naam koning Willem Frederik graaf van Nassau aan.

Het wapen van Willem I der Nederlanden als soeverein vorst der Nederlanden werd vastgesteld op 14 januari 1814. Het wapenschild was een herinnering aan dat van Maurits en Frederik Hendrik. Het wapen was gekartileerd van de republiek en de wapenschilden van de Oranjes.

Uit de erfenis der Oranjes is Chalon, de jachthoorn van Orange en Genève, terug te zien. Een combinatie die ook in het wapen van de Vader des Vaderlands al een prominente plaats had ingenomen. De leeuw van Nassau, een gouden leeuw op een blauw veld dat bezaaid is met gouden balken, is als hartschild geplaatst.

Uit de erfstadhouderlijke erfenis van zijn vader Willem V nam de soevereine vorst de kroon en de schildhoudende leeuwen en het devies "Je Maintiendrai" over. Rond het schild hing een afgeleide van de Pruisische Hoge Orde van de Zwarte Adelaar, de soevereine vorst bezat immers nog geen eigen ridderorde.

Het wapen deed slechts twintig maanden dienst, want op 24 augustus 1815 nam Willem Frederik die nu koning Willem I der Nederlanden was een nieuw wapen aan.

Kinderen:

Willem Frederik George Lodewijk (1792-1849). Huwde met Anna Paulowna van Rusland. De latere koning Willem II.

Willem Frederik Karel (1797-1881).

Wilhelmina Frederika Louise Paulina Charlotte (1800-1806)

Levenloos geboren zoon (30 augustus 1806).

Wilhelmina Frederica Louisa Charlotte Marianne (1810–1883). Huwde met haar volle neef Albert van Pruisen (1809-1872), scheidde van hem in 1845. Veroorzaakte een schandaal toen zij in 1849 op Sicilië beviel van een zoon van haar secretaris Johannes van Rossum.

Willem Frederik George Lodewijk 

Willem Frederik Karel 

Wilhelmina Frederika Louise Paulina Charlotte 

Wilhelmina Frederica Louisa Charlotte Marianne

Julie von der Goltz

Tussen 1807 en 1812 werd Willem vader van vier kinderen (twee dochters en twee zonen) die verwekt waren bij een vrouw die in het doopregister Maria Dorothea Hoffmann wordt genoemd. Dit zou mogelijk hofdame Julie von der Goltz (1780-1841) zijn geweest, ofwel: Juliane Karoline Philippine von der Goltz, dochter van Karl Franz von der Goltz (1740-1804), de Pruisische minister van oorlog. De kinderen kregen de achternaam Von Dietz, naar een van de titels van Willem I (graafschap Diez). Deze kinderen werden financieel ondersteund met het door Willem I opgerichte, en in 1856 geliquideerde, Von Jasmund Fonds dat een vast inkomen van 10.000 gulden per jaar opleverde.

Een van die kinderen was Wilhelmina Maria von Dietz, die in Berlijn gedoopt werd. Ze overleed in 1836 bij de geboorte van een zoon. Het restant van het Von Jasmund Fonds werd bij de liquidatie in 1856 uitgekeerd aan haar toen meerderjarige zoon, uit haar huwelijk met C.A.I. von Jasmund.


Reacties

Populaire posts van deze blog

Generatie van 8 maal oud-oud-grootouders met Jan Gerritsz van der Gracht en Claes de Canteleu, Guilielmus Gerardus van Arnhem, Koning jacobus van Engeland I, Willem V van Oranje

Generatie van 15 en 16 maal oud-oud-grootouders met Mathieu de Canteleu en zijn zoon Anseau die sneuvelde bij de slag van Azincourt en achter neven, hoofdrolspelers tijdens de honderd jarige oorlog en bij het ontstaan van de Nederlanden.