Generatie van 8 maal oud-oud-grootouders met Jan Gerritsz van der Gracht en Claes de Canteleu, Guilielmus Gerardus van Arnhem, Koning jacobus van Engeland I, Willem V van Oranje
JAN GERRITSZ VAN DER GRACHT (Koos' Stamgrootvader) werd geboren in 1609, in Naarden, Nederland, als kind van Gerrit Jansz van Blaricum en Marrichje Herman Willems van Doorn, zoals getoond binnen stamboom 61. Hij werd hoedenmaker. Jan is gestorven op 26 oktober 1675, ongeveer 66 jaar oud, in Naarden, Nederland. Hij werd begraven op 26 oktober 1675 in Naarden (NH).
Jan gerritsz Van Der Gracht787, ongeveer 34 jaar oud, huwde Ida Dominicus Van Der Gracht, ongeveer 23 jaar oud, op 8 november 1643 in Delft. Ondertrouw 24 oktober 1643. Zij kregen zes kinderen:
Maria Jans Verduijn in 1634
Magdalena Jansdr van der Graeff in 1634
Dominicus Jansz Verduijn in 1639
Annetjen Jans Verduijn in 1641
Cornelia Jans van Der Gracht in 1643
Gerrit Jansz van der Gracht in 1645
De historische context waarin Jan Gerritsz van der Gracht leefde, omvat een periode van grote veranderingen en gebeurtenissen in Nederland tijdens de 17e eeuw, die vaak wordt aangeduid als de Gouden Eeuw van Nederland. Hier zijn enkele belangrijke aspecten van deze tijd:
Opkomst van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden: In de 17e eeuw was Nederland een belangrijke maritieme macht, met een bloeiende economie gebaseerd op handel, scheepvaart en nijverheid. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was een van de machtigste en welvarendste landen ter wereld. De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) tussen Nederland en Spanje speelde een cruciale rol in de geschiedenis van Nederland. Het leidde uiteindelijk tot de onafhankelijkheid van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden van het Spaanse rijk. Na de Vrede van Westfalen in 1648 erkende Spanje formeel de onafhankelijkheid van de Republiek.
De Gouden Eeuw van Nederland zag een explosie van economische activiteit, vooral in steden als Amsterdam, waar de eerste effectenbeurs ter wereld werd opgericht (de Amsterdamse beurs). Handel met Azië, Afrika en Amerika bracht aanzienlijke rijkdom naar de Republiek. De 17e eeuw was ook een tijd van culturele bloei in Nederland, met de opkomst van meesterschilders zoals Rembrandt van Rijn, Johannes Vermeer en Frans Hals. De Nederlandse literatuur, wetenschap en filosofie floreerden ook in deze periode.
Specifiek voor Jan Gerritsz van der Gracht en zijn familie in Naarden zou de stad hebben geprofiteerd van de economische welvaart en culturele ontwikkelingen die plaatsvonden in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Als hoedenmaker was Jan waarschijnlijk actief in een ambacht dat belangrijk was voor zowel de lokale economie als voor de handel met andere delen van Nederland en daarbuiten. Zijn huwelijk en gezinsleven zouden hebben plaatsgevonden binnen de sociale en culturele context van zijn tijd, waarbij familiebanden en sociale netwerken belangrijk waren voor het welzijn van individuen en gemeenschappen.
CLAES DE CANTELEU (Koos' Stamgrootvader) werd geboren op 18 maart 1612, in Amsterdam, Noord-Holland, Nederland, als kind van Cornelis De Canteleu en SUSANNE JACOBS de Cantelue, zoals getoond in stamboom 68. Hij werd gedoopt op 18 maart 1612, in Oude Kerk, Amsterdam, NH. Hij werd zilversmid en was maker van gedreven servieswerk, in 1658 ging hij failliet.
Blijkbaar is hij weer gaan werken als zilversmid in Naarden en Hoorn want vanaf 1667 vinden we de naam van de zilversmid vermeld in de protocollen van Naarden, op 14.6.1673 kwam hij met attestatie in Hoorn. Claes is gestorven op 4 september 1712, 100 jaar oud, in Amsterdam, Noord-Holland, Nederland. Hij werd begraven op 4 september 1712 in Heiligewegskerkhof, Amsterdam, Noord-Holland, Nederland.
Claes de Canteleu leefde tijdens de Nederlandse Gouden Eeuw, een periode van economische bloei, culturele bloei en politieke macht voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Amsterdam was een centrum van handel en financiën, en de stad floreerde als een van de rijkste steden ter wereld. Als zilversmid was Claes de Canteleu actief in een bloeiende industrie. Amsterdam stond bekend om zijn zilverindustrie, met veel ambachtslieden die hoogwaardig zilverwerk produceerden voor zowel de binnenlandse markt als voor export naar andere Europese landen.
Het feit dat Claes de Canteleu in 1658 failliet ging, weerspiegelt de economische volatiliteit van die tijd. Ondanks de algemene welvaart waren er periodes van economische tegenspoed, zoals recessies, oorlogen en handelsbelemmeringen, die van invloed waren op individuen en bedrijven.
Claes de Canteleu verhuisde van waarschijnlijk van Amsterdam naar Naarden en Hoorn, wat kan worden gezien als een reactie op economische veranderingen of zakelijke kansen elders. Verhuizen was destijds niet ongebruikelijk, vooral voor ambachtslieden die hun vak uitoefenden in verschillende steden.
Het feit dat Claes de Canteleu 100 jaar oud werd, is opmerkelijk gezien de gemiddelde levensverwachting in die tijd. Hoewel het niet gebruikelijk was om zo'n hoge leeftijd te bereiken, waren er toch mensen die lang leefden, vaak als gevolg van goede genetica, gezonde levensstijl en toegang tot medische zorg. Kortom, Claes de Canteleu leefde in een opwindende periode van Nederlandse geschiedenis, waarin economische kansen en uitdagingen hand in hand gingen, en waarin ambachtslieden zoals hijzelf een belangrijke rol speelden in de lokale economie en samenleving.
ANNA DE CANTELEU BORN BENNE (Koos' Stamgrootmoeder) werd geboren in 1618, in Colchester, Essex, England, United Kingdom, als kind van Thomas Benne, brouwer in Colchester en Catherine GB = Benne, zoals getoond in stamboom 69. Zij is gestorven in 1703, ongeveer 85 jaar oud.
Claes De Canteleu, 25 jaar oud, huwde Anna De Canteleu BORN BENNE, ongeveer 18 jaar oud, op 20 maart 1637 in Amsterdam, NH. Zij kregen vier kinderen:
Susanna de Canteleu in 1642
Susanna Nicolas van der Gracht in 1646
Cornelis de Canteleu in 1649
Maria De Canteleu in 1652
Anna De Canteleu, geboren Benne, kwam ter wereld in 1618, tijdens een periode van relatieve stabiliteit onder het bewind van James I van Engeland. Geboren in de familie van Thomas Benne, een plaatselijke brouwer in Colchester, Essex, maakte ze deel uit van een snelgroeiende middenklasse die profiteerde van de economische welvaart van het Engeland van het begin van de 17e eeuw. Haar moeder, Catherine Benne (geboren Schotte), voorzag Anna waarschijnlijk van het huiselijk onderwijs dat destijds typerend was voor meisjes. Het brouwerijvak dat haar vader uitoefende, was een essentiële bedrijfstak, aangezien bier een hoofdbestanddeel van het Engelse dieet was vanwege de slechte kwaliteit van het drinkwater.
In 1637, op 19-jarige leeftijd, trouwde Anna met Claes De Canteleu in Amsterdam, een stad in het hart van de Nederlandse Gouden Eeuw. In dit tijdperk werd Nederland een wereldmacht door zijn handel, wetenschap, leger en kunst. Vooral Amsterdam was een centrum van handel en cultuur, dat mensen uit heel Europa aantrok, waaronder Engelse burgers als Anna en Claes. Hun huwelijk viel samen met een periode waarin veel protestanten vanuit Engeland naar Nederland emigreerden op zoek naar godsdienstvrijheid, hoewel niet wordt gespecificeerd of dit het geval was voor Anna en Claes.
Samen met Claes kreeg Anna vier kinderen: Susanna, Susanna Nicolas, Cornelis en Maria. De naamgeving van twee dochters 'Susanna' suggereert dat de eerste mogelijk jong stierf, een veel voorkomend verschijnsel in de 17e eeuw, waar de kindersterfte hoog was. Tijdens hun leven zou de familie getuige zijn geweest van de Dertigjarige Oorlog die over continentaal Europa woedde (1618-1648), hoewel Nederland erin slaagde de Tachtigjarige Oorlog met Spanje af te sluiten met het Verdrag van Westfalen in 1648, waarmee de Nederlandse onafhankelijkheid werd bevestigd.
Anna werd 85 jaar oud en overleed in 1703. Haar leven besloeg een tumultueuze periode in de Britse geschiedenis, waaronder de burgeroorlogen, de executie van Charles I, het Interregnum onder Oliver Cromwell, de restauratie van Charles II en de glorieuze revolutie. , en de oprichting van de constitutionele monarchie onder Willem III en Maria II. Tegen de tijd van haar dood had Engeland belangrijke veranderingen ondergaan, waaronder de unie met Schotland in 1707, waardoor het Koninkrijk Groot-Brittannië ontstond. Anna's lange leven stelde haar in staat zowel de beproevingen als de transformaties van haar tijd te ervaren.
GUILIELMUS GERARDUS VAN ARNHEM (Koos' Stamgrootvader) werd geboren voor 2 juni 1624, in 's Hertogenbosch (NL), als kind van Gerardus Cornelis van Arnhem en Elizabeth van Arnhem, zoals getoond in stamboom 70. Guilielmus Gerardus (Willem) van Arnhem, zoon van Gerardus Cornelis van Arnhem en Elizabeth Thomas. Hij is gedoopt op zondag 2 juni 1624 in ´s Hertogenbosch. Bij de doop van Guilielmus Gerardus waren de volgende getuigen aanwezig: Catharina Walter Denis, Sara van Erne en Thomius Wilhelmus. Guilielmus Gerardus trouwde, 27 jaar oud, op woensdag 31 januari 1652 in ´s Hertogenbosch met Petronella (Gerijntje) van Blaijel (Blael), ongeveer 22 jaar oud. Petronella is geboren omstreeks 1630 in ´s Hertogenbosch, dochter van Godefridus (Goijart) van Blaijel en Catharina.
Guilielmus Gerardus van Arnhem leefde tijdens een periode van interessante historische ontwikkelingen in Nederland. Hier is wat context:
De Oorlog Nederland en Spanje was nog steeds aan de gang tijdens het leven van Guilielmus Gerardus van Arnhem. Dit conflict, dat duurde van 1568 tot 1648, had grote politieke en religieuze implicaties voor de Nederlandse Republiek en de regio waarin hij leefde. De Nederlanden waren verdeeld tussen katholieken en protestanten tijdens de Tachtigjarige Oorlog. 's-Hertogenbosch, waar Guilielmus Gerardus van Arnhem werd geboren en leefde, was een bolwerk van het katholicisme en werd lange tijd door Spaanse troepen bezet gehouden. 's-Hertogenbosch was een belangrijke stad in de Nederlandse Republiek, met een bloeiende economie en een levendige culturele scene. Als zoon van Gerardus Cornelis van Arnhem, een lid van de lokale gemeenschap, zou Guilielmus Gerardus waarschijnlijk betrokken zijn geweest bij het stedelijke leven van die tijd.
Al met al leefde Guilielmus Gerardus van Arnhem in een tijd van politieke onrust, religieuze verdeeldheid en culturele bloei in Nederland, en zijn leven weerspiegelde waarschijnlijk de uitdagingen en kansen van die periode.
PETRONELLA VAN ARNHEM (Koos' Stamgrootmoeder) werd geboren rond 1630, in 's Hertogenbosch (NL), als kind van Godefricus van Blaijel en Catharina van Blaijel, zoals getoond in stamboom 71. Guilielmus Gerardus van Arnhem, ouder dan 27 jaar, huwde Petronella van Arnhem, ongeveer 21 jaar oud, op 31 januari 1652 in 's Hertogenbosch (NL). Zij kregen vijf kinderen:
Catharina Wilhelma Goumans in 1653
Gerardus van Arnhem (van Arem) in 1655
Godefridus van Arnhem (van Arem) in 1657
Gerarda (Catharina) Pijnappel in 1658
Godefridus van Arnhem in 1668
KONING JACOBUS VAN ENGELAND I (Koos' 10 maal achter-neef, 10 gen. verwijderd) werd geboren op 19 juni 1566, in Edingburgh Castle, als kind van Henry Stuart-Darnley en Maria van Schotland I. Jacobus werd als Jacobus VI koning van Schotland en van 1603 tot 1625 als Jacobus I koning van Engeland. Hij is gestorven op 5 maart 1625, 58 jaar oud, in Theobalds house. Hij werd begraven in Westminster Abbey Te Londen.
Jacobus Karel (Engels: James Charles) (Edinburgh Castle, 19 juni 1566 — Theobalds House (Hertfordshire), 5 maart 1625) was van 1567 tot 1625 als Jacobus VI koning van Schotland en van 1603 tot 1625 als Jacobus I koning van Engeland. Hij was in deze laatste hoedanigheid de eerste koning uit het Huis Stuart en de opvolger van Elizabeth I, de laatste vorst uit het Huis Tudor.
Jacobus werd geboren op 19 juni 1566 in Edinburgh Castle en was de zoon van de Schotse koningin Maria I Stuart en Henry Stuart Darnley; beiden waren achterkleinkinderen van de koning Hendrik VII van Engeland. Hij werd rooms-katholiek gedoopt in de Chapel Royal in Stirling Castle. Zijn moeder werd op 24 juni 1567 tijdens haar gevangenschap in Lochleven Castle tot aftreden gedwongen. Op 29 juli 1567 werd hij, net één jaar oud, tijdens een protestantse dienst geleid door John Knox in de Church of the Holy Rude tot koning van Schotland gekroond als Jacobus VI. Zijn moeder wist te ontsnappen en vluchtte naar Engeland, waar zij 19 jaar in gevangenschap doorbracht. Zijn vader, Lord Darnley, werd kort na zijn geboorte onder mysterieuze omstandigheden gedood. Jacobus kreeg een streng protestantse opvoeding en een gedegen theologische en klassieke scholing door de Schotse reformator George Buchanan, om de katholieke invloed van zijn moeder te doen vergeten. Als jongen had hij veel contact met zijn neef, een katholieke Fransman. Lang heeft hij gedacht dat dat zijn enige familie was, omdat hij zijn ouders nooit gekend heeft. De protestantse adel nam hem gevangen omdat men bang was voor te veel katholieke invloed in het land, maar hij wist te ontsnappen, een leger te creëren en door Edinburgh te veroveren de macht over Schotland in handen te krijgen. In 1583 onttrok hij zich aan de invloed van de protestantse partij in Schotland en vergrootte zijn koninklijke macht. Op de terechtstelling van zijn moeder in 1587 reageerde hij nauwelijks, vermoedelijk omdat hij als afstammeling van Hendrik VII het recht op opvolging van de Engelse koningin Elizabeth niet in gevaar wilde brengen.
Er werd gezocht naar een geschikte bruid voor Jacobus. Die vond men in de toen veertien jaar oude Deense prinses Anna van Denemarken, een dochter van de Deense koning Frederik II van Denemarken en koningin Sophia van Mecklenburg-Güstrow. Op 23 november 1589 traden de twee in het huwelijk te Oslo in Noorwegen. Zij kregen zeven kinderen, van wie er drie volwassen werden:
Hendrik Frederik (19 februari 1594 - 6 november 1612), van 1603 tot 1612 de Prins van Wales.
Elizabeth (19 augustus 1596 - 13 februari 1662), in 1613 gehuwd met Frederik V van de Palts, zij werd grootmoeder van de latere Britse koning George I.
Margaretha (24 december 1598 - maart 1600).
Karel (19 november 1600 - 30 januari 1649), trouwde met Henriëtta Maria van Frankrijk, dochter van koning Hendrik IV van Frankrijk, was koning van Schotland, Engeland en Ierland (27 maart 1625 – 30 januari 1649) en werd in 1649 geëxecuteerd.
Robert (18 januari 1602 - 27 mei 1602).
Maria (8 april 1605 - 16 december 1607).
Sophia (juni 1606).
Toen Elizabeth I van Engeland in 1603 zonder nakomelingen stierf, werd Jacobus tot koning van Engeland en Ierland uitgeroepen (Jacobus I). Engeland en Schotland bleven beide soevereine staten, maar vormden nu een personele unie. Jacobus streefde in Engeland van meet af aan naar vestiging van het absolutisme en versteviging van de positie van de staatskerk. Hij was zelf overtuigd protestant, maar op het gebied van de buitenlandse politiek voelde hij het meest voor aansluiting bij de machtige katholieke vorsten. In 1604 sloot hij vrede met Spanje, waarna hij ook naar dynastieke verbinding met katholieke machten ging streven. Het kwam tot een breuk met en ontbinding van het parlement in 1622, toen hij voorstelde om zijn tweede zoon Charles, de latere koning Karel I, te laten trouwen met prinses Maria Anna van Spanje, (Karel huwde ten slotte Henriëtta Maria van Frankrijk.)
Na zijn aanstelling smeedde hij de aparte landen samen tot Groot-Brittannië met gezamenlijke wetten en gelijkheid voor de inwoners van beide landen, hoewel Engeland rijker en verder ontwikkeld was. Jacobus liet een nieuwe vlag ontwerpen en dit werd de Union Flag. Jacobus schonk geld, land en landgoederen aan de Schotse adel. Hoewel Jacobus als koning vrij populair was (al werd hij niet zo sterk geacht als zijn voorgangster Elizabeth I), viel zijn politiek niet altijd in goede aarde bij het parlement en het volk, maar daar wilde Jacobus geen rekening mee houden. Het parlement wenste zich niet neer te leggen bij Jacobus' pogingen om zelf allerlei politieke beslissingen te nemen en bepaalde belastinggelden in eigen zak te steken. Ook wilde hij complete controle op de uitvoerende en de rechterlijke macht. Hij raakte daardoor in conflict met het parlement. Driemaal regeerde hij zelfs zonder parlement (1611 - 1614, 1614 - 1621 en 1622 - 1624), maar als hij in geldnood raakte moest hij steeds weer tot een compromis komen. De Nederlandse ambassadeur Noël de Caron hielp hem diverse malen aan geld.
De koning wordt gezien als een van de meest intellectuele en geleerde vorsten die ooit op de Engelse troon heeft gezeten. Jacobus was een getalenteerd schrijver en publiceerde verscheidene boeken in het Latijn. Ook vertaalde hij werken, o.a. uit het Frans. Op zijn gezag ontstond ook de beroemde Engelse Bijbelvertaling van 1611, 'the Authorized (of: King James) version'. Jacobus was ervan overtuigd dat overal heksen en demonen werkten. Hij publiceerde in 1597 een boek over demonologie, de "Daemonologie" met een theorie over het Bloedrecht, een godsbewijs uit het middeleeuwse recht. Veel onschuldige Schotse en Engelse mannen en vrouwen werden het slachtoffer van Jacobus' heksenwaan.
Er zijn altijd speculaties geweest over zijn geaardheid, gezien zijn keuze van mannelijke metgezellen. Of de koning homoseksueel of biseksueel was is onduidelijk. Zijn relatie als jongeman met zijn leeftijdgenoot Esmé Stuart, Seigneur d'Aubigny, graaf van Lennox, werd door de Schotse kerkelijke leiders bekritiseerd en Lennox werd gedwongen Schotland te verlaten. In de jaren 80 kuste Jacobus in het openbaar Francis Stewart Hepburn, graaf van Bothwell. Toen Jacobus de Engelse troon besteeg, deed dan ook de volgende grap de ronde: Rex fuit Elizabeth: nunc est regina Jacobus ("Koning was Elizabeth: nu is Jacobus koningin"). Hij was kennelijk niet altijd verstandig in zijn keuze van mannelijke partners en wist zijn favorieten behoorlijk te begunstigen, zoals Robert Carr, die het van page tot graaf van Somerset wist te brengen. Zo verging het ook de latere graaf van Buckingham: Jacobus noemde George Villiers zijn 'vrouw' en zichzelf Villiers' 'man'. Vooral Villiers kreeg veel invloed bij de koning. Nadat George Villiers op 23 augustus 1628 was vermoord, werd hij aan Jacobus' rechterhand begraven. Anderzijds had hij in Schotland een maîtresse (minnares), namelijk Anne Murray, gravin van Kinghorne.
Jacobus stierf in 1625 aan ouderdomsziekten en werd begraven in Westminster Abbey. Zijn tweede zoon Karel I volgde hem op.
VORST WILLEM VAN ORANJE NASSAU V (Koos' 15 maal achter-neef, 10 gen. verwijderd) werd geboren op 7 februari 1748, in 's-Gravenhage, als kind van Willem van Nassau Dietz IV en Anna van Hannover. Hij is gestorven op 9 april 1806, 58 jaar oud, in Brunswijk, Duitsland. Hij werd begraven op 28 april 1958 in Nieuwe Kerk, Delft.
Willem V, zichzelf noemend Willem Batavus ('s-Gravenhage, 8 maart 1748 – Brunswijk, 9 april 1806), prins van Oranje, vorst van Nassau, was de laatste erfstadhouder van de Republiek der Verenigde Nederlanden (1751-1795).
Van Willem V wordt gezegd dat hij een zeer goed geheugen had, filosofisch van aard en goed van karakter was, echter ook besluiteloos, legalistisch en detaillistisch. Hij was niet bereid het oligarchische regeringssysteem te hervormen en kwam daardoor steeds meer onder vuur te liggen. Hij raakte tijdens de patriottentijd diep in de problemen door zijn halsstarrigheid. Hij raakte diverse functies kwijt en trok zich terug naar Nijmegen. In september 1787 kwam hij terug naar Den Haag, dankzij de steun van een Pruisisch leger. In februari 1793 verklaarde het revolutionaire bewind in Parijs hem de oorlog. In januari 1795 ging hij in ballingschap in Londen, waarna de Bataafse Republiek werd uitgeroepen. Willem beval de koloniale bestuurders in Oost-Indië zich over te geven aan de Britten. In 1801 deed hij afstand van al zijn rechten als erfstadhouder. Zijn vroegere medestanders liet hij weten dat zij weer bestuursfuncties mochten bekleden.
Willem werd geboren in 's-Gravenhage als zoon van erfstadhouder Willem IV en Anna van Hannover. Willem was drie jaar oud toen zijn vader overleed. Hij werd opgevoed door zijn moeder en Douwe Sirtema van Grovestins en vanaf 1759 door zijn voogd, de hertog van Brunswijk.
De prins liep mank en miste waarschijnlijk twee voortanden, nadat hij in zijn jeugd van zijn paard was gevallen. Het gevolg was een pruillip. In 1754 ontstond onenigheid over het jaar waarin hij meerderjarig verklaard zou worden. In 1763 werd hij ernstig ziek, men vreesde voor zijn positie als opvolger. Het was zaak een geschikte huwelijkskandidaat te zoeken. De prins had zijn oog laten vallen op zijn nicht Caroline Mathilde van Wales, maar zij werd uitgehuwelijkt aan een Deense prins. Frederik V van Denemarken beval zijn dochters aan en Frederik de Grote bracht enkele van zijn nichten onder de aandacht.
Op 8 maart 1766, meerderjarig verklaard, trad hij aan als erfstadhouder. Van elke provincie had hij hiervoor een aparte aanstelling gekregen. De tien jaar oude Mozart, die zich op dat moment nog in Holland bevond vanwege de rondreis met zijn vader langs Europese hoven, was uitgenodigd en componeerde speciaal ter gelegenheid van de festiviteiten een quodlibet met de titel Galimathias musicum (KV 32), dat op 11 maart werd uitgevoerd. (zie ook: Grand tour van de Mozarts door Europa). Willem werd door de Staten-Generaal benoemd tot admiraal-generaal van de vloot en kapitein-generaal van het leger. Achter de schermen was het echter zijn voormalige voogd, Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolfenbüttel, die aan de touwtjes bleef trekken. Dit was geregeld in de Akte van Consulentschap.
Het was ook de "dikke hertog" die een huwelijk regelde voor de jonge stadhouder. Op 4 oktober 1767 huwde de prins in Berlijn Wilhelmina van Pruisen (1751-1820), een nicht van Frederik de Grote, die in 1768 de stadhouderlijke familie bezocht op Het Loo.
Willem V begon met voorstellen tot verkleining van de vroedschappen in de Friese steden Stavoren (1768), Workum (1772) en Bolsward (1773). De stadhouder beschikte over goede contacten ("premiers") in Friesland, onderdeel van het stadhouderlijk stelsel. Ook in Gelderland en Overijssel hadden kleine steden moeite om hun vroedschapszetels op te vullen en waren aanpassingen noodzakelijk; Zwolle telde bijvoorbeeld zestien burgemeesters. De voorstellen tot hervorming, die willekeurig kunnen worden genoemd, omdat hij niet overal over dezelfde bevoegdheden en invloed beschikte, werden hem niet in dank afgenomen. Het probleem van de opvulling van vroedschapszetels speelde bovendien in steden met een aanzienlijke katholieke bevolking, zoals Haarlem, Arnhem, Nijmegen, Oldenzaal, 's-Hertogenbosch, etc. Nog voor de patriottentijd in Bolsward, toen een stadje met 2600 inwoners, maar met een aanzienlijke katholieke bevolking (30%), ontstond in 1778 protest, waarop de stadhouder besloot het voorstel te laten rusten.
In 1774 werd de Galerij Prins Willem V voor het publiek geopend. Josina van Boetzelaer en haar leermeester Francesco Pasquale Ricci componeerden diverse werken voor het hoforkest. Op het Haagse Binnenhof werd tegenover het oorspronkelijke stadhouderlijk paleis (waarvan de Mauritstoren en aanpalende vertrekken als deel van het huidige gebouw van de Eerste Kamer der Staten-Generaal bewaard zijn gebleven) in 1777 naar ontwerp van Friedrich Ludwig Gunckel voor Willem V een nieuw, representatief onderdeel van zijn paleis gebouwd.
In september 1781 – de Republiek was sinds december 1780 in oorlog met de Engelsen, vanwege de wens tot vrijhandel en vanwege wapensmokkel naar de opstandige Verenigde Staten – kwam er steeds meer kritiek op het functioneren van Willem V. Het pamflet “Aan het Volk van Nederland”, waarin een aantal zaken op een rijtje was gezet die moesten aantonen dat de malaise aan de stadhouder te wijten was, vond – hoe gechargeerd ook – gretig aftrek. Willem V werd beschuldigd van heulen met de vijand: zijn volle neef George III, de koning van Engeland. Bovendien speelde de affaire met freule Constantia van Lynden hem parten. De Vierde Engels-Nederlandse Oorlog verliep door eerdere verwaarlozing van de vloot desastreus, op de Slag bij de Doggersbank na en al in 1783 is een Vrede van Parijs (1783) gesloten. Toen in 1784 bekend werd dat Lodewijk Ernst de stadhouder in het geheim adviseerde, zonder voor de gevolgen verantwoordelijk te kunnen worden gesteld, is die zaak door de patriotten in pamfletten uitgebuit. De gehate hertog werd de Republiek uitgezet. De in het slop geraakte economie werd bedreigd, toen keizer Jozef II, die ook heer van de Oostenrijkse Nederlanden was, opening van de Schelde eiste. De Keteloorlog die daarop volgde was aanleiding voor de patriotten tot het oprichten van nog meer exercitiegenootschappen. Daardoor zou de invloed van Willem V op de benoeming van buitenlandse officieren in het Staatse leger afnemen.
De patriotten stelden bij monde van Pieter Paulus inmiddels voor een raad in te stellen waarin ook zijn vrouw, die hem al sinds 1776 inzake politieke kwesties terzijde stond, zitting zou hebben. De besluiteloze prins liet niets van zich horen en voerde een beleid dat uitging van handhaving van de oude, gevestigde posities. In maart 1785 deed Willem Gerrit Dedel, raad bij de Admiraliteit van Amsterdam, een voorstel het recommendatierecht van de stadhouder af te schaffen. Bijna was er een akkoord bereikt, maar niet lang daarna sloeg de stemming om en volgens Willem Bilderdijk ontstond een breuk tussen de aristocraten en de democraten. Quint Ondaatje en Von Liebeherr reisden diverse malen naar Den Haag om in contact te komen met de stadhouder. Begin september 1785, enkele dagen nadat het dragen van oranje verboden was, verloor Willem V zijn militaire positie in 's Gravenhage. De stadhouder raakte in een steeds zwaardere crisis en dronk veel wijn. Het liefst had hij afstand gedaan en zich teruggetrokken op een van zijn Duitse bezittingen. Hij schreef: "Ik wenschte dat ik dood waere, dat mijn vader nimmer stadhouder was geworden. Ik voel ik ben daertoe niet bekwaem. 't Hooft loopt mij om."
Twee weken later reisde Willem V af naar Friesland, zijn vrouw en kinderen achterna, die al waren vertrokken om aanwezig te zijn bij het tweehonderdjarig bestaan van de Universiteit van Franeker. Onder de Friese regenten en aristocraten was de stemming omgeslagen, velen kozen nu voor de stadhouder om het land van de ondergang te redden: in oktober werd besloten de regeringsreglementen in Friesland aan te scherpen, maar de stadsregering zou voortaan bestaan uit magistraat én vroedschap. Via Groningen trok de stadhouder naar het jachtverblijf Het Loo bij Apeldoorn.
De Amsterdamse burgemeester Joachim Rendorp legde op 1 februari 1786 de Staten van Holland een plan voor waarmee de terugkeer van de prins naar Den Haag weer mogelijk zou worden, maar het plan leed schipbreuk. De patriotten in de stad Utrecht gingen nu op 2 augustus 1786 over tot het zelf op democratische wijze benoemen van nieuwe vroedschapsleden, dat wil zeggen dan maar zonder de goedkeuring van de stadhouder. De prinsgezinde statenleden verlegden daarop de vergaderingen naar Amersfoort. Daarmee waren de Provinciale Staten van Utrecht opgedeeld. Op 27 augustus 1786 besloten de Staten van Holland met een krappe meerderheid (negen tegen tien stemmen) de prins definitief het commando over het Haags garnizoen te ontnemen. Begin september 1786 werd een poging gedaan om de patriotten een halt toe te roepen, want er dreigde een burgeroorlog te ontstaan. Hattem en Elburg, waar de 24-jarige Herman Willem Daendels het exercitiegenootschap aanvoerde en zijn benoeming in de vroedschap opeiste, werden enige dagen bezet door stadhouderlijke troepen. Enkele weken later werd het aan de exercitiegenootschappen en de vrijkorpsen in Gelderland en Friesland verboden petities in te dienen en elkaar steun te bieden. In november 1786 verhuisde de stadhouderlijke familie van Apeldoorn naar Nijmegen, om in geval van lijfelijke bedreiging over de grens naar Pruisisch Kleef te kunnen vluchten. Op 12 april 1787 reisde Abraham Calkoen voor geheime onderhandelingen naar Nijmegen. De pensionarissen van Dordrecht, Haarlem en Amsterdam stonden erop dat de burgemeesters op een andere manier gekozen zouden worden. De zaak laaide opnieuw op toen in Amsterdam en Rotterdam eind april, begin mei een aantal prinsgezinde vroedschapsleden en burgemeesters werden vervangen.
Begin mei 1787 is vanuit Amersfoort een poging gedaan Utrecht te heroveren. Er vielen enkele slachtoffers. o.a. bij Soestdijk. De prinses reisde enkele weken later "incognito" in twee koetsen met zestien paarden naar 's-Gravenhage, maar werd tegengehouden langs de Vlist door leden van een exercitiegenootschap uit Gouda. Het gezelschap werd onder geleide naar Goejanverwellesluis gevoerd, in afwachting van een beslissing van de Staten van Holland. Prinses Wilhelmina moest dus onverrichter zake terugkeren naar Nijmegen. Na beklag bij haar broer, de pas aangetreden koning van Pruisen, kwam die zijn zuster te hulp. Een Pruisisch leger van 20.000 man viel bij Nijmegen binnen. De troepen van de Republiek onder de Rijngraaf van Salm verlieten Utrecht bij de nadering van dit leger, maar op 17 september reed de prins onder luide toejuichingen Utrecht binnen. Op donderdag 20 september 1787 kwam hij aan in Den Haag en was de Oranjerestauratie een feit. Misschien is Prinsjesdag naar deze gebeurtenis vernoemd. Hersteld in de oude rechten nam Willem V, maar in het bijzonder zijn vrouw Wilhelmina, nu represailles tegen de patriotten. De patriotten, verbeurd verklaard van hun bezittingen en hun zetels in de vroedschap, vluchtten daarop naar Noord-Frankrijk waar zij zich schoolden in de idealen van de Franse Revolutie.
In 1792 kreeg de Franse generaal Dumouriez opdracht om de Nederlanden binnen te vallen. Begin februari 1793 vielen Blerick en Stevensweert in handen van de Franse troepen. Hij kreeg assistentie van Daendels met ca. 2.800 manschappen en tachtig ruiters van het Bataafs Legioen. Op 17 februari vond de hoofdaanval plaats; via Breda zouden de troepen opstoten naar Dordrecht. Klundert en Bergen op Zoom vielen rond 25 februari. Willemstad kreeg een beleg te verduren van twee weken. Op 2 maart proclameerde de Conventie steun van het Franse volk aan de Bataven, maar het beleg van Maastricht door Francisco de Miranda werd op die dag opgebroken. Geertruidenberg viel op 4 maart. Breda koos op 5 maart een "Revolutionaire" gemeenteraad. Op 8 maart kreeg Dumouriez opdracht zich terug te trekken. Op 18 maart moest hij een nederlaag incasseren bij de Slag bij Neerwinden en Aldenhoven.
Op 4 november 1794 viel Maastricht alsnog, na zware bombardementen door Kléber. Op 27 december staken Franse troepen onder Pichegru de Maas over, op 10 januari 1795 de Waal. Op 15 januari trokken Pruisische en Britse troepen zich terug uit hun posities in de Betuwe en langs de Lek, en vluchtten via Apeldoorn over de grens. De Hessische troepen waren al eerder vertrokken. Op 16 januari capituleerde Utrecht, nadat de Oude Hollandse Waterlinie succesvol was omzeild door de Franse troepen. De prins wilde alleen een nieuwe aanvalspoging doen als de dooi zou invallen, maar in zijn eentje had hij geen schijn van kans. Hij schreef op zondag 18 januari 1795 een afscheidsbrief aan de Staten-Generaal, gaf het bevel over aan Willem Anne de Constant Rebecque en vluchtte diezelfde dag naar Engeland. In Scheveningen lag de pink 'Johanna Hoogenraad' van rederij Michiel den Heijer klaar om hem mee te nemen. Over de Scheveningseweg reden achttien rijtuigen met porselein, schilderijen, zilver, kunstvoorwerpen en kisten met goud naar het strand, om ingescheept te worden in vissersboten. De stadhouder, met twee zwarte bedienden in zijn gevolg, was in ballingschap.
De gevluchte stadhouder nam eerst voor enkele weken zijn intrek in Kew Palace (ook wel Dutch House genoemd). Vrijwel zijn eerste actie was de uitvaardiging van de brieven van Kew (7 februari 1795). Volgens sommigen gebeurde dat op advies van de Britse premier William Pitt. Alle Hollandse koloniale bezittingen werden nu onder Britse bescherming gesteld. Hij beval de bestuurders zich over te geven aan de Britten, waarna Britse militaire bezetting zou volgen. Dit leidde tot grote woede van zijn tegenstanders in de Bataafse Republiek. Nadat Willem V deze brieven had uitgevaardigd namen de Fransen de privébezittingen van Willem in beslag. Zijn collectie dieren, waaronder de twee olifanten Hans en Parkie en enkele giraffen, werd afgevoerd naar Frankrijk.
Politiek noodgedwongen grotendeels inactief, vulde hij met zijn vrouw de dagen van zijn Engelse ballingschap met intensieve deelname aan het culturele leven in Londen, met name bestaande uit concert- en theaterbezoek; zo woonde hij in april 1795 een optreden van Joseph Haydn bij. Tot de meermalen door hen met een bezoek vereerde attracties van de hoofdstad behoorden het (net in 1793 ingerichte) panoramagebouw aan Leicester Square en Somerset House, de zetel van de Royal Academy of Arts, vanwege de jaarlijkse tentoonstellingen. Meermalen bezocht hij de bekende astronoom William Herschel in Slough. Daarnaast ondernam hij een aantal toeristische verkenningstochten over het eiland, waarover hij eveneens uitvoerig in zijn brieven aan zijn dochter Louise in Braunschweig berichtte. Die voerden hem naar onder andere Oxford, Isle of Wight, de marine-emplacementen van Woolwich en Chatham, diverse fabrieken in Birmingham en de beroemde ijzeren brug van Coalbrookdale. Vooral ging zijn belangstelling uit naar middeleeuwse kathedralen, waarvan hij er in totaal zeker vijftien bezocht, waaronder die van Canterbury, Ely, Lincoln, Salisbury en het verre York (de laatste nog kort voor zijn vertrek in oktober 1801)..
Willem V verhuisde later naar Hampton Court Palace. Toen hij samen met zijn zoon, de erfprins, in augustus 1799 een proclamatie uitvaardigde waarin de Nederlanders werden opgewekt steun te geven aan de Engels-Russische landing leidde dit tot grote verontwaardiging in de Bataafse Republiek. De militaire inval mislukte. Na 1801 trok Willem Batavus zich terug op zijn Duitse buitenplaats Oranienstein bij Dietz. In april 1806, tijdens het jaarlijkse bezoek aan zijn dochter Louise, overleed Willem V op 58-jarige leeftijd in Brunswijk en werd daar begraven.
Op zijn achttiende verjaardag kreeg Willem het beheer toegewezen van de particuliere eigendommen van het Huis Oranje-Nassau. Die bestonden met name uit landgoederen en heerlijke rechten (domeinen) en bevonden zich in de Republiek, Luxemburg, de Zuidelijke Nederlanden en Duitsland, waaronder de graafschappen Buren, Vianden en Spiegelberg, de baronie van Breda en Liesveld, het markiezaat van Veere en Vlissingen, paleis Huis ten Bosch en Huis ter Nieuburch. Ook het eiland Ameland behoorde hem toe, evenals de jachtsloten Het Loo, Huis Honselaarsdijk en Soestdijk en landgoed Dieren in Gelderland. Deze bezittingen konden Willem jaarlijks bij goed beleid tot bijna een half miljoen gulden opleveren. Daarnaast ontving hij jaarlijks van de overheidsinstellingen meer dan 400.000 gulden.
In Duitsland was hij vorst van vier Nassause graafschappen en van enkele heerlijkheden die Dillenburg als regeringscentrum hadden en hem jaarlijks een inkomen van 124.000 gulden verstrekten.
Verder genoot Willem inkomsten uit beleggingen, deels bestonden die uit investeringen in overheidsleningen en in aandelen in de Bank of England. Zijn militaire functies leverden hem salaris op. Alles bij elkaar ontving Willem als stadhouder jaarlijks meer dan een miljoen gulden aan inkomsten. Willem was in de Republiek als stadhouder traditiegetrouw vrijgesteld van het betalen van belastingen, behalve voor zijn onroerende goederen. Daar stond tegenover dat hij van zijn ouders schulden had geërfd en sowieso niet in staat bleek om een balans te vinden tussen zijn inkomsten en uitgaven.
Zijn hofhouding bestond in de tijd dat hij in de Republiek vertoefde uit bijna 250 personeelsleden en een bijbehorend bestuur van enkele tientallen hofdignitarissen. Aan zijn persoonlijke uitgaven besteedde de prins van Oranje jaarlijks meestal rond de 150.000 gulden en soms minder dan 100.000 gulden. Onder deze uitgaven bevonden zich de pensioengelden voor zijn voormalig hofpersoneel en geld dat hij schonk aan politieke bondgenoten, instellingen van weldadigheid, kerken en toneelgezelschappen.
De hofcommissie besteedde jaarlijks zo'n 150.000 gulden aan personele uitgaven, meer nog aan eten en drinken. Ook ging er geld op aan feesten en ontvangsten en aan de hofkapel. Al met al gaf hij als stadhouder veel meer uit dan er binnenkwam. De tekorten vulde hij aan met geldleningen, die duurder werden toen de Republiek wegens de Franse dreiging meer geld op militair gebied begon uit te geven. Een ander gevolg daarvan was dat geldschieters zich begonnen terug te trekken. Uiteindelijk werd op alle posten bezuinigd, maar toen de Fransen aanvang 1795 een militaire overwinning niet meer kon ontgaan, was Willem in zijn zoektocht naar contant geld gedwongen om een zilveren servies te laten omsmelten. Toen hij in januari 1795 naar Engeland vluchtte nam hij 'slechts' zo'n 85.000 gulden in contanten mee.
Frankrijk confisqueerde Willems bezittingen in de Republiek, de Zuidelijke Nederlanden en Luxemburg. Op zijn in beslag genomen domeinen rustten hoge schulden en werden om die reden in 1796 door de Fransen geschonken aan de Bataafse Republiek. De inkomsten uit de Nassause graafschappen daalden door de aanhoudende Napoleontische oorlogsvoering tot onder de 100.000 gulden per jaar. Willem zag zich door het ophouden van zijn vorstelijke levensstijl opnieuw genoodzaakt om zich te ontdoen van roerende goederen, zoals het porseleinen Meissen servies met topografische afbeeldingen, een geschenk van de VOC. Willem schatte zijn verlies aan roerende goederen door de Franse inbeslagname op drie miljoen gulden. In totaal werden zijn verliezen in 1800 berekend op vijftien miljoen gulden.
In december 1801 schreef Willem V de brieven van Oranienstein, waarin hij de Bataafse Republiek als wettig erkende. Hiermee deed hij afstand van al zijn rechten als erfstadhouder en voldeed hij aan de door Napoleon Bonaparte gestelde voorwaarden voor het verkrijgen van een schadeloosstelling, in 1797 vastgelegd bij de Vrede van Campo Formio. De compensatie bestond uit de soevereiniteit over het prinsbisdom Fulda, de abdijen van Corvey, Weingarten, St. Gerold en Dietkirchen, rijksstad Dortmund en die van de proosdij Bandern in het vorstendom Liechtenstein. Willem droeg die over aan zijn oudste zoon.
Met de Bataafse Republiek werd apart overeengekomen dat die hem met een bedrag van vijf miljoen gulden schadeloos zou stellen voor alle financiële verliezen in de voormalige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Napoleon Bonaparte ging echter niet met die laatste regeling akkoord.
Het Engelse parlement gaf Willem op voorspraak van George III vanaf 1803 een jaargeld van 16.000 Engelse pond met de verplichting om daarvan de pensioengelden van zes van zijn medestanders te betalen, waardoor hij voor zichzelf 14.350 Engelse pond overhield. Tegelijkertijd besloot het parlement om zijn vrouw een bedrag van 60.000 Engelse pond ineens te schenken. Bernard Woelderink, oud-hoofdarchivaris van het huisarchief van de Oranjes en schrijver van een boek over de geschiedenis van de thesaurie van het Huis van Oranje, sluit niet uit dat niet Willem maar Wilhelmina het bedrag kreeg, omdat de parlementsleden van mening waren dat Willem niet goed met geld kon omgaan.
In 1958 werd het gebalsemde stoffelijke overschot van Willem vanuit Brunswijk overgebracht naar Nederland en op 29 april bijgezet in de grafkelder van de Oranjes in de Nieuwe Kerk in Delft. Zijn achterachterkleinkind prinses Wilhelmina weigerde hierbij aanwezig te zijn. Naar verluidt zou de voormalige koningin hebben gezegd niet achter de baar van "een sufferd" te willen lopen.
Uit het huwelijk van Willem V en Wilhelmina werden vijf kinderen geboren:
naamloze zoon (23 maart 1769 - 24 maart 1769)
Louise (28 november 1770 – 15 oktober 1819), gehuwd met Karel van Brunswijk-Wolfenbüttel
naamloze zoon (geboren en overleden op 6 augustus 1771)
Willem (24 augustus 1772 – 12 december 1843), koning der Nederlanden
Frederik (15 februari 1774 – 6 januari 1799)



Reacties
Een reactie posten