generatie 30 maal oud-oud-grootouders, Robert van Normandië I, Robert van Bourgondië, Koning Hendrik van Saksen, Hertog Ebalus van Aquitanië, Bosso van Arles III, Graaf Karel van Vienne, Erik van Zweden VI, Adela van Hamaland, Frederik van Lotharingen I, Graaf koenraad van Zwaben I en Graaf Raymond van Toulouse
Robert van Normandië I, een afstammeling van de Vikingen, een belangrijke voorvader van ons, die zich vestigde in Normandië, met vele verbindingen via nakomelingen naar de familie Canteleu.
ROBERT VAN NORMANDIË I (Koos' Edelstamoudbetovergrootvader) werd geboren op 1 januari 862, in Fauske, Nordland NOorwegen, als kind van Ragnvald Eysteinsson en Hiltrude DE MÜRE, zoals getoond in stamboom 1388. Robert werd „Rollon” genoemd. Robert werd Chef viking ; Hij werd 1er graaf van Normandie. Hij werd gedoopt in 912. Robert is gestorven in 933, ongeveer 71 jaar oud, in Rouen, Seine Maritime, Normandy, France.
Robert huwde 2 maal. Hij huwde met Poppa de Bayeux11019 en Gisela (zijn indirecte relatie).
Normandië dankt zijn oorsprong en zijn naam aan de Vikingen. In het jaar 911 schenkt de koning van de Franken Karel de Eenvoudige Rollo een gebied aan beide zijden van de Seine. Deze Vikingleider, die de zeeën bereisde en het koninkrijk plunderde, werd de eerste meester van Normandië.
De inval van Rollo op het historische toneel en de oprichting van Normandië worden geplaatst in de context van de invasies van de Vikingen. Sinds het bewind van Karel de Grote, dat wil zeggen sinds het einde van de 8e eeuw, wordt Karolingisch Europa aangevallen door de Vikingen. Deze Scandinavische volkeren, ook wel Noormannen genoemd (met andere woorden de "Mannen van het Noorden") zijn vooral geïnteresseerd in het plunderen van de rijkdommen van abdijen en steden, althans aanvankelijk. Viking-invallen namen toe vanaf de jaren 840 en troffen het toekomstige Normandië. De rijke regio is een verleidelijke prooi, des te meer omdat het een maritieme façade heeft en een bevoorrechte penetratie-as voor boten: de Seine. Ondanks het instellen van defensieve maatregelen bleken de afstammelingen van Karel de Grote, de Karolingische koningen, niet in staat de pest te stoppen. Beetje bij beetje kregen groepen Noormannen een voorkeur voor een duurzame nederzetting in de geplunderde gebieden. Gewapend met hun boten (ten onrechte drakkars genoemd), waren de Vikingen in de 9e eeuw meesters van de zee. In het jaar 911 probeerde de Karolingische koning Karel de Eenvoudige deze terugkerende dreiging te verhelpen. Hij biedt een compromis aan aan een Viking-leider genaamd Rollo. De onderhandelingen leiden tot het beroemde Verdrag van Saint-Clair-sur-Epte, dat de geboorte van Normandië markeert. Wat zijn de "voorwaarden"?– We hebben de tekst van het verdrag niet. Bestond er een tekst? Maar sommige latere geschriften werpen licht op de voorwaarden van de overeenkomst. De koning van de Franken, Karel de Eenvoudige, vertrouwt Rollo een gebied aan beide zijden van de Seine toe. Deze concessie vormt het embryo van Normandië. In ruil daarvoor komen Rollo en zijn mede-Vikingen overeen zich te bekeren tot het christendom en af te zien van het koninkrijk te plunderen. Rollo is de leider van de Vikingen van de Seine. Zijn begin is moeilijk te traceren omdat de verhalen die hem presenteren grotendeels na zijn dood zijn en de neiging hebben om op zijn leven te borduren. Denk in het bijzonder aan Dudon de Saint-Quentin's De moribus et actis primorum Normanniae ducum (Over de gebruiken en daden van de eerste hertogen van Normandië) en aan Noordse sagen zoals Heimskringla (Saga van de koningen van Noorwegen). Historici debatteren nog steeds of hij van Deense, Noorse of zelfs Orcadische afkomst was. De kwestie is nog steeds niet opgelost. Net als de mythische Ragnar Lodbrok, reist Rollo de zeeën af op zoek naar land en locaties om te plunderen. Zijn route is onzeker. Volgens Dudon de Saint-Quentin stelde hij zich in dienst van een koning in Engeland en leidde hij vervolgens razzia's in Friesland; volgens Scandinavische bronnen zou hij, verbannen uit Noorwegen, Schotland of de Hebriden hebben bereikt. Wat zeker is, is dat Rollo zich uiteindelijk in Frankrijk vestigde, in de Seine-vallei. Wanneer ? Weer onzekerheid. De geestelijke Dudon de Saint-Quentin plaatst de komst van Rollo in 876, maar veel historici vinden deze datum te vroeg. De Britse historicus David Douglas en meer recentelijk Jacques Le Maho beschouwen de vroege jaren 900 waarschijnlijker.
Volgens de bronnen heet hij Rolf, Göngu-Hròlfr, Rou of zelfs Robert...– Robert is de doopnaam die hij krijgt na zijn bekering tot het christendom. De andere denominaties zijn ook exact. Ze weerspiegelen eenvoudig de verscheidenheid aan gebruikte talen. Dudon de Saint-Quentin, die zoals alle geestelijken in het Latijn schrijft, spreekt van Rollo. Scandinaviërs schrijven Rolf (of Hròlfr). De bijnaam "Göngu" komt van de Heimskringla. Het vertaalt naar "de wandelaar". De Heimskringla legt uit dat Rolf zo groot was dat geen paard hem kon dragen. Hij bewoog zich daarom door te lopen. Het is echter verrassend dat Dudon de Saint-Quentin het niet gepast achtte om deze bijnaam te gebruiken. Vandaar twijfel over de juistheid van de anekdote. Volgens de professor van de Scandinavische beschaving Régis Boyer betekent "Göngu" eerder "de zwerver" en herinnert het aan de peregrinat.
Rollo de Noorman, oftewel Rollo Rognvaldsson (geboren ca. 860 – overleden ca. 930), later gedoopt als Robert, was een Viking-krijgsheer. Rollo zou een zoon zijn van Rognvald Eysteinsson en Ragnhilda. Na de dood van zijn vader moest hij vluchten uit Noorwegen. Hij is eerst naar familie op de Orkney-eilanden getrokken, en daarna naar familie op de Hebriden. In deze tijd is hij met een onbekende Keltische vrouw getrouwd. Uiteindelijk vestigde hij zich in Deens Engeland. Van daaruit gaf hij leiding aan een gezamenlijk Deens-Noors-Engelse plundertocht in Groter-Friesland en langs de benedenloop van de Rijn. In 885 was hij een van de aanvoerders van de Vikingen tijdens het beleg van Parijs. Nadat het beleg was opgeheven leidde hij een plundertocht door Bourgondië. In 896 doodde hij graaf Berengar van Bayeux (markgraaf van Neustrië), die eerdere Vikingaanvallen had afgeslagen, en nam zijn dochter Poppa tot vrouw. In 911 werd Rollo tijdens een nieuwe rooftocht verslagen bij Chartres. Koning Karel de Eenvoudige besloot echter zaken met Rollo te doen en gaf hem met het Verdrag van Saint-Clair-sur-Epte het gebied rond de Seine-monding in leen, met Rouen als hoofdstad. Rollo nam daarmee de verplichting op zich om de rivier (en dus de stad Parijs) te verdedigen tegen andere Vikingen. Rollo liet zich dopen, scheidde van Poppa en trouwde met Gisela – een dochter van Karel. Volgens de overlevering was er een groot protocollair probleem: om leenman te worden moest Rollo knielen voor de koning en zijn voet kussen maar hij weigerde dat te doen. Bij wijze van compromis zou een van zijn ondergeschikten dat doen, maar die wilde ook niet knielen maar bukte, pakte de voet van de koning en tilde die zover op dat de koning zijn evenwicht verloor en achterover viel. Rollo trouwde in 919 weer met Poppa nadat Gisela was overleden. Rollo was driemaal gehuwd. Uit zijn eerste huwelijk met een onbekende Keltische vrouw kreeg hij:
mogelijk Kadline, die met een Schotse koning zou zijn getrouwd
mogelijk Niederga
Ongeveer 886 trouwde hij Poppa. Geboren rond 870, overleden na 919), dochter van Berengar van Bayeux. Rollo scheidde van haar in 912 maar ze hertrouwden in 919. Zij kregen de volgende kinderen:
Willem I van Normandië ± 907 – 942
Gerloc 917 – > 969
Het huwelijk met Gisela, buitenechtelijke dochter van Karel de Eenvoudige, bleef kinderloos.
POPPA DE BAYEUX (Koos' Edelstamoudbetovergrootmoeder) werd geboren in 870 als kind van Berengar de Bayeux II, zoals getoond binnen stamboom 1245. Zij is gestorven op 11 augustus 938, ongeveer 68 jaar oud, in Caen, France. Zij werd begraven in Rouen, Departement de la Seine-Maritime, Haute-Normandie, France.
Poppa van Bayeux (in de bronnen als Popa geschreven) was de echtgenote of frilla (more danico) van de Noormannen-jarl Rollo (ca. 846 - 931.
zij hadden minstens twee kinderen:
Willem Langzwaard (900/905 - vermoord op 17 december 942), graaf van Rouen
Gerloc, die na haar doop Adele heette (gestorven na 969)
Poppa's herkomst is niet met zekerheid geweten, daar er drie overleveringen voorhanden zijn, van dewelke reeds in de 11e eeuw was geweten, dat ze elkaar tegenspraken: De het dichtst bij de gebeurtenissen aansluitende getuigenis over Poppa (respectievelijk de hier naamloze moeder van Willem Langzwaard) stamt uit de 10e eeuw en is een klaaglied over de dood van Willem, die volgens deze bron aan de andere kant van de zee
("transmarinus") als kind van een (toen noch) heidense vader en een christelijke moeder werd geboren. De historicus Jean Renaud verdedigt op basis van deze vermelding, dat Poppa een concubine van Rollo was, die als schaapherderin van de Hebriden kwam. Volgens de Chronico Rotomagensi en de Annales Rotomagensi (11e eeuw) was Poppa dan weer de dochter van graaf Guido (Gui, Wido) van Senlis en zus van graaf Bernard van Senlis, die Rollo na de dood van zijn echtgenote Gisla in 913 huwde en wiens beider zoon Willem Langzwaard is. In deze overlevering duikt Bayeux als plaats van herkomst van Poppa niet op.Deze vindt men enkel in de derde overlevering terug. Dudo van Saint-Quentin, de eerste kroniekschrijver van Normandië, bericht in zijn in de periode 1015–1026 geschreven De moribus et actis primorum Normanniae ducum, dat Rollo met Poppa, de dochter van graaf Berengar, was getrouwd en dat Willem hun zoon was, maar vermeldt ook, dat Bernard van Senlis de broer van de moeder van Willem Langzwaard zou zijn geweest,[7] een combinatie, die niet mogelijk is, daar Bernard van Senlis niet de zoon van Berengar was. Dudo van Saint-Quentin kreeg deze informatie grotendeels - zoals hij zelf schrijft - als mondeling bericht van Raoul d’Ivry, graaf van Bayeux en door zijn moeder Sprota een halfbroer van Rollo's oom Richard I. De berichten van Dudo staan niet geheel foutloos bekend, waardoor ze door enkele onderzoekers over het algemeen als weinig betrouwbaar worden gezien en tot en met Rollo's woonachtig-zijn in Normandië, al zeker tot het jaar 911, als fantasieproducten afgedaan, waartoe ook de geschiedenis van Poppa "van Bayeux" uit de jaren 880 behoort.[10] De latere kroniekschrijvers Willem van Jumièges (- na 1070), Ordericus Vitalis (- 1142) en Wace (- na 1174) baseerden zich op Dudo, maar weken in de details ten dele aanvullend af. Volgens Willem van Jumièges (Gesta Normannorum Ducum) was Poppa de dochter van een edele genaamd Berengar en werd ze door Rollo bij de verovering van Bayeux ontvoerd, die zich daarna met haar "volgens de zeden van de Denen" ("more danico") met haar verbond, waarbij hij als nakomelingen uit deze verbintenis buiten Willem ook een dochter genaamd Gerloc vermeldt. Ordericus Vitalis vermeldt dat Rollo Bayeux had veroverd, graaf Berengar van Bayeux gedood en diens echtgenote en dochter Poppa had ontvoerd. Elders dateert hij de verovering van Bayeux in 886 en vermeldt dat Rollo met Poppa was getrouwd. De tegenspraken in de drie overleveringen waren reeds in de 11e eeuw opgevallen. Willem van Jumièges berichtte (bij het vermelden van de roof van Poppa in 886 en het bericht over Rollo's weduwenaarschap en huwelijk met Poppa in 913), dat Rollo Poppa heeft verstoten, maar later opnieuw met haar is getrouwd. Robert van Torigni combineert de informatie, eraan voorbijgaand dat Poppa dan de dochter van Berengar van Bayeux en kleindochter van Guido van Senlis zou zijn geweest. Ook in het huidige onderzoek vindt men talrijke pogingen, vat te krijgen op de tegenstrijdigheden door interpretatie van de gegevens, zoals: Bernhard van Senlis zou niet de broer, maar de zwager van Berengar zijn geweest, d.i. de echtgenoot van een tante langs moederskant van Willem – hetgeen het begrip "avunculus" zou uitbreiden naar een aangetrouwde oom. Dudo van Saint-Quentin heeft Poppa met Sprota, de concubine van Willem omgewisseld, die in werkelijkheid uit Bretagne afkomstig is. Berengars weduwe trouwde met graaf Guido van Senlis, waardoor Poppa zijn stiefdochter werd. Bernard van Senlis was hierdoor als halfbroer van de moeder de "halfoom" van moederskant van Willem. Dudo's informatie (en die van zijn navolger) zou zijn af te wijzen, terwijl het klaagleid en de kronieken uit Rouen daartegen de daadwerkelijke feiten zouden weergeven: Rollo zou rond 905 vader van Willem zijn geworden, waarvan de moeder mogelijk Popa heette, dochter van graaf Guido van Senlis en zus van graaf Bernard van Senlis (waarmee het bestaan van een eerdere echtgenote genaamd Gisla eveneens wordt afgewezen).
Robert van Normandië I huwde Poppa de Bayeux. Zij kregen drie kinderen:
William De Normandie I in 893
Adele van Normandie in 897
Alliette van Normandie in 908
Zie stambomen bovenaan de post.
ROBERT VAN BOURGONDIË I (Koos' Edelstamoudbetovergrootvader) werd geboren op 15 augustus 866, in Angers, Anjou, Neustrie, France, als kind van Robert van Frankrijk en Adelheid van Tours, zoals getoond in stamboom 1393. Robert werd „van Frankrijk” genoemd. Tussen 888 en 923, in de leeftijd van ongeveer 21 jaar, werd hij Graaf van Tours. Tussen 922 en 923, in de leeftijd van ongeveer 55 jaar, werd hij Koning van Frankrijk. Hij is gestorven op 15 juni 923, 56 jaar oud, in Soissons Frankrijk. Robert werd begraven in Basilique Saint-Martin de Tours, Quartier de Châteauneuf, Tours, Département Indre-et-Loire, Région Centre, France.
Robert I van Bourgondië, ook van Parijs of van Frankrijk (15 augustus 866 - Soissons, 15 juni 923) was koning van West-Francië van 922 tot zijn dood. Robert was de jongste zoon van hertog Robert de Sterke en een broer van Odo I van Frankrijk, die zijn vader opvolgde als hertog. In 885 vocht Robert met zijn broer Odo tijdens de verdediging van Parijs tegen de Vikingen. Toen Odo in 888 tot koning van West-Francië werd gekozen, droeg hij al zijn andere titels over aan Robert. Robert werd daardoor hertog van Francië, markgraaf van Neustrië, graaf van onder andere Parijs, Tours en Orléans, en lekenabt van onder andere Saint-Denis, Marmoutier en Saint-Martin in Tours, Saint-Germain-des-Pres in Parijs, Notre-Dame de Morienval en Saint-Amand. In 893 benoemde Odo hem ook tot graaf van Poitiers maar hij werd door de lokale adel verdreven. Na de dood van Odo in 898 had Robert een kans om zelf koning te worden maar zag ervan af en steunde het koningschap van Karel de Eenvoudige. In ruil bevestigde Karel Robert in al zijn functies en bezittingen. De vrede tussen Karel en Robert bleef duren tot in 921. In die periode versloeg Robert in 911 de Vikingen onder Rollo bij Chartres. Karel begon onderhandelingen met Rollo en toen Rollo zich daarop liet dopen, was Robert zijn peetoom en liet Rollo zich als Robert dopen. In 914 verzekerde Robert de opvolging door zijn zoon Hugo. Karel was inmiddels ook koning van Lotharingen geworden. De Lotharingse graaf Hagano kreeg een sterke positie aan het hof van Karel en werd boven alle andere edelen begunstigd. Dit leidde tot steeds grotere weerstand onder de andere edelen en de bisschoppen. Toen Karel de Abdij van Chelles, waar de moeder van Hugo's eerste vrouw abdis was, confisqueerde om aan Hagano te schenken, kon Robert dat niet tolereren. Met de hulp van de belangrijkste edelen voerde Robert een staatsgreep uit: Robert werd op 22 juni te Reims tot koning gekozen en op 30 juni 922 daar tot koning gekroond. Na enkele korte gevechten rondom Reims en Laon, wist Robert de koninklijke schat in Laon in handen te krijgen en moest Karel vluchten. Hendrik de Vogelaar erkende Robert als koning van West-Francië en Lotharingen. Karel verzamelde echter een leger in Lotharingen en trok op tegen Robert. In 923 wist Robert tijdens de Slag bij Soissons Karel te verslaan. Robert kwam hier zelf echter bij om het leven - volgens de overlevering werd hij door Karel zelf gedood. Karel werd gevangengenomen en Robert werd opgevolgd door zijn schoonzoon Rudolf I van Frankrijk. Karel zou tot zijn dood (928) een pion blijven in de machtsstrijd tussen de grote edelen. Robert is ca. 895 gehuwd met Beatrix van Vermandois. Omdat een dochter van Robert met de broer van Beatrix zou trouwen, moet die dochter geboren zijn uit een eerder huwelijk met een onbekende vrouw, die volgens sommige bronnen misschien Adelheid zou heten. Uit zijn eerste huwelijk was Robert vader van:
Adelheid (ca. 890-943), gehuwd met Herbert II van Vermandois
Uit zijn tweede huwelijk was Robert vader van:
Hugo de Grote, de vader van Hugo Capet
Emma, in 921 gehuwd met Rudolf van Bourgondië. graaf van Parijs, koning van West-Francië (vanaf 922 ).
Zie stambomen bovenaan de post.
KONING HENDRIK VAN SAKSEN (Koos' Edelstamoudbetovergrootvader) werd geboren op 7 juli 876, in Pfalz Memleben, Ostfranken, Ostfrankenreich, als kind van Otto van Saksen I en Hedwig van Babenberg, zoals getoond in stamboom 1374. Hendrik werd „de vogelaar” genoemd. Van 912 tot 936 werd hij hertog van Saksen. Van 919 tot 936, in de leeftijd van ongeveer 42 jaar, werd hij koning van Duitsland. Hij is gestorven op 2 juli 936, 59 jaar oud, in Memleben, Herrschaft Ostfalen (Present Bugenlandkreis), Herzogtum Sachsen (Present Sachsen-Anhalt), Ostenfrankenreich (Present Deutschland). Hendrik werd begraven van 2 juli 936 in Collegiale Sint-Servaaskerk, Quedlinburg, Duitsland.
• Hendrik I de Vogelaar (Duits: Heinrich der Vogler/der Finkler, Latijn: Henricius Auceps) (rond 876 - Memleben, 2 juli 936) was vanaf 912 hertog van Saksen en vanaf 919 tot aan zijn dood koning van Duitsland. Hij was de grondlegger van de Ottoonse dynastie van Saksische koningen en keizers. Hij wordt algemeen gezien als de stichter en de eerste koning van de middeleeuwse Duitse staat, die voordien bekendstond als het Oost-Frankische Rijk. Als fervent jager verkreeg hij de bijnaam "de Vogelaar", naar men zegt omdat hij net zijn vogelnetten aan het repareren was toen hij de boodschap ontving dat hij tot koning was gekozen.
Tegen het einde van het jaar 935 kreeg Hendrik tijdens een jachtpartij in de Harz vermoedelijk een beroerte. Hij herstelde echter nog zozeer dat hij een rijksdag kon beleggen. In de vroege zomer van 936 vond er in Erfurt overleg plaats over de toestand van het Rijk (de statu regni). Hendrik raadde de rijksgroten dringend aan om Otto als zijn opvolger te kiezen. Na deze aanbeveling van Otto als zijn opvolger bedacht Hendrik zijn overige zoons met land en kostbaarheden (praedia cum thesauris). Vanuit Erfurt begaf Hendrik zich naar Memleben. Daar kreeg hij op 2 juli 936 een nieuwe beroerte, waaraan hij overleed.
Zie stambomen bovenaan de post
HERTOG EBALUS VAN AQUITANIË (Koos' Edelstamoudbetovergrootvader) werd geboren in 873 als kind van Ranulf van Aquitanië II, zoals getoond in stamboom 1396. Hij is gestorven in 935, ongeveer 62 jaar oud.
Ebalus huwde 2 maal. Hij huwde met Aremburgis en Emiliana.
Ebalus van Aquitanië. Bijgenaamd Manzer. Geboren circa 873, overleden circa 935. Hij was hertog vanAquitanië. Ebalus werd in 890 graaf van Poitiers en hertog van Aquitanië als opvolger van zijn vader Ranulf II van Poitiers, maar raakte in 892 zijn bezittingen kwijt aan Aymar van Angoulême die hem verdreef met hulp van Odo I van Frankrijk. Hij vond in 893 zijn toevlucht bij Geraldus van Aurillac en verbond zich daarna met Willem de Vrome van Auvergne, die in die periode de feitelijke heerschappij over Aquitanië verwierf. In 902 veroverde Ebalus de Poitou met een leger van Willem, en werd als graaf erkend door Karel de Eenvoudige met wie hij als kind was opgegroeid. Hij reorganiseerde het bestuur en gaf functies als lekenabt en burggraaf aan vertrouwde vazallen. In 904 veroverde hij ook de Limousin en in 911 was Ebalus een van de aanvoerders bij de overwinning op de Vikingen bij Chartres. Toen in 927 de zoons van Willem de Vrome kinderloos overleden benoemde de laatste Ebalus tot erfgenaam. Na diens overlijden werd hij hertog van Aquitanië, graaf van Berry, de Auvergne en Velay, en lekenabt van Saint-Hilaire. Koning Rudolf I van Frankrijk ontnam Ebalus in 929 de heerschappij over Berry. In 932 gaf Rudolf bovendien de titels van Aquitanië en Auvergne aan de graaf van Toulouse, en maakte van de Marche (tussen de Limousin en Poitou) een onafhankelijk graafschap. Ebalus deed in 934 een schenking aan de abdij van Saint Cyprien. Ebalus was een onechte zoon van Ranulf II van Poitiers. Ebalus was in 891 (in oktober 890 waren ze verloofd) gehuwd met Aremburgis en voor februari 911 met Emiliana (-ca. 934).
Ebalus en Aremburgis waren ouders van: Willem III ± 910 – 963 Hertog van Aquitanië
Ebalus …. – 977 Bisschop van Limoges. Abt van Saint Maxent en Saint Hilaire, 944 bisschop van Limoges, trad in 963 terug en werd abt van Saint-Michel-en-l’Herm. Hij werd gevangen genomen en zijn ogen werden uitgestoken door graaf Eli I van Périgord.
BOSSO VAN ARLES III (Koos' Edelstamoudbetovergrootvader) werd geboren in 885. Hij is gestorven in 936, ongeveer 51 jaar oud, was achtereenvolgens markgraaf van Arles en Toscane. Boso werd in 911 graaf van Avignon en Vaisin. In 907 probeerde hij samen met zijn broer Hugo om Italië te veroveren maar deze expeditie mislukte en de broers moesten van koning Berengar terugkeren en zweren nooit meer terug te komen. In 926 lukte het Hugo om alsnog koning van Italië te worden, ten koste van Rudolf II van Bourgondië. Boso nam toen de functie van markgraaf van Arles van Hugo over. Zijn halfbroer Lambert was door Hugo tot markgraaf van Toscane benoemd maar in 931 verdacht Hugo Lambert van een poging tot een staatsgreep en liet Lambert de ogen uitsteken. Boso volgde Lambert op als markgraaf van Toscane. In 936 kwam Boso in opstand tegen de paranoïde Hugo, aangezet door zijn vrouw Willa (zuster van Rudolf). De opstand mislukte, Boso verstootte zijn vrouw en zond haar terug naar Bourgondië en werd zelf afgezet en vermoord. Boso was zoon van Theobald van Arles en van Bertha van Lotharingen. Hij was gehuwd met Willa, dochter van Rudolf I van Bourgondië (ca. 865 –voor 924) – die hertrouwde met Boso’s broer Hugo, en werd de vader van:
Bertha (ca. 910 – na 965), gehuwd (ca.928) met Boso I van Provence, zoon van Richard I van Bourgondië, en in haar tweede huwelijk (ca. 936) met Raymond II van Rouergue. Bekend van schenkingen aan de Notre Dame te Nîmes.
Willa (912-970), gehuwd met koning Berengarius II van Italië,
Richildis
Gisela.
Rotbald van Provence I in 880
GRAAF KAREL VAN VIENNE (Koos' Edelstamoudbetovergrootvader) werd geboren in 910 als kind van Lodewijk van Provence en Adelheid, zoals getoond in stamboom 1398. Hij is gestorven in 962, ongeveer 52 jaar oud.
Karel (Constantijn) van Vienne (vóór 910 – 962) was de enige zoon van koning Lodewijk de Blinde van Provence en Adelheid, een nicht van Rudolf I van Bourgondië, maar was niet in staat om zijn vader op te volgen. Karel werd in 926 graaf van Vienne, als opvolger van zijn oom Hugo van Arles die koning van Italië werd. In 928 moest hij dat graafschap echter alweer opgeven ten gunste van Herbert II van Vermandois. Toen zijn vader in 929 overleed, riep Hugo (die de werkelijke macht in het koninkrijk Provence had) zichzelf tot koning uit. Hoewel Karel geen functies meer had, bleef hij in Vienne wonen en de grafelijke titel voeren. In 943 zwoer hij trouw aan koning Koenraad van Bourgondië. Karel was getrouwd met Theutberga van Troyes (geb. ca. 900), dochter van Werner van Sens (ca. 875 – 6 december 924) en Theutberga van Arles (ca. 885 – voor september 948). Werner was burggraaf van Sens en graaf van Troyes en sneuvelde in gevechten tegen “heidenen”. Theutberga was een dochter van Theobald van Arles en Bertha van Lotharingen (863 – 8 maart 925), buitenechtelijke dochter van Lotharius II bij Waldrada. Karel en Theutberga kregen de volgende kinderen:
Richard
Hubert, mogelijk dezelfde als graaf Humbert van Belley
Constantia, gehuwd met Bosso II van Arles.
ERIK VAN ZWEDEN VI (Koos' Edelstamoudbetovergrootvader). Hij leeft niet meer. Erik huwde zijn indirecte relatie, Sigrid van Polen. Zij kregen een zoon:
Olaf van Zweden II in 970
Erik VI "de Overwinnaar" van Zweden ook genaamd Erik Segersäll (de Overwinnaar) was Koning van Zweden (970-995). Hij werd geboren rond 950 en overleed in het jaar 995, ongeveer 45 jaar oud.
Erik VI van Zweden zou in circa 992-993 ook nog koning van Denemarken zijn geweest. Door de vele oude chronisten wordt hij als een koning beschouwd omdat hij als eerste regeerde over de gebieden Svealand, Ostergötland en Västergötland, en zo het Middeleeuwse Zweden onder zich verenigde (In de huidig tijd wordt deze verdienste echter aan zijn zoon Olof Skötkonung toegerekend).
Volgens de bronnen die voorhanden zijn (de IJslandse sagen en de Kronieken van Adam van Bremen) regeerde Erik (VI) bij aanvang van zijn koningschap samen met zijn broer Olof (I) Björnsson. Wanneer Olof, die wellicht alleen een zuid Zweeds stamhoofd was, in 975 sterft wordt Erik alleenheerser. Ook volgens de IJslandse sagen wilde de zoon van Olof I, Styrbjörn de Sterke, de positie van zijn vader overnemen en erkende hij het recht van Erik op de troon niet. Styrbjörn toog naar het zuiden en verenigde zich met de Jomsvikingen en de Denen. De Jomsvikingen vormden een broederschap van huurlingen die leefden in Jomsburg aan de zuidkust van de Oostzee. Vermoedelijk is Jomsburg gelijk aan Vineta, een handelsstad van de Slaven en Vikingen die alleen uit bronnen bekend is. De stad zou door de zee zijn verzwolgen en lag vermoedelijk op het eiland Wolin bij de monding van de Oder. De Jomsvikingen werden beschouwd als de sterkste en dapperste strijders onder de Vikingen. Met deze versterking begaf Styrbjörn zich naar Uppland om Erik af te zetten. Omstreeks 985 troffen de beide heersers elkaar op een vlakte zuidelijk van Oud Uppsala. In de slag die volgde viel Styrbjörn en won Erik, waarna hij vervolgens de bijnaam "De Overwinnaar" gekregen zou hebben. In Zweden zijn een aantal runestenen gevonden ter nagedachtenis van de strijders die "niet zijn gevlucht" bij Uppsala.
Erik zou ook een overwinningstocht naar Denemarken hebben gemaakt, als wraak op de Deense ondersteuning van Styrbjörn. Sommige bronnen noemen het jaar 992 en andere een jaar eerder. Erik zou daarbij Koning Sven Gaffelbaard verdreven hebben en er ongeveer een jaar hebben geregeerd. Een ziekte zou hem echter hebben gedwongen om naar Oud Uppsala terug te keren. Hij stierf waarschijnlijk in 995 in zijn koningshof en werd vermoedelijk op de zuidwestelijke begraafplaats van Oud Uppsala begraven. Zijn minderjarige zoon Olaf zou hem als koning opvolgen. Erik had ook een dochter, Holmfrid Eriksdotter, die trouwde met de Noorse edelman Sven Haakonson (Bron Wikipedia).
Erik zou óf zijn getrouwd met Sigrid Storrada ("de Hoogmoedige"), dochter van de Vikinghoofdman Skoglar Toste uit Västergötland, óf met Swietoslawa van Polen (ook bekend als Gunhild), dochter van grootvorst Miesko I van Polen. Sommige historici vermoeden echter dat het één en dezelfde persoon betreft. De IJslandse sagen en de Deense "Saxo Grammaticus" geven Sigrid Storrada aan. Adam van Bremen noteerde echter dat het een onbekende Slavische prinses betrof, die in een later deel van zijn boekwerken Gunhild wordt genoemd. Lang probeerden historici de verslagen van Sigrid van Storrada als verzonnen te beschouwen en ze meenden dat de namen Sigrid of Gunhild vervoegingen waren van de Poolse naam Swietoslawa. Tegenwoordig is het inzicht dat Adam van Bremens versie een misverstand is en bijgevolg Sigrid Storrada als waarschijnlijker geldt.
ADELA VAN HAMALAND (Koos' Edelstamoudbetovergrootmoeder) werd geboren in 950 als kind van Wichman van Hamaland IV en Liutgard van Vlaanderen, zoals getoond in stamboom 1404. Zij is gestorven in 1025, ongeveer 75 jaar oud.
Adela van Hamaland (door sommigen ook wel Adela van Renkum genoemd) (ca. 950 - Keulen, ca. 1025?) was de oudste dochter van graaf Wichman IV van Hamaland en Liutgard van Vlaanderen. Zij verzette zich langdurig en met succes tegen de mate waarin haar vader het Stift Elten met zijn erfgoed had bedacht. Adela en haar eerste echtgenoot Immed waren de ouders van onder anderen bisschop Meinwerk van Paderborn (1009-1016), Glismod en Emma van Lesum. In oktober 1016 had zij de hand in de geruchtmakende moord op de Saksische edelman graaf Wichman van Vreden. Adela's moeder was Liutgard, dochter van Arnulf I, graaf van Vlaanderen (regeerde 918-964). Diens moeder Ælfthryth was een dochter van de Engelse koning Alfred de Grote van Wessex. Arnulfs grootvader Boudewijn I had in 862 Judith van West-Francië, de dochter van koning Karel de Kale geschaakt en gehuwd. Via haar moeder stamde Adela dus af van Karel de Grote én Alfred de Grote. Uit het eerste huwelijk met Immed († vóór december 996) werden de volgende kinderen geboren:
Diederik van Hamaland
Meinwerk, bisschop van Paderborn (1009-1036),
geboren vóór 979 Azela, kanonikes te EltenGlismod, echtgenote van Adalbert van Oostenrijk
Emma, gehuwd met de Billunger graaf Liudger (†1011) en bekend als weldoenster van de kerk te Bremen.
Diederik, de enige wereldlijke zoon waarvan we weten, moet haast wel gehuwd zijn geweest met een dochter van graaf Unruoch van Teisterbant en zo dat graafschap hebben verworven. Diederik is overleden op 7 april van 1017 of 1018. Hij liet enkel dochters na. Eén daarvan, Bava, huwde met Gerard Flamens en werd zo een voormoeder van het Gelderse gravenhuis. Dit wordt echter weersproken, het zou een nog naamloos jonger zusje van Bava zijn die met Gerard Flamens trouwde. Haar vermoedelijk oudere zuster Addela of Addila, vernoemd naar Adela 'van Hamaland', huwde met Godfried II hertog van Nederlotharingen (1012-1023). Dat huwelijk bleef kinderloos. Adela bracht munten in omloop met 'Adela Comitissa' ('Gravin Adela') erop. Denkbaar is dat zij het grafelijk gezag heeft uitgeoefend tijdens de minderjarigheid van Diederik. Haar tweede echtgenoot was Balderik van Duffelgouw. Balderiks oudste gedateerde vermelding als echtgenoot (maritus) van Adela dateert van 18 december 996. Volgens Alpertus en de levensbeschrijving van Meinwerk was Balderik niet van dezelfde stand als Adela. Volgens Alpertus had Adela's zuster Liutgard zich heftig verzet tegen het huwelijk, dat pas doorgezet werd na haar overlijden. Balderik was Liutgards vazal geweest en had samen met Godizo van Aspel en Heimbach Adela's burcht platgebrand. Balderik overleed op 5 juni 1021.[5] In een oorkonde van 1025 wordt hij postuum nog als graaf aangeduid. Bij zijn eerste gedateerde optreden, in december 996, was hij dat nog niet, kort daarna, in 1003, al wel. Een oorkonde van 1006 laat hem zien als graaf in Drenthe. Adela's vader Wichman beschikte over de omstreeks 900 aangelegde ringwalburcht op de Eltenberg. De vroegtijdige dood van zijn zoontje, eveneens Wichman geheten, op 1 augustus 965 of 966 leidde tot de ombouw van de burcht Elten tot het latere stift. Hij volgde daarbij het voorbeeld van onder anderen de Saksische markgraaf Gero, die in 959 zijn burcht in Gernrode in de Harz tot klooster liet verbouwen.[7] Keizer Otto I bezegelde op 29 juni 968 in Pistoia een oorkonde waarbij hij goederen, die Wichman tevoren van hem in leen hield, in eigendom overdroeg aan het stift Elten. Het ging daarbij om Urk, goed in Salland, bij Naarden en in Hamaland. Op 3 augustus 970 bevestigde Otto I te Bovino de schenking van zeventien hoven in Elten, Varnem, Voorthuizen, Emmerik, Kleverhamm, De Liemers, Rijnharen, Renkum, Bingerden, Groessen, Hoest, Duiven, Lienden, Leyla, Doornspijk, Thuli en Nestnachelt. Bovendien schonk hij de belastingopbrengst die Wichman tevoren in Noord-Groningen had geïnd. Hiervoor was Wichman IV persoonlijk naar Italië gereisd. Van de gelegenheid maakte hij gebruik om Elten ook onder pauselijke bescherming te stellen. Daarvoor moest het stift jaarlijks een pond zilver aan Rome afdragen. Op 14 december 973 ondertekende keizer Otto II in Nijmegen een document, waarin hij het Stift Elten dezelfde rechten als de rijksstichten Quedlinburg, Essen en Gandersheim gaf, te weten vrije keuze van abdis en voogd. Elten kwam zo buiten het gezag van de gouwgraaf en onder de bescherming van de keizers te staan. Bij dezelfde gelegenheid schonk Otto II de Katentol aan de Stift Elten. Het stift verpachtte die tol later aan de stad Deventer. In 973 wordt Adela's jongere zus Liutgard als eerste abdis van het stift vermeld. Wichman IV overleed op 20 juni van een jaar ná 974 als lekenbroeder van het klooster Mönchengladbach. Hij werd in Elten begraven. Bij opgravingen op de Elterberg in 1964-1965 is zijn graf niet teruggevonden, omdat het op enige afstand ten zuidoosten van het koor van de abdijkerk moet liggen, op een plek die de archeologen toen niet hebben aangegraven. De oorkonde van Otto III van 18 december 996, die te Nijmegen is uitgevaardigd en Balderik als echtgenoot van Adela noemt, laat weten dat nog bij leven van Adela's vader Wichman ruzie is ontstaan omdat Adela zich benadeeld achtte. Otto III slaagde er pas in om die kwestie in 996 uit de wereld te helpen. Adela had bij haar huwelijk haar erfdeel, een derde van het familievermogen, als bruidsschat meegekregen. Vader Wichman had vervolgens het stift Elten ook met een derde van zijn bezit uitgerust én bovendien van de keizer de rijkslenen voor het stift losgekregen, terwijl Immed Wichmans graafschappen kon overnemen. Het laatste derde part had Wichman zelf behouden. Adela heeft zich waarschijnlijk benadeeld gevoeld doordat haar vader álle rijkslenen aan Elten had toegespeeld, waarvan de waarde hoger uitkwam dan de opbrengsten van Wichmans graafschappen die bij Immed belandden. Zij verlangde compensatie. Wichman wilde daar niks van weten. Toen de ruzie goed en wel aan de gang was, gooide Wichman nog eens olie op het vuur door het laatste derde part van zijn vermogen aan zijn dochter Liutgard over te doen, die het prompt aan het stift Elten doorgaf. Zo streek het stift ten slotte twee derde van het familievermogen op tegenover Adela één derde - nog daargelaten de bevoordeling met de rijkslenen. Adela slaagde erin om nog bij leven van Otto II die vermogensverdeling gecorrigeerd te krijgen, van twee derde om één derde naar half-om-half. Maar Adela volhardde ook in haar eis om voor Eltens overbedeling met rijkslenen gecompenseerd te worden. Hiervoor legde ze beslag op goederen die door Otto II aan het stift Elten waren toegewezen. Of dat gebeurd is bij leven van haar zus Liutgard of pas na haar overlijden is niet vaststelbaar. Feit is dat Adela in 996 haar zin kreeg: zij kreeg de compensatie volgens een berekening van een speciale taxatiecommissie. Die compensatie bestond uit de hoven Rijnharen, Helikanbeli, Luithuizen en Reclo. Hierna moest ze wel de in beslag genomen goederen aan het stift teruggeven, volgens de al oudere herverdeling van Otto II: Elten, Arnhem en Voorthuizen bleven helemaal van het stift terwijl Emmerik, Renkum, Lienden, Rode, Olbergen, Aarlehoeven, Appelrebroec, Ter Honnepe, Eltingen, Delden, Velp, Drie, Arnhem, Putten, Herfeld, Malsme en Brummen half-om werden gedeeld. In het Nederrijnse gebied fungeerde een rijksambtenaar met de titel prefect, die belast was met de grensverdediging van het rijk in zijn gebied. Dat gold met name de kustverdediging tegen de Noormannen. Die prefect had ook gezag over de graven in zijn ambtsgebied en stond dus net een stukje hoger in rang dan die graven. Toen de prefect Godfried medio juli 1012[8] stierf, volgde zijn gelijknamige zoon hem op, hoewel hij volgens Alpertus voor het ambt niet geschikt was en volledig afhankelijk was van zijn zwager Wichman van Vreden, gehuwd met de dochter van de oude Godfried. Adela had in stilte de prefectuur toegedacht aan haar tweede echtgenoot Balderik, oomzegger van Godfried en volle neef van diens zoon. Waarschijnlijk was dat het 'plan' dat volgens Alpertus van Metz ten grondslag lag aan haar huwelijk met Balderik. Die had in 1006 (of 1009?) zijn oom Godfried al eens vervangen als bevelhebber tegen een invallend Noormannenleger dat Tiel in brand had gestoken. Toen Wichman de opvolging van de oude Godfried door diens zoon in goede banen had geleid, vertrok hij naar Rome op pelgrimstocht. Dat had hij beter niet kunnen doen: Balderik toog op sterke aandrang van Adela naar koning Hendrik II en haalde die over om hem, Balderik, als prefect aan te stellen. In 1015 nam Gerhard, een vazal van Balderik die naar Wichman was overgelopen, Balderik gevangen en vroeg een losgeld. Wichman en bisschop Ansfried van Utrecht bemiddelden. De laatste kreeg daarop van Adela goederen in Lienden, Oosterbeek, Hemert en Brummen. Balderik kwam vrij en stichtte uit vreugde daarover in Zyfflich een klooster. In oktober 1016 werd Wichman van Vreden vermoord. Hij en Balderik hadden zich eind 1015 verzoend. Toen Balderik een keer bij Wichman had gedineerd, deed Wichman zijn gast uitgeleide tot aan Balderiks burcht Upladen. Balderik noodde hem toen voor een tegenbezoek uit en Wichman stemde toe. Toen hij weer van Upladen vertrok, werd hij overvallen en gedood door een ridder en een vrije boer. Volgens Alpertus en Thietmar van Merseburg zouden deze twee in opdracht van Adela gehandeld hebben. Dit was aanleiding voor bisschop Adelbold II van Utrecht, hertog Bernhard II van Saksen en andere magnaten om het beleg voor Upladen te slaan. Balderik was op tijd daaruit weggekomen naar Keulen en Adela verdedigde met haar vrouwen de burcht. Toen ook de keizer zelf arriveerde, wist zij een vrije aftocht te bedingen. De burcht werd daarop met de grond gelijk gemaakt. Balderik moest zich in maart/april 1018 op de Rijksdag in Nijmegen verantwoorden en werd daar door de keizer verstoten. Een paar maanden later, in juni 1018, werd hij volgens Thietmar van Merseburg weer met de keizer verzoend. Het kan dan niet anders of hij heeft de keizer weten te overtuigen van zijn onschuld aan de moord, waarvoor hij dan wel de schuld aan Adela heeft moeten toeschuiven. Thietmars aansluitende woorden dat 'de heilige belofte werd vergeten', duidt erop dat Balderik Adela heeft verstoten of misschien wel finaal van haar gescheiden is. Adela's vermogen is geheel of gedeeltelijk geconfisqueerd. Een deel ervan zien we vermoedelijk terug in de schenking die in 1025 door koning Koenraad II aan een zekere Werner werd gedaan. Mogelijk hebben ook de bisschop van Utrecht en de abdij Abdinghof geprofiteerd. Volgens de levensbeschrijving van haar zoon Meinwerk zou Adela in Keulen in armoede gestorven zijn. Diezelfde bron beweert dat de Keulenaren bij een geweldig noodweer Adela's gebeente hadden opgegraven en in de Rijn gegooid. Daarop was de rivier uit protest hevig gaan kolken, alsof hij een dergelijke vracht niet wilde dragen. Vast staat dat Balderik en Adela al eerder aartsbisschop Heribert van Keulen aanmerkelijke schenkingen gedaan hadden voor zijn nieuwe klooster in Deutz: hoeven bij Euskirchen, Düren, Rijnwijk (bij Wageningen), Rhenen, Velp en Zetten. Het was ook die aartsbisschop die Balderiks kerk in Zyfflich had gewijd. Heribert was onder keizer Otto III tot grote hoogte gestegen maar zette na diens vroegtijdige dood zijn kaarten op hertog Herman II van Zwaben. Die moest echter de eer aan Hendrik II laten. Dat kostte Heribert zijn invloedrijke positie. Of Balderik en Adela daarvan ook nadelige gevolgen hebben ondervonden, is niet vaststelbaar. Adela's zoon Meinwerk was een persoonlijke vriend van Hendrik, wat de balans misschien weer wat in evenwicht heeft gebracht. De walburcht op de Duno moet evenals de Heimenberg bij de Grebbeberg uit de periode van Adela stammen. Een dergelijke burcht bij het Uddelermeer op de Veluwe, de zogenaamde hunenschans, was wellicht van belang voor de toen belangrijke ijzerwinning op de Veluwe. Op de Montferland vindt men nog een walburcht, die de door Balderik en Godizo veroverde burcht Upladen zou kunnen zijn. Het doen en laten van Adela werd beschreven in de kroniek van Thietmar van Merseburg (bisschop 1008-1018), de levensbeschrijving van Adela's zoon bisschop Meinwerk van Paderborn en het werkje 'Gebeurtenissen van deze tijd' (De diversitate temporum) van Alpertus. Thietmar overleed op 1 december 1018 en was dus een tijdgenoot van Adela. Alpertus schreef zijn werkje hoogstwaarschijnlijk tussen 1021 en 1024 en stond dus nog dicht bij de gebeurtenissen. De levensbeschrijving van Meinwerk is veel later, omstreeks 1160, geschreven door abt Koenraad van het klooster Abdinghof (Paderborn), dat Meinwerk in zijn tijd had gesticht. Die bron staat heel veel verder van de tijd van Adela en Meinwerk af en is niet overal betrouwbaar. Zo heeft die levensbeschrijving van Meinwerk de moord op Wichman van Vreden verhaspeld tot de moord op Adela's zoon Diederik, gepleegd in opdracht van Adela op aanstichten van Balderik. Maar van de moord op Wichman weet de levensbeschrijving niets terwijl die door andere, onderling onafhankelijke bronnen buiten kijf staat. Geen van de drie is erg lovend over Adela. Met de moord op Wichman van Vreden riep Adela het cliché van 'de slechte vrouw' over zich af. Het beeld van de vrouw in de kerkelijke visie kende twee kleuren, zwart en wit, Eva en Maria, zondares en heilige maagd. Adela kreeg dan ook Bijbelse stereotypen zoals Izebel en Herodias of Medea uit de Griekse mythologie aangesmeerd. Thietmar horen we eigenlijk alleen over de moord op Wichman van Vreden. Alpertus vertelt daarentegen ook over Adela's optreden in de Eltense boedelkwestie. Hij doet er van alles aan om haar zo zwart en inhalig mogelijk af te schilderen: ze praatte luid, sloeg wulpse taal uit, was slecht gekleed en had als wellustige weduwe een losbandig leven geleid. Alpertus heeft de oorkonde van 996 in Elten hoogstwaarschijnlijk onder ogen gehad en had dus ook kunnen zien dat Adela haar gelijk toen voluit kreeg. Maar hij laat het liever voorkomen alsof zij en haar tweede echtgenoot Balderik toen bakzeil moesten halen en het stift Elten winnend uit de kwestie is gekomen. Alleen Alpertus maakt melding van geruchten als zou Adela haar zuster hebben vergiftigd. Geen enkele bron, ook niet het Eltense dodenregister, geeft echter bevestiging van Alpertus' gerucht. Adela van Hamaland speelt een belangrijke rol in de roman De valse dageraad (2001, ISBN 9789035122895) van Jan van Aken.
Immed van Hamaland IV huwde Adela van Hamaland. Zij kregen twee kinderen:
Diederik van Hamaland in 970
Glismod in 978
FREDERIK VAN LOTHARINGEN I (Koos' Edelstamoudbetovergrootvader) werd geboren in 912 als kind van Wigerik Van Lotharingen en Kunigunde van de Ardennen, zoals getoond in stamboom 1283. Hij is gestorven op 17 juni 978, ongeveer 65 jaar oud.
Noot: Frederik I van Lotharingen (ca. 912 - 17 juni 978) was de eerste hertog van Opper-Lotharingen, vanaf 959 tot zijn dood, ter ondersteuning van aartsbisschop Bruno de Grote van Keulen die ook hertog van geheel Lotharingen was. Frederik was graaf van Bar (door een bezittingenruil met de bisschop van Toul), Chaumontois, Charpeigne (in de Ardennen), Soulossois, en burggraaf van Metz. Hij bouwde een burcht over de grens van West-Francië waaruit hij rooftochten hield. Frederik werd gedwongen dit kasteel weer af te breken en bouwde toen een burcht in Bar. Als hertog hield hij zich vooral bezig met het bedwingen van opstandige vazallen. Frederik bevorderde kloosterhervormingen in Saint-Dié en Moyenmoutier. Hij sneuvelde in gevechten tegen koning Lotharius van Frankrijk die probeerde om Lotharingen te veroveren. Frederik was een zoon van Wigerik en Kunigunde van de Ardennen. Hij huwde in 955 (ondertrouw 951) met Beatrix Capet, zuster van Hugo Capet, dochter van Hugo de Grote en Hedwig van Saksen. Frederik en Beatrix kregen de volgende kinderen:
Hendrik, overleden rond 975
Adalbero II van Metz, bisschop van Metz
Diederik I van Lotharingen, hertog van Opper-Lotharingen.
GRAAF KOENRAAD VAN ZWABEN I (Koos' Edelstamoudbetovergrootvader) werd geboren rond 940 als kind van Udo van Wetterau en Cunigonde van de Wetterau, zoals getoond in stamboom 1324. Hij is gestorven op 20 augustus 997, ongeveer 57 jaar oud.
Koenraad I van Zwaben (ca. 940 - 20 augustus 997), ook Kuno van Öhningen, was hertog van Zwaben. Koenraad was graaf van de Wetterau, Rheingau, Lobdengau en de Wingarteiba. In 982 werd hij in Verona (stad) door keizer Otto II tot hertog van Zwaben benoemd. Hij koos Straatsburg als zijn hoofdstad. Koenraad was een belangrijke bondgenoot van de keizerin-weduwe Theophanu en keizerin-moeder Adelheid en steunde de verkiezing van keizer Otto III. Als dank voor zijn steun werd hij kamerheer van Otto III en hij kreeg sterke positie in de Elzas. Koenraads afkomst is niet met zekerheid bekend. De belangrijkste theorieën zijn dat hij een zoon is van Udo van de Wetterau of van diens achterneef Koenraad (ovl. 982), graaf van de Lobdengau en voogd van Schwarzach am Main. In beide gevallen is hij een nakomeling van Udo (graaf van Lahngouw). Koenraad trouwde met Richlind (ca. 950 - 2 september 1035). Zij was vermoedelijk een dochter van Otto I de Grote en zijn tweede vrouw Adelheid, maar er is ook een theorie dat ze een dochter was van Liudolf van Zwaben, Otto's zoon uit zijn eerste huwelijk, en Ida van Zwaben. Aan Koenraad en Richlind zijn een groot aantal kinderen toegeschreven. De onzekerheid wordt veroorzaakt doordat in aktes edelen alleen met hun voornaam worden genoemd en het niet altijd duidelijk is of een Koenraad of Kuno als Koenraad I van Zwaben is te identificeren. Van de kinderen die hieronder genoemd worden, is echter alleen Herman met volledige zekerheid een kind van Koenraad en Richlind:
Ekbert, volgens sommige bronnen graaf van Stade
Liutpold, mogelijk dezelfde als Liutold (ovl. voor 1044) graaf van Montbéliard en de Elzasser Sundgouw, getrouwd met Willeburg, dochter van Adelbert I van Ivrea en Gerberga van Dijon
Koenraad
Herman II van Zwaben,
de enige die volledig zeker dochter van Koenraad en Richlind was Ita, gehuwd met Rudolf II van Altdorf
Adelia, gehuwd met Vladimir van Kiev
Judith, (ovl. na 1032, begraven in Bouzonville),gehuwd met een graaf van Rheinfelden en in haar tweede huwelijk gehuwd met Adalbert I van Metz
Kunigunde, gehuwd met Frederik I van Diessen
onbekende dochter, getrouwd met Frederik, graaf van de Sundergau en palstgraaf in Zwaben. Een belangrijke adviseur van keizer Hendrik II en tegenstander van hertog Ernst II van Zwaben op de rijksdag van Augsburg (stad) in 1027.
GRAAF RAYMOND VAN TOULOUSE III (Koos' Edelstamoudbetovergrootvader) werd geboren in 900, in Toulouse, Frankrijk, als kind van Raymond van Toulouse II en Guinidilda van Barcelona, zoals getoond in stamboom 1410. Hij is gestorven in 960, ongeveer 60 jaar oud, in Garazo, Frankrijk.
Raymond III of Pons van Toulouse, (ca. 900 – tussen 944/969), was in zijn tijd de machtigste edelman in het zuiden van Frankrijk. Raymond Pons was zoon van Raymond II van Toulouse en van Guinidilda, dochter van Wifried I van Barcelona en Guinehilde. Raymond Pons volgde in 924 zijn vader Raymond II van Toulouse op als graaf van Toulouse, heer van Carcassonne, Albi, Rouergue, Quercy, Razès, Béziers en Agde. In datzelfde jaar verdreef hij de Hongaren uit de Provence. In 932 zwoer hij trouw aan Rudolf I van Frankrijk, die hem beloonde met de titel van hertog van Aquitanië, graaf van Auvergne en met het markizaat Gothië. Raymond Pons stichtte in 936 het klooster van Chanteuges en deed in dat jaar ook een schenking aan het klooster van Saint-Pons-de-Thomières. In 937 deed hij een schenking aan de kerk van Béziers. In 944 werd hij in zijn titels bevestigd door koning Lodewijk IV. Raymond Pons is begraven in Saint-Pons-de-Thomières.De naam Pons was geen bijnaam maar een gewone voornaam. Hierdoor ontstaat vaak verwarring over de identiteit van de verschillende heren van Toulouse die allemaal Raymond heetten. Hier wordt Raymond Pons “Raymond III” genoemd en zijn zoon dus “Raymond IV”. Veel andere bronnen noemen Raymond Pons “Raymond Pons” en zijn zoon “Raymond III”, wat natuurlijk doorwerkt in latere generaties.Raymond was gehuwd met Gersenda, dochter van Hertog Garcia II van Gascogne en Amuna. Zij kregen de volgende kinderen:
Raymond IV van Toulouse, graaf van Toulouse.
Liutgardis van Toulouse.














Reacties
Een reactie posten