Generatie van 26 maal oud-oud-grootouders, Mabilla Talvas de Montgomery (onthoofd), Koning Willem van Engeland, Koning Malcolm III van Schotland, Godfried van Bouillon en Wouter van Berthout.


In deze post het verhaal van Godfried van Bouillon en de eerste kruistocht. Niet iets om trots op te zijn. Er werd gemoord en geplunderd.

Godfried van Bouillon was van 1089 tot zijn dood (als Godfried IV) hertog van Neder-Lotharingen en een van de leiders van de Eerste Kruistocht. Hij werd tevens uitgeroepen tot de eerste koning van het koninkrijk Jeruzalem, maar weigerde die titel. 

Ook Wouter van Berthout, heer van Grimbergen nam deel aan de eerste kruistocht.

En dan nog Steppo van Vigezelle die terugkeerde van de kruistocht met een voorraad goud.





MANASSES DE DAMMARTIN (Koos' Edelstambetovergrootvader) werd geboren rond 980, in Dammartin-En-Goële, Seine-Et-Marne, Île-De-France, France, als kind van Hilduin van MONTDIDIER II en Adele Dammartin, zoals getoond in stamboom 999. Hij is gestorven (In oorlog) op 15 november 1037, ongeveer 57 jaar oud, in Bar-le-Duc, Meuse, Lorraine, France.

Manasses van Dammartin bijgenaamd de Kale (gesneuveld tijdens de slag om Bar-le-Duc op 15 november 1037) was de eerste graaf van Dammartin. Hij behoorde tot het huis Montdidier en was de stichter van het huis Dammartin-en Goële. Manasses was een zoon van graaf Hilduin II van Arcis-sur-Aube en diens onbekend gebleven echtgenote. Hij was de eerste graaf van Dammartin. In 1037 nam hij deel aan de poging van graaf Odo II van Blois om het koninkrijk Bourgondië te veroveren. Hij sneuvelde in november van dat jaar bij de Slag bij Bar-le-Duc. Zijn zoon Odo volgde hem op als graaf van Dammartin. Manasses was gehuwd met Constance, vermoedelijk een dochter van koning Robert II van Frankrijk. Ze kregen volgende kinderen:

Odo (overleden rond 1061), graaf van Dammartin

Hugo I (overleden rond 1103), graaf van Dammartin

Adelheid, huwde met heer Hugo van Gournay-en-Bray

Stephanie, huwde met heer Godfried van Étrépagny.


Slag bij Bar-le-Duc was een confrontatie tussen twee feodale legers onder leiding van Odo II, graaf van Blois , en Gothelo I, hertog van Lotharingen , die plaatsvond op 15 november 1037 buiten Bar in het hertogdom Lotharingen.Toen Rudolf III van Bourgondië in 1032 stierf, werd zijn koninkrijk geërfd door keizer Conrad II en opgenomen in het Heilige Roomse Rijk . Rudolphs neef, Odo II, bleef deze uitkomst betwisten en behield zijn eigen recht op de erfeni

n 1037 leidde Conrad II een leger naar Italië om een ​​opstand in Lombardije neer te slaan . Odo profiteerde van zijn afwezigheid om het hertogdom Lotharingen binnen te vallen en de stad Bar te bezetten. Afgezanten van de rebellen in Italië boden hem het Koninkrijk Italië aan als hij hen te hulp wilde komen.

Aanvankelijk verrast, had Gothelo I, hertog van Lotharingen , inmiddels een leger kunnen bijeenbrengen - gedeeltelijk door een beroep te doen op Reginard , bisschop van Luik , en Albert II, graaf van Namen om troepen. Toen hun legers elkaar buiten Bar ontmoetten, volgden zes uur gevechten, aan het einde waarvan Odo's troepen werden verslagen. Odo zelf stierf tijdens de nederlaag.





DIEDERIK VAN BAR I (Koos' Edelstambetovergrootvader) werd geboren in 1046, in Montbéliard, Doubs, Franche-Comté, France, als kind van Lodewijk van Bar9946 en Sophie van Lotharingen9947, zoals getoond in stamboom 1020. Hij is gestorven op 2 januari 1103, ongeveer 56 jaar oud, in Bar-Le-Duc, Meuse, Lorraine, France.

Thierry de Montbéliard, geboren rond 1045 en overleden op 2 januari 1103, was graaf van Montbéliard, Altkirch en Ferrette (Thierry I) van 1076 tot 1103, graaf van Bar en heer van Mousson (Thierry II) van 1076 tot 1103 en Graaf van Verdun van 1096 tot 1103. Hij is de zoon van Louis de Scarpone, graaf van Montbéliard, Altkirch en Ferrette, en Sophie, Gravin van Bar en Vrouwe van  ousson. Na de dood van zijn vader claimde hij de opvolging van het hertogdom Lotharingen, die zijn vader al had beheerd. Hij werd ontslagen door keizer Hendrik IV. Als vergelding verwoestte hij het bisschoppelijke vorstendom Metz maar hij werd verslagen door Adalberon III, bisschop van Metz, en de hertog van Lotharingen Thierry II. Verzoend met de Kerk stichtte hij in 1074 een benedictijnenabdij in Walbourg (Eglise Sainte-Walburge de Walbourg) en liet de kerk van Montbéliard herbouwen in 1080. Hij nam noch deel aan het Concilie van Clermont in 1095, noch aan de kruistochten. maar stuurt daar zijn zoon Louis, die daar in dienst treedt. Na 1096 schonk Richer, de bisschop van Verdun, hem het graafschap voor het leven maar de relatie tussen de wereldlijke en geestelijke machten was turbulent. In 1065 trouwde hij met Ermentrude de Bourgogne (geboren in 1055 en overleden in 1105), dochter van Guillaume I, graaf van Bourgondië, en Étiennette, en had de volgende kinderen:

Thierry II (1081 † 1163), graaf van Montbéliard

Louis, die op kruistocht ging, keerde in 1102 terug en werd vermoord in 1103.

Frederick I ( † 1160), graaf van Ferrette en Altkirch. 

Renaud I ( 1090 † 1150), graaf van de balie en heer van Mousson 

Stefanus († 1162), bisschop van Metz

William, overleden vóór 1105

Hugues, geciteerd in 1105, waarschijnlijk religieus, omdat hij niet profiteerde van de verdeling van de bezittingen van zijn vader

Gunthilde († 1331), abdis van Biblisheim

Agnès (1082/1087 in Bar-le-Duc † 1176), gravin van Langenstein of Langstein ( Pierre-percée sindsdien) en van Salm.




ROGIER VAN MONTGOMERY II (Koos' Edelstambetovergrootvader) werd geboren in 1010, in St. Germain-Montgomery, Frankrijk, als kind van Rogier van Montgomery I, zoals getoond in stamboom 1021. Rogier werd Graaf. Hij is gestorven op 27 juli 1094, ongeveer 84 jaar oud, in Shrewsburry, Engeland. Hij werd begraven in Shrewsburry klooster.

Rogier II van Montgommery (ca. 1010 - 1094), bijgenaamd de Grote, was een van de belangrijkste Normandische edelen ten tijde van Willem de Veroveraar, en werd na 1066 ook een van de machtigste en rijkste baronnen van Engeland. Rogier erfde van zijn vader, Rogier I van Montgomery (ca. 975 - voor 1048), grote bezittingen in het hart van Normandië. Zijn moeder heette Josceline, mogelijk een dochter van Turchetil van Harcourt. Vader Rogier was heer van Montgommery en burggraaf van de Hiémois. Van hem is bekend dat hij naar Parijs werd verbannen wegens zijn "verdorvenheid". Rogier steunde Willem II Talvas van Bellême in diens conflict met zijn zoon en verwierf zo de hand van Mabilla van Bellême. Mabilla erfde haar familiebezit rond Bellême en Alençon. Rogier verdreef in 1056 de kanunnikken van Troarn omdat die zich alleen met hun eigen genoegens bezig hielden en installeerde nieuwe monniken vanuit Chatillon. Hij stichtte de abdij van Sint Maarten van Sées opnieuw, en stichtte de abdij van Almenêches. Op aanzetten van zijn vrouw keerde hij zich tegen de families Grandmesnil en Giroie, en tegen het door hen begunstigde klooster van Saint-Evroult-Notre-Dame-du-Bois. Deze families hadden indertijd de opstand tegen Willem II van Bellême gesteund. Rogier werd een belangrijke adviseur van Willem de Veroveraar en het lukte hem om Hugo van Grandmesnil te laten verbannen, in 1068 verwierf hij ook de bezittingen van de familie Giroie. In 1066 ondersteunde Rogier de invasie van Engeland door 60 schepen te financieren. Zelf nam hij niet deel aan de expeditie maar hij bleef achter in Normandië om het hertogdom namens Willem de Veroveraar te besturen en te verdedigen. In 1067 kreeg hij ook het bestuur over Arundel, een belangrijke plaats voor het verkeer tussen Normandië en Engeland. Rogier stichtte daar het bekende kasteel. In november 1071 werd Rogier benoemd tot earl van Shrewsbury (Engeland) en kreeg daarmee een belangrijke functie in de beveiliging van de grens met Wales. Daarnaast begunstigde Willem hem met goederen door heel Engeland. Rond 1075 deed Rogier schenkingen aan de Notre Dame van Bellême en in 1083 stichtte hij de abdij van Shrewsbury. Ook op hoge leeftijd bleef Rogier politiek actief. In 1088 nam hij deel aan de opstand tegen Willem II van Engeland maar toen de aanvoerder van de opstandelingen, Robert Curthose, Rogiers zoon gevangen nam, wisselde Rogier van kant. Hij trok persoonlijk naar Normandië en bracht zijn kastelen in staat van verdediging. Na enkele gevechten sloot Robert vrede met Rogier en liet zijn zoon vrij. In 1093 nog ondernam Rogier een veldtocht naar Wales. Het jaar daarna trok hij zich terug in de abdij van Shrewsbury en werd daar monnik, en overleed drie dagen later. Rogier werd begraven in de abdij van Shrewsbury.

Rogier II van Montgomery huwde een eerste keer met Mabille Talvas (ovl. 1079), erfgename van een uitgestrekt domein aan de grens van Normandië en Maine : de heerlijkheid Bellême. Zij kregen 10 kinderen. Rogier huwde vervolgens met Adelheid van Puiset, dochter van Evrard, graaf van Breteuil en burggraaf van Chartres, bij wie hij een zoon had, Evrard. Bij zijn dood werden de goederen van Rogier verdeeld. Robert, de oudste van de overlevende kinderen, kreeg de meerderheid van de Normandische bezittingen. De volgende, Hugo, kreeg een deel van de Engelse bezittingen en het graafschap Shrewsbury. Bij de dood van Hugo, erfde Robert het graafschap.

Kinderen: 

Rogier Montgomery voor 1062 Robert van Bellême bijg. de Duivel. Als oudste zoon erfde hij de bezittingen in Normandië van zijn ouders en werd hij heer van Bellême. Na het overlijden van zijn broer werd hij 3de graaf van Shrewsbury.

Hugo van Montgommery, de graaf van Shrewsbury 

Rogier bijg. Poitevinrond 1085;tussen 1122 en 1140. Hij huwde met Almodis, dochter van Adelbert II van La Marche.

Filips. In 1096 gevangengenomen wegens samenzwering tegen de koning van Engeland, ging op kruistocht en is gestorven bij het beleg van Antiochië. Arnulfrond 1068 tussen 1118 en 1122. Grootgrondbezitter in het graafschap Pembroke, maar was geen graaf. Week uit naar Schotland.

Emma abdis van Almenêches

Mathilde echtgenote van Robert van Mortain, halfbroer van Willem de Veroveraar.

Mabila echtgenote van Hugo van Châteauneuf-en-Thimerais.

Sibylla echtgenote van Robert Fitzhamon, gezel van Willem de Veroveraar.

kind(eren) bij Adelheid van Puiset.

Evrard rond1135. Klerk in de kapel van Hendrik I van Engeland.

MABILLA TALVAS VAN MONTGOMERY (Koos' Edelstambetovergrootmoeder) werd geboren in 1015 als kind van Willem Talvas van Belleme II en Hildeburgis, zoals getoond in stamboom 1022. Mabilla werd vrouwe van Bellême. Zij is gestorven (onthoofd) op 2 december 1079, ongeveer 64 jaar oud, in Bures, Caen, Frankrijk. Zij werd begraven in klooster Troarn, Frankrijk.

Mabilla Talvas van Bellême (overleden te Caen op 2 december 1079) was van 1071 tot aan haar dood vrouwe van Bellême. Ze behoorde tot het huis Bellême. Mabilla was de dochter van heer Willem II Talvas van Bellême en diens echtgenote Hildeburgis. Volgens contemporaine bronnen had ze het karakter van haar vader geërfd en ze werd beschreven als wreed, vilein, amoreel, arrogant en praatziek. Rond 1050 huwde ze met Rogier II van Montgomery, een van de belangrijkste Normandische edelen en raadgever van hertog Willem II van Normandië. Volgens Normandische geschiedschrijvers was het huwelijk door haar vader gepland om bondgenoten te vinden om zijn verloren gebieden te heroveren. Huidige historici zien het huwelijk als een poging van Willem II om de onafhankelijkheid van het huis Bellême in te perken. De verbintenis tussen de erfgename van Bellême en zijn vertrouweling Rogier II van Montgommery verzekerde namelijk de vrede in het zuiden van Willems landerijen.Het echtpaar was wel degelijk zeer trouw aan Willem II. Zo herstelden ze als hun landheer verschillende kloosters: Almenêches, Troarn en het Sint-Maartensklooster in Sées. Anderzijds maakten ze verschillende edelen tot vijanden: Robert de Grandmesnil en diens broer Hugues, Raoul II de Tosny en Ernaud Fitz-Giroie. Contemporaine bronnen zien daarin het werk van Mabilla: zo zou ze een vergeefse poging gedaan hebben om Ernaud Fitz-Giroie te vergiftigen, wat een nieuwe episode in de strijd tussen het huis Giroie en het huis Bellême veroorzaakte.In 1071 erfde ze na de dood van haar oom Ivo II, bisschop van Sées, vermoedelijk de heerlijkheid Bellême. In 1071 of 1074 kreeg haar echtgenoot Rogier II de titel van graaf van Shrewsbury, waardoor Mabilla gravin werd. Toen Mabilla in 1079 in de burcht van Bures in Caen verbleef, slaagden aanhangers van het huis Giroie, Hugues de Saugei en diens twee broers, erin om de burcht binnen te dringen en Mabilla te onthoofden. Deze manier van sterven was in die tijd enkel voor mannen voorbehouden. Ze werd bijgezet in het klooster van Troarn, dat zij en haar echtgenoot hadden gefinancierd. 






GWIJDE VAN PONTHIEU I (Koos' Edelstambetovergrootvader) werd geboren in 1035 als kind van Hugo van Ponthieu II en Bertha van Aumale, zoals getoond in stamboom 786. Hij is gestorven op 13 november 1100, ongeveer 65 jaar oud. Gwijde I van Ponthieu. Overleden op 13 november 1100. Hij was van 1053 tot aan zijn dood graaf van Ponthieu. Hij behoorde tot het huis Ponthieu. Gwijde was de tweede zoon van graaf Hugo II van Ponthieu en Bertha, dochter van heer Gerimfried van Aumale. Nadat zijn oudere broer Engelram II in 1053 sneuvelde tijdens de strijd tegen de Normandische hertog Willem de Veroveraar, volgde Gwijde hem op als graaf van Ponthieu. Hij zette de strijd tegen Willem de Veroveraar verder, als bondgenoot van koning Robert I van Frankrijk, maar in 1054 werd hij in de Slag bij Mortemer door de Normandische hertog verslagen en gevangengenomen. Tijdens zijn gevangenschap nam Gwijdes oom, bisschop Gwijde van Amiens, de heerschappij over Ponthieu op zich. In 1056 werd Gwijde vrijgelaten, nadat hij zich bereid had verklaard om een vazal van de hertog van Normandië te worden. Ook moest hij zijn erfaanspraken op de burcht van Aumale opgeven. Toen Harold Godwinson, de graaf van Wessex, in 1064 op zijn reis naar Normandië voor de kusten van Ponthieu schipbreuk leed, liet Gwijde hem gevangennemen en naar de burcht van Abbeville brengen. Volgens kroniekschrijver Wace behandelde Gwijde Harold met grote hoffelijkheid. Hij besloot Harold Godwinson niet onmiddellijk uit te leveren aan Willem de Veroveraar en liet de Normandische hertog eerst een hoge som losgeld betalen voor dit gebeurde. In afwachting daarvan verbleef de graaf van Wessex in de burcht van Beaurain. Gwijde I van Ponthieu stierf in 1100 en werd bijgezet in de door hem gestichte Sint-Pieterspriorij van Abbeville. Omdat hij geen overlevende mannelijke nakomelingen had, werd hij opgevolgd door zijn dochter Agnes en haar echtgenoot Robert II van Bellême. Gwijde was gehuwd met Ada van Amiens. Dochter van Drogon van Amiens. Ze kregen de volgende kinderen:

Engelram, stierf voor zijn vader

Agnes …. – ± 1110 Huwde in 1087 met heer Robert II van Bellême, graaf van Shrewsbury

Ida, abdis van de Abdij van Austreberte nabij Montreuil

Mathilde








WILLEM KONING VAN ENGELAND VAN NORMANDIË I (Koos' Edelstambetovergrootvader) werd geboren op 14 september 1028, in Falaise, Calvados, Frankrijk, als kind van Robert van Normandie en Herleva van Normandie, zoals getoond in stamboom 743. Willem werd „de veroveraar” genoemd. Hij werd gedoopt in Falaise, Calvados, Frankrijk. Hij werd koning van Engeland en Hertog van Normandie. Hij is gestorven op 9 september 1087, 58 jaar oud, in Mantes-La-Jolie, Yvelines, Frankrijk. Willem werd begraven in St. Steven's in Caen, Frankrijk.

Willem de Veroveraar. Geboren te Falaise circa 1028, overleden op overleden 9 september 1087.Hij was de eerste Normandische Koning van Engeland van Kerstmis 1066 tot zijn dood. Hij was ook Hertog van Normandië van 3 juli 1035 tot zijn dood, onder de naam Willem II. Vóór zijn verovering van Engeland, stond hij bekend als Willem de Bastaard omdat hij een buitenechtelijk kind was. Om zijn aanspraken op de Engelse kroon kracht bij te zetten viel Willem in 1066 Engeland binnen. Hij leidde een leger van Normandiërs, Bretons, Vlamingen en Fransen (van Parijs en Île-de-France) naar de overwinning op de troepen van de Engelse Koning Harold II in de Slag bij Hastings. De daaropvolgende Engelse opstanden werden door hem onderdrukt in wat bekend is geworden als de Normandische verovering van Engeland. Willem was de buitenechtelijke zoon van Robert de Duivel en Herleva, dochter van een leerlooier genaamd Fulbert. Hij werd geboren in het Normandische Falaise, zo’n 30 km ten zuiden van Caen. Zijn vader werd ervan verdacht aan de macht te zijn gekomen na zijn oudere broer te hebben vergiftigd. Vermoedelijk om die reden ging Robert in 1034 op een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Voor zijn vertrek liet hij de Normandische edelen hun trouw zweren aan Willem. Hoewel Willem buitenechtelijk was, was dit niet vreemd omdat in Normandië nog altijd het oude gewoonterecht van de Vikingen gold (de “more Danico”) waardoor een man meerdere vrouwen kon hebben, en hun kinderen wettige erfgenamen waren. Willems politieke tegenstanders zouden wel dit gegeven zijn leven lang tegen hem blijven gebruiken. Robert overleed tijdens zijn pelgrimstocht in 1035, en Willem volgde hem op als hertog van Normandië. Willem was toen nog geen tien jaar oud en de werkelijke macht lag bij zijn hovelingen, in het bijzonder bij zijn voogden. Er werd door de Normandische adel fel om deze posities gevochten en meerdere voogden sneuvelden of werden vermoord. Ook werden meerdere aanslagen op Willem zelf gepleegd. In 1044/1045 steunde Normandië koning Hendrik I van Frankrijk tegen Godfried II van Anjou. Willem zal rond deze tijd meerderjarig zijn geworden (16 jaar oud). Hij werd in 1046 nog geconfronteerd met een gevaarlijke opstand van een deel van de Normandische adel die zijn neef Guy (zoon van zijn tante Adelheid van Normandië (1005-1038)) tot hertog wilden uitroepen. Willem vluchtte naar het hof van Hendrik. In 1047 keerde hij samen met Hendrik terug en versloeg zijn tegenstanders in een twee dagen durende veldslag bij Val-es-Dunes, aan de rivier de Orne bij Caen. Veel van zijn vluchtende tegenstanders werden gedood, het rad van een watermolen in de Orne zou door lijken zijn verstopt. Willem had nog drie jaar nodig om Guy en zijn aanhangers te onderwerpen. Hij gebruikte de Godsvredebeweging daarbij als een belangrijk hulpmiddel. Willem veroverde het opstandige Alençon en liet de handen van de burgers afhakken als straf omdat ze tijdens het beleg dierenhuiden aan de muren hadden gehangen, als verwijzing naar de nederige afkomst van Willems moeder die dochter van een leerlooier was. Nadat hij ook enkele veldtochten tegen Maine had gevoerd, was zijn positie als hertog verzekerd. Willem koos Caen als zijn hoofdstad en begon zijn regering als hertog. Als jonge hertog werkte Willem gestaag aan het versterken van zijn macht en onafhankelijkheid. In 1051 of 1052 bezocht hij in Londen zijn achterneef Eduard de Belijder, koning van Engeland, die als jonge man voor zijn eigen veiligheid een tijd aan het Normandische hof had geleefd. Eduard was toen in conflict met zijn machtigste earl, Godwin van Wessex. Willem beweerde later dat Eduard, die kinderloos was, hem bij deze gelegenheid de Engelse troon had beloofd. In 1053 bevestigde Willem de goede banden met Vlaanderen door een huwelijk in de kathedraal van Eu (Seine-Maritime) met zijn achternicht Mathilde van Vlaanderen, verwant in de vijfde graad. Dit huwelijk was zowel voor de paus (wegens bloedverwantschap) als voor koning Hendrik (wegens het machtige verbond tussen Normandië en Vlaanderen) niet te accepteren. Hendrik probeerde in 1054 en in 1056 Willem met een leger te onderwerpen, maar werd beide keren door Willem verslagen. Toen de paus in 1059 alsnog instemde met het huwelijk en Willem in 1062 ook nog Maine wist te veroveren, was zijn succes compleet. In 1064 leed Harold, zoon van Godwin van Wessex, schipbreuk op de kust van Ponthieu. Harold werd door de lokale heer gevangengenomen maar Willem zorgde voor zijn vrijlating en ontving Harold als zijn gast. Harold zou hebben deelgenomen aan een veldtocht van Willem en verloofde zich met Willems dochter Adelheid. Willem liet Harold zweren dat hij zijn aanspraken op de Engelse troon zou ondersteunen. Harold verklaarde later dat die eed onder dwang was afgelegd, en daarom niet geldig was. Na het overlijden van de kinderloze Eduard de Belijder (4 januari 1066), werd Harold door de witenagemot evenwel zelf tot koning uitgeroepen. Engeland was een goed georganiseerd koninkrijk met goed werkende belastingheffingen. Vooral dat laatste maakte het voor Willem aantrekkelijk om zijn aanspraken op de troon door te zetten. De verschijning van de komeet van Halley in april 1066 zag hij als een goed voorteken. Hij kreeg hulp van edelen uit Bretagne, Vlaanderen en het hele westen van Frankrijk en verzamelde een vloot van bijna 700 schepen. Harold stationeerde een leger en een vloot in het zuiden van Engeland om deze dreiging het hoofd te kunnen bieden maar op 8 september moest hij, gedwongen door de wet, zijn leger ontbinden en zijn vloot op Londen terugtrekken. Harolds leger bestond vooral uit dienstplichtige boeren, die bij het aanbreken van de oogsttijd het recht hadden om het leger te verlaten. Willem was juist door slecht weer vertraagd: zijn expeditie was vertrokken uit de Divesmonding maar had enkele weken moeten schuilen in de Sommemonding. Daardoor landde hij pas op 28 september 1066 bij Pevensey op de Engelse kust, zonder tegenstand te ontmoeten. Willem bleef aan de kust en bouwde bij Hastings een kasteel dat hij in kant-en-klare onderdelen uit Normandië had meegenomen, als verdediging tegen een mogelijke aanval over zee. Harold was toen met zijn kleine beroepsleger ver weg in York, waar hij Harald III van Noorwegen en zijn eigen broer Tostig Godwinson had verslagen in de slag van Stamford Bridge. Na het nieuws van de Willems landing trok hij in haast naar het zuiden, waarbij hij onderweg zo veel mogelijk troepen verzamelde. Op 14 oktober vond de slag bij Hastings plaats, waarbij na een dag van zware gevechten Harold werd gedood en Willem de overwinning behaalde. De slag bij Hastings was nog lang niet de definitieve beslissing. De Engelsen kozen Edgar Ætheling als koning. Willem trok via Dover en Canterbury naar Londen. Hij probeerde via London Bridge de stad te veroveren maar deze aanval werd afgeslagen. Willem liet versterkingen uit Normandië komen en stak de Theems over. Een nieuwe aanval op Londen lukte wel. Op 25 december werd Willem in de Westminster Abbey tot koning gekroond. Zijn verovering is het onderwerp van het beroemde Tapijt van Bayeux. Willem werd voortdurend met Engelse opstanden geconfronteerd, wat in 1068 uitliep op een grote opstand in Mercia en Northumbria onder leiding van Edgar. Edgar werd verslagen en vluchtte naar Schotland, waar zijn zuster trouwde met koning Malcom III. Northumberland kwam weer in opstand en York werd veroverd. De opstand werd gesteund door een inval uit Schotland en Denemarken (ook de Deense koning maakte aanspraken op de Engelse kroon). De opstandelingen kwamen tot Lincoln maar werden daar gestuit en uiteindelijk in Yorkshire verslagen. Willem begon toen een campagne van verschroeide aarde in het noorden van Engeland (de zogenaamde Harrying of the North) wat tot grote hongersnood en ontvolking leidde. De gevolgen daarvan waren 100 jaar later nog merkbaar en zelfs de paus zou Willem hebben vermaand over de behandeling van zijn onderdanen. De adel in het noorden werd op grote schaal vervangen door Willems volgelingen en de Denen werden afgekocht en gingen naar huis. In 1072 viel Willem Schotland binnen en sloot uiteindelijk een verdrag met Malcolm. Edgar gaf zich over in 1074. De laatste echte opstand in Engeland was vooral een opstand van Normandische edelen, hoewel de laatste Saksische earl Waltheof II van Northumbria ook aan de opstand deel nam en er weer steun was vanuit Denemarken. Willem was ten tijde van deze opstand in Normandië maar de opstand werd neergeslagen door zijn halfbroer Odo van Bayeux. Willem introduceerde het feodale stelsel in Engeland, en benoemde veel Franse edelen in Engelse posities. Daarbij gaf hij ze bezittingen die over grote gebieden waren versnipperd zodat ze geen echte machtsbasis konden opbouwen. Hij bouwde ongeveer 80 kastelen, waaronder de Tower of London. In 1085 liet Willem het Domesday Book opstellen met een gedetailleerde inventarisatie van bezittingen in land en vee, voor een doelmatige belastingheffing en om de nieuwe bezitsverhoudingen permanent vast te leggen. Tegen deze tijd had de oorspronkelijke Angelsaksische adel en geestelijkheid nog maar 8% van het land in bezit. De Normandiërs drukten ook qua recht, cultuur en architectuur gedurende de volgende eeuwen een sterk stempel op Engeland.Opmerkelijk aan de verovering van Engeland is dat deze trekken heeft van een commerciële onderneming. In de Normandische administratie werd vastgelegd wat ieders bijdrage in schepen aan Willems invasievloot was geweest. Er bestaat een zichtbaar verband tussen de grootte van deze investeringen en de grootte en het belang van de Engelse functies en bezittingen die deze investeerders na 1066 kregen toebedeeld. In 1076 dreigde een oorlog tegen Bretagne maar onder druk van koning Filips I van Frankrijk werd een vrede bereikt die werd bezegeld door de verloving van Willems dochter Constance met Alan IV van Bretagne, de erfgenaam van de hertog van Bretagne. Willems zoons kregen grote ruzie met elkaar in 1079. Robert, de oudste, werd door zijn broers in een modderpoel gegooid. De ruzie die hieruit voortvloeide leidde tot een complete oorlog waarin Willem aan de kant van zijn jongere zoons kwam te staan. Robert had een sterke positie in Normandië en Willem kon hem alleen maar bedwingen met hulp van koning Filips. Willem werd zelfs tijdens een veldslag door Robert uit zijn zadel geworpen en verwond, omdat Robert hem niet herkende. Willem moest zich terugtrekken in Rouen om te herstellen. Zijn vrouw Mathilde wist in 1080 een vrede te bemiddelen in de familie. Willem liet in 1080 zijn halfbroers nog aanvallen uitvoeren op Schotland en Northumbria maar in 1082 zette hij zijn halfbroer Odo van Bayeux gevangen, en liet hem later weer vrij. Van Willem is één bot bewaard gebleven. Op basis daarvan wordt geschat dat Willem ongeveer 1,75 m groot en sterk gespierd was. Daarmee was hij vrij lang voor zijn tijd maar zijn gespierde bouw was niet zo bijzonder: middeleeuwse ridders moesten heel sterk zijn om met succes in hun zware wapenrusting met hun zware wapens te kunnen vechten. Bekend is dat Willem vanaf zijn paard de boog kon hanteren en dat hij zijn hele leven een goede gezondheid had. Wel werd hij op latere leeftijd erg dik, zodat hij volgens de Franse koning wel op een zwangere vrouw leek. In de zomer van 1087 viel Willem van zijn paard tijdens het beleg van Mantes en liep door de klap tegen zijn zadelknop inwendige verwondingen in zijn buik op. Na vijf weken van grote pijn bezweek hij. Op zijn doodsbed heeft hij zijn meeste tegenstanders begenadigd. Willems lichaam werd naar Caen vervoerd voor de begrafenis in de Stephanusabdij. Maar hij was behoorlijk dik en zijn lichaam was door de warmte bovendien opgezet. Bisschoppen probeerden zijn lichaam in de voor hem bestemde sarcofaag te proppen maar daarbij barstte zijn buik open en werd de kerk met een ondraaglijke stank vervuld. Bij Willems begrafenis bleek dat het land van het graf nog niet was betaald en de eigenaar eiste betaling van 60 schellingen voordat de begrafenis door kon gaan. Het bedrag werd ter plekke door zijn zonen voldaan. Willem was gehuwd met Mathilde van Vlaanderen. Geboren circa 1031, overleden te Caen op 2 november 1083. Zij was een dochter van Boudewijn V van Vlaanderen en van Adelheid van Frankrijk, Dochter van Koning Robert II van Frankrijk. Willem en Mathilde kregen de volgende kinderen:

Robert Curthose ± 1054 – 1134 Hertog van Normandië. Overleden in gevangenschap. Geen kinderen.

Richard ± 1055 – ± 1080 Verongelukt tijdens de jacht in New Forest.

Adelheid Verloofd met Harold Godwinson, maar niet met hem getrouwd, non in Préaux.

Mathilde …. – 1113 Abdis van la Trinité te Caen.

Cecilia …. – ± 1127 Abdis van la Trinité te Caen als opvolgster van Mathilde.

Willem Rufus 1060 – 1100 Koning van Engeland. Tijdens jachtpartij dodelijk getroffen door pijl. Geen kinderen.

Constance …. – 1090 Getrouwd met Alan IV van Bretagne. Zij hadden geen kinderen.

Agatha …. – < 1080 Verloofd met Alfons VI van Castilië. Overleden vóór het huwelijk plaats kon vinden.

Adela 1062 – 1137 (Volgt 7) Gehuwd met Stefanus II van Blois.

Hendrik Beauclerc 1068 – 1135 Koning van Engeland








KING MALCOLM VAN SCHOTLAND III (Koos' Edelstambetovergrootvader) werd geboren op 26 maart 1031, in Blair Atholl, Perthshire, Scotland, als kind van Duncan van Schotland I en Sybilla of Scotland, zoals getoond in stamboom 1043. Malcolm werd Koning van Schotland (1058-1093). Hij verbleef te Edinburgh Castle. Hij is gestorven (hinderlaag vermoord) op 13 november 1093, 62 jaar oud, in Alnwick Castle, Northumberland, England. Malcolm werd begraven in Tynemouth Prinary. Malcolm huwde 2 maal. Hij huwde met Margaretha van Engeland en Ingebjorg Finnsdotter.

Malcolm III, Schots-Gaelisch: Maol Chaluim mac Dhonnchaidh (?, ca. 1031 – Alnwick, 13 november 1093), bijgenaamd Canmore (groot hoofd, grote baas), was koning van Schotland van 1058 tot en met 1093.Nadat zijn vader koning Duncan I in 1044 verslagen was, ging Malcolm III naar zijn oom Siward van Northumbria. In 1057 doodde hij koning Macbeth bij Lumphanan (Aberdeenshire) en diens stiefzoon koning Lulach the Fool (de gek) bij Huntlyeen aantal maanden later op 23 april 1058. Dit leverde hem een reputatie op van een sterke krijger-koning.Hij had drie kinderen uit zijn eerste huwelijk met Ingebjorg Finnsdotter, nicht van Olaf II van Noorwegen, waarvan de oudste zoon Duncan de troonopvolger was. Ingebjorg was eerder gehuwd met Thorfinn Sigurdsson, earl van Orkney. Door de invasie van de Normandiërs in 1066 vluchtten veel Engelsen naar Lothian, waaronder Edgar Ætheling, de Angelsaksische opvolger van de Engelse troon. Malcolm III trouwde diens zus Margaretha in 1069. Onder invloed van zijn vrouw en de andere Angelsaksische vluchtelingen, voerde Malcolm III vele wijzigingen door in Schotland die de Keltische tradities ondermijnden. Zo romaniseerde hij de Keltische kerk, maakte Gaelisch tot de taal van het hof en verving het clansysteem door een vorm van feodalisme. Malcolm stichtte eveneens een abdij op de locatie waar in 1128 David I Dunfermline Abbey stichtte. In 1072 viel Willem de Veroveraar Schotland binnen. Bij Abernathy moest Malcolm III zijn hoofd buigen voor Willem de Veroveraar en moest zijn zoon Duncan als gijzelaar naar het Engelse hof sturen. Malcolm ontving in ruil goederen in Engeland. Dit weerhield hem er niet van nog meerdere malen Engelse opstandelingen te steunen en Engelse bezittingen te plunderen. In 1080 kwam de bisschop van Durham hierbij om het leven. Steeds moest Malcolm weer het oppergezag van de Normandiërs erkennen. Na mislukte besprekingen over de status van zijn Engelse bezittingen ondernam hij zijn vijfde inval in Engeland. Op 13 november 1093 werd Malcolm III bij Alnwick Castle in een hinderlaag gelokt door Robert de Mowbray, graaf van Northumbria, waarbij hij de dood vond. Zijn vrouw stierf drie dagen later in Edinburgh Castle. Malcolm werd begraven in Tynemouth Priory. In 1250 werd hij na de canonisatie van zijn vrouw Margaretha met haar herbegraven in Dunfermline Abbey. In 1597 werden ze samen herbegraven in het Escorial.Malcolm en Ingebjorg kregen de volgende kinderen:

Duncan II van Schotland

Donald


Malcolm en Margaretha kregen de volgende kinderen:

Eduard, vermoord te Alnwick Castle op 13 november 1093

Edmund, koning van SchotlandEdgar van Schotland, 1074 – 1107Alexander, ca 1078 – 1124

Ethelred, lekenabt van Dunkeld

Edith, 1080 – 1118. Gehuwd met Hendrik I van Engeland 

David, ca 1084 – 1153.

Maria, 1082 – 1116. Gehuwd met Eustaas III van Boulogne.



MARGARETHA VAN ENGELAND (Koos' Edelstambetovergrootmoeder) werd geboren op 8 september 1045, in Wessex, England, als kind van Edward Wessex en Agatha van Hongarije, zoals getoond in stamboom 1044. Zij is gestorven op 16 november 1093, 48 jaar oud, in St Margaret's Chapel in Edinburgh Castle, Midlothian, Scotland. Zij werd begraven in Dunfermlin Abbey, Dunfermline, Fife, Scotland.

Margaretha van Engeland (geboren Rékaburcht bij Mecseknádasd in Hongarije, ca. 1045 – Edinburgh (Schotland), 16 november 1093) was een dochter van Edward Ætheling, zoon van koning Edmund II van Engeland (1016 – 1017) en de zuster van Edgar Ætheling, ongekroond Angelsaksisch koning. Haar moeder was Agatha, een dochter van koning Stefanus I van Hongarije en Gisela van Beieren. Zij was gehuwd met Malcolm III.







GODFRIED VAN PERCHE II (Koos' Edelstambetovergrootvader) werd geboren in 1050 als kind van Rotrud van Mortagne II en Adelheid van Belleme, zoals getoond in stamboom 1045. Hij is gestorven in 1100, ongeveer 50 jaar oud. 

Godfried II van Perche (overleden in oktober 1100) was van 1080 tot aan zijn dood graaf van Perche. Godfried II was de oudste zoon van graaf Rotrud II van Perche, eveneens burggraaf van Châteaudun, en diens echtgenote Adelise, dochter van heer Guérin van Domfront. In 1066 nam hij deel aan de verovering van Engeland door hertog Willem de Veroveraar van Normandië. Ook vocht hij mee in de Slag bij Hastings. Als dank hiervoor kreeg hij van Willem aanzienlijke bezittingen in Engeland. Na de dood van zijn vader in 1080 werden diens gebieden verdeeld tussen Godfried en zijn broers. Godfried erfde het graafschap Perche en de heerlijkheid Nogent-le-Rotrou, zijn broer Hugo III verwierf het burggraafschap Châteaudun en zijn andere broer Rotrud kreeg de heerlijkheid Montfort-le-Rotrou. Godfried en zijn broers raakten betrokken in een landdispuut met Robert II van Bellême. Ze vielen twee keer diens domeinen aan, eerst alleen en daarna met de hulp van graaf Eli I van Maine, maar daarbij leden ze telkens een nederlaag. Godfried wijdde zich vanaf dan aan religieuze bezigheden; zo stichtte hij de eerste leprozenkolonie in Perche. Hij overleed in 1100.

Godfried was gehuwd met Beatrix van Ramerupt, dochter van graaf Hilduin IV van Montdidier. Ze kregen volgende kinderen:

Rotrud III (1080-1144), graaf van Perche

Margaretha (overleden na 1156), huwde rond 1100 met Hendrik van Beaumont, graaf van Warwick

Juliana (overleden na 1132), huwde met heer Gilbert van Aigle

Mathilde (overleden in 1143), huwde eerst met burggraaf Raymond I van Turenne en daarna met heer Gwijde IV van Lastours






GODFRIED VAN BOUILLON (Koos' Edelstambetovergrootvader) werd geboren op 18 september 1060, in Boulogne-sur-Mer, Dpt. Pas-de-Calais, France, als kind van Eustaas van BOULOGNE II en Ida van Boulogne10020, zoals getoond in stamboom 1057. Godfried werd Lord of Lorraine, Duque de la Baja Lorena - Defensor del Santo Sepulcro, Comte, de Verdun, Duc, de Lotharingie, de Basse-Lotharingie, Roi, de Jérusalem, Lord, de Carshalton.  Hij is gestorven op 18 juli 1100, 39 jaar oud, in Jerusalem, Israel. Hij werd begraven in Church of the Holy Sepulchre, Old City (Jerusalem), Kingdom of Jérusalem.

Godfried van Bouillon (Frans: Godefroy; Duits: Gottfried; Latijn: Godefridus Bullionensis) (Boulogne-sur-Mer of Baisy-Thy, 18 september 1060 – Jeruzalem, 18 juli 1100) was van 1089 tot zijn dood (als Godfried IV) hertog van Neder-Lotharingen en een van de leiders van de Eerste Kruistocht. Hij werd tevens uitgeroepen tot de eerste koning van het koninkrijk Jeruzalem, maar weigerde die titel. Hij prefereerde de titel, voogd of verdediger van het heilige graf (in het Latijn: Advocatus Sancti Sepulchri). Hij staat tevens bekend als "Baron van het heilige graf" en "Koning der kruisvaarders". Godfrieds ouders waren graaf Eustaas II van Boulogne en Ida van Verdun. Hij was een afstammeling van Karel de Grote. Zijn moeder was een zuster van hertog Godfried met de Bult van Neder-Lotharingen, die hem in 1076 had aangeduid als zijn erfgenaam. Keizer Hendrik IV van het Heilige Roomse Rijk echter besloot het hertogdom aan zijn eigen zoon Koenraad te geven en enkel Bouillon en het markgraafschap Antwerpen aan Godfried. In 1089 kreeg Godfried dan toch het hertogdom in handen, als beloning voor zijn diensten in de oorlog van de keizer tegen de Saksen en tegen paus Gregorius VII. Godfried sprak Oudnederlands zoals zijn voorouders en Oudfrans. Godfried zou al op jonge leeftijd vertrokken zijn vanuit Boulogne naar Bouillon; sommigen beweren voor zijn gezondheid (hij zou als kind vaak ziek geweest zijn) en de bossen van de Ardennen zouden hem goed doen. Daar werd hem geleerd hoe hij met wapens moest omgaan en hij werd voorbereid als leider van zijn toekomstig domein. Godfried was 16 toen zijn kinderloze oom Godfried III (met de Bult), die hem zijn erfenis had toegezegd, overleed, maar hij kreeg alleen de zeggenschap over Bouillon en het markgraafschap Antwerpen. Zijn tante, Mathilde van Toscane, die in een eerste huwelijk getrouwd was geweest met Godfried III, probeerde Godfried op slinkse wijze van zijn zetel te lichten. Ze had hiervoor de hulp ingeroepen van de graaf Albert III van Namen. Dit mislukte echter. In 1080 trok keizer Hendrik IV ten oorlog tegen paus Gregorius VII. Als trouwe vazal sloot Godfried zich bij de keizer aan en trok mee op naar Rome. Deze slag werd in 1084 gewonnen door het leger van Hendrik IV. Rome brandde gedeeltelijk af. Gregorius VII werd verdreven en afgezet. (Zie ook Investituurstrijd). Godfried werd in 1089 alsnog benoemd tot hertog van Neder-Lotharingen. Hij deed belangrijke schenkingen aan verschillende kloosters, zoals het Sint-Michielsklooster (de latere Sint-Michielsabdij) te Antwerpen, de abdijen van Munsterbilzen, Genepiën en Gorze. In het klooster te Antwerpen richtte hij ook drie kapellen op, gewijd aan Sint-Maarten, aan Maria Magdalena en aan de heiligen Marcellinus en Petrus. In 1095 werd het Concilie van Clermont gehouden. Paus Urbanus II en Pieter de kluizenaar riepen op tot het houden van een kruistocht ter bevrijding van Jeruzalem. Godfried gaf hieraan onmiddellijk gevolg. Hij verkocht en verpandde (vooral aan de prins-bisschop van Luik) al zijn bezittingen, inclusief de burcht van Bouillon.

Eerste Kruistocht

In augustus 1096 sloot hij zich, samen met zijn broers Eustaas en Boudewijn van Boulogne (de latere Boudewijn I van Jeruzalem), aan bij de Eerste Kruistocht en vertrok met een leger van 40.000 man, dat onderweg nog aangevuld werd met heren en ridders, maar ook veel avonturiers, tot een leger van 100.000 man. Jeruzalem werd in 1099 veroverd, de stad en haar inwoners (moslims, joden, oosterse christenen) werden daarbij blootgesteld aan plunderingen, moorden, verkrachtingen en vernielingen. Deze acties waren een bewuste strategie van terreur om de vijand van angst te verlammen. In november 1096 was Godfried de eerste van de kruisvaarders die in Constantinopel aankwam en hij raakte al snel in een conflict verwikkeld met Alexius I van Byzantium, die erop stond dat de kruisvaarders een eed van trouw aan hem zouden zweren. Hij wilde de kruisvaarders pas overzetten als ze hem als leenheer zouden erkennen over alle te veroveren gebieden. Godfried weigerde eerst maar gaf dan uiteindelijk toch toe in januari 1097. Godfried was ook de eerste bij de verovering van Nicea (het tegenwoordige Iznik). In deze stad waren vooraf al kruisvaarders aangekomen, vooral boeren en dieven, maar die waren in de minderheid en werden verdreven door de Seltsjoeken. Godfried wist alsnog de stad te veroveren tijdens het Beleg van Nicea. De legers van Raymond van Toulouse en Bohemund van Taranto sloten zich al gauw aan. Het leger zou rond de Bosporus uitgroeien tot zo'n 300.000 man. Over de grootte van de legers wordt door historici nog steeds gediscussieerd; sommigen reduceren het leger tot circa 30.000 manschappen.

Bolwerken van Klein-Azië

Er is nog maar weinig bekend over de lotgevallen van de kruisvaarders in Klein-Azië. Wel is bekend dat Bohemund de grote strateeg was achter het slechten van de bolwerken van Klein-Azië. De grootste veldslag was de Slag bij Dorylaeum (1097). Dit is na de Eerste Kruistocht nooit meer gelukt; bij de volgende kruistochten stak men meestal de Middellandse Zee over. De christenen veroverden ook steden als Turbessel, Konya en Tarus. De staat Cilicië, in het zuidoosten van wat nu Turkije is, werd grotendeels beroofd van zijn rijkdommen. De kruisvaarders werden steeds onverwacht aangevallen door de Seltsjoeken, die ver in de minderheid waren, en daarom hun toevlucht hadden genomen tot guerrillatactiek om het christenleger uit te dunnen.

In 1098 veroverden de kruisvaarders Antiochië, na het Beleg van Antiochië, en ontstond er verdeeldheid over wie de stad in bezit zou krijgen. Het werd uiteindelijk Bohemund van Tarento. Raymond IV van Toulouse, die op dat moment beschouwd werd als leider van de kruistocht, aarzelde om naar Jeruzalem op te rukken. De kruisvaarders verbleven de rest van het jaar 1098 in Antiochië. Boudewijn van Boulogne trok naar het oosten, naar Edessa en maakte er na de dood van de Armeense prins Thoros zijn eigen graafschap van. Godfried kon begin 1099 niet meer wachten op Raymond en besloot met een groot gedeelte van het leger op te rukken naar Jeruzalem, dat in handen was van de Egyptische Fatimiden.

Verovering van Jeruzalem

Begin juli bereikten de kruisvaarders de stad Jeruzalem om vervolgens het Beleg van Jeruzalem te beginnen. Volgens de schrijver Robert de Monnik bestond het leger toen nog maar uit 50.000 man doch historici reduceren dit tot 15.000 eenheden. Velen waren omgekomen in Klein-Azië, maar er keerden ook velen weer huiswaarts, zoals Steven van Blois en Hugo I van Vermandois. Uiteindelijk sloten er nog enkele duizenden burgers en geronselde soldaten aan vanuit Antiochië. Op 15 juli 1099 viel Jeruzalem en was Godfried met zijn broer Eustaas een van de eerste kruisvaarders die de stad binnentraden. Er werden leuzen geroepen als: "God wil het" (vulgair Latijn: Deus lo vult of Frans "Dieu le veut") en "Wij zijn de bevrijders". De verovering onder leiding van Tancred van Normandië, waarbij alle moslims en joden uitgemoord werden, leeft nog altijd voort in het collectieve geheugen van de islamitische wereld. Op 22 juli weigerde Raymond koning van Jeruzalem te worden, omdat hij zich niet aan de kerk wilde onderwerpen en op 17 juli 1099 werd Godfried in zijn plaats gekozen gekozen tot Verdediger van het Heilig Graf. Godfried weigerde tot koning gekroond te worden in de stad waar Jezus een doornenkroon had gedragen, maar aanvaardde wel de titel Advocatus Sancti Sepulchri (beschermer van het Heilig Graf).

Heerser van Jeruzalem

In het daaropvolgende jaar moest hij het koninkrijk Jeruzalem verdedigen tegen de Egyptische Fatimiden, die bij Ashkelon verslagen werden, en tegen Dagobert van Pisa en de patriarch van Jeruzalem die van het koninkrijk een theocratie onder leiding van de paus wilden maken. In 1100 kwamen Akko, Ashkelon, Arsuf, Jaffa, en Caesarea onder zijn gezag. Dagobert slaagde erin om een bestand af te dwingen; het koninkrijk zou verhuizen naar Caïro wanneer Egypte veroverd werd, en Jeruzalem en Jaffa zouden aan de kerk gegeven worden. Godfried stierf echter in juli 1100, zonder Egypte veroverd te hebben, en Dagobert moest toestaan dat Godfrieds broer Boudewijn van Boulogne op 25 december 1100 tot koning gekroond werd. Godfrieds vroeg-12e-eeuwse cenotaaf in de Heilig Grafkerk van Jeruzalem werd in 1808 vernield. België probeerde het monument vergeefs te herstellen, onder meer door tussenkomst van Eduard Blondeel Van Cuelebroeck. Godfrieds vroeg-12e-eeuwse cenotaaf in de Heilig Grafkerk van Jeruzalem werd in 1808 vernield. België probeerde het monument vergeefs te herstellen, onder meer door tussenkomst van Eduard Blondeel Van Cuelebroeck.

Tijdlijn (1099-1101)

Een overzicht van het jaar dat Godfried over Jeruzalem heerste en tevens zijn laatste levensjaar.

15 juli 1099 - De stad Jeruzalem viel in handen van de kruisvaarders

17 juli 1099 - Godfried werd gekroond als beschermer van het Heilige Graf, en werd heerser over het rijk van Jeruzalem

Augustus 1099 - Godfried verdedigde het rijk tegen de Fatimiden uit Egypte en versloeg ze bij Ascalon

September 1099 - kwam in conflict met Dagobert, de patriarch van Jeruzalem

Februari 1100 - De steden Akko en Arsuf werden veroverd door de kruisvaarders

Maart 1100 - De stad Jaffa werd veroverd

Mei 1100 - Er werden plannen gemaakt om Egypte binnen te vallen

Juni 1100 - Caesarea werd veroverd, maar men ondervond veel weerstand

18 juli 1100 - Godfried overleed in Caesarea, waarschijnlijk na vergiftigd te zijn. (Aan de datum van overlijden wordt nog getwijfeld)

25 december 1100 - Godfrieds broer Boudewijn volgde hem op als eerste koning van Jeruzalem

1101 - keizer Hendrik IV verleent pas een jaar na het overlijden van Godfried de hertogelijke titel aan Hendrik I van Limburg

Zijn dood

Bij de verovering op Akko zou Godfried volgens de Arabische schrijver Ibn al-Qalanisi getroffen zijn door een pijl en daaraan uiteindelijk in Jeruzalem overleden zijn. Maar de westerse schrijvers Albert van Aken en Ekkehard van Aura maken daar geen melding van. Volgens hen zou Godfried tijdens zijn verblijf aan het hof van Caesarea vergiftigd zijn door de emir van die stad. Andere bronnen melden de pest als oorzaak. Tijdens een wandeling net buiten de stad zou hij op een rotsblok het bewustzijn hebben verloren om later in Jeruzalem te overlijden. Nog voor hij stierf gaf Godfried opdracht aan zijn broer Eustaas, die naar huis zou terugkeren, drie relikwieën van het Heilig Bloed van Jezus mee te nemen om ze te schenken aan de steden Boulogne-sur-Mer, Lens (Frankrijk) en Antwerpen. Zijn stoffelijk overschot zou begraven zijn in de Heilig Grafkerk op Golgotha.

De legendes

Omdat Godfried als eerste christen heerste over Jeruzalem werd hij in verscheidene vertellingen verheerlijkt en ontstonden er legendes over hem. Hij werd voorgesteld als de volmaakte christelijke ridder: groot van gestalte, een aangenaam uiterlijk, buitengewoon moedig in de strijd en zeer vroom. Zo vertelt men dat hij tijdens de Eerste Kruistocht na de verovering van een stad in Cicilea gevochten had met een beer die hij met de blote hand versloeg. Ook zou hij een kameel met één slag van zijn zwaard onthoofd hebben. Hij is ook opgenomen in de Van neghen den besten (omstreeks 1300), een beschrijving van negen historische helden. Godfried zou ook een afstammeling zijn van de Zwaanridder. Deze sage werd door Richard Wagner bewerkt tot de opera Lohengrin.

In Händels opera Rinaldo (1711) wordt Godfried betiteld als Gofreddo.

Godfried is ook een sleutelfiguur in de boeken Het heilige bloed en de heilige graal van Henri Lincoln en De Da Vinci Code van Dan Brown.

Trivia

Op 17 november 1986 werd een steen uit Bouillon bevestigd in de sacristie van de Franciscanen in de Heilig Grafkerk op Golgotha, op de plaats waar hij zou begraven zijn geweest.

Halverwege de jaren 1990 verscheen een vijfdelige stripreeks rond Godfried van Bouillon. De verhalen vertellen voornamelijk over de kruistocht.

In 2005 eindigde hij op plaats 17 in de Franstalige versie van Grootste Belg. In de Vlaamse versie werd hij nummer 132.

Presentator Jan Leyers maakte in 2001 in het spoor van zijn held Godfried van Bouillon per motor eenzelfde kruistocht voor zijn documentaireserie De Schaduw van het Kruis.






WOUTER VAN GRIMBERGEN (Koos' Edelstambetovergrootvader) werd geboren rond 1050. Hij is gestorven rond 1120, ongeveer 70 jaar oud.

Wouter was heer van Grimbergen en Mechelen, en voogd van Mechelen (1096-1110). Hij nam deel aan de Eerste Kruistocht. Na zijn thuiskomst ontgon hij grote gebieden ten noorden van Brussel en stichtte daar in 1110 (of 1128) de abdij van Grimbergen. Het kasteel van Grimbergen lag op een 13 m hoge motte, bij de kruising van de oude landweg van Brugge en Gent naar Brussel, met de Zenne, tegenover Vilvoorde. Wouter huwde later met Adeline van Boechout. Wouter I Berthout (ca. 1070 - na 1110) was een Brabants edelman en stamvader van het geslacht Berthout. Wouter is begraven in de abdij van Grimbergen.

Wouter was vader van:

Arnoud Berthout (ca. 1100 - voor 1140), weigerde een eed van trouw aan Godfried I van Leuven nadat die in 1128 uit de functie van hertog van Neder-Lotharingen was gezet. Dit vormde de aanleiding tot de latere Grimbergse Oorlogen. Vader van Wouter II Berthout.

Gerard van Ninove

Alveric

Lutgarde, getrouwd met Boudewijn III van Gent

Adelheid Berthouts, moeder van Dirk I van Altena (ca. 1120 - na 1189)









GRAAF ALMARIK VAN MONTFORT III (Koos' Edelstambetovergrootvader) werd geboren op 22 mei 1070, in Montfort, Yvelines, Île-De-France, France, als kind van Simon van Montfort I en Agnes van Montfort, zoals getoond in stamboom 990. Almarik werd about 1118 in Became Count Of Mortain And Evreux. Hij werd Graaf van Montfort, Heer van Montfort-Amaury. Almarik is gestorven op 19 april 1137, 66 jaar oud, in Évreux, Frankrijk.

Amalrik III van Montfort (overleden in 1137) was van 1101 tot aan zijn dood heer van Montfort-l'Amaury en vanaf 1118 graaf van Évreux. Hij behoorde tot het huis Montfort. Amalrik III was de jongste zoon van heer Simon I van Montfort uit diens derde huwelijk met Agnes, dochter van graaf Richard van Évreux. Na de dood van zijn oudere broer Simon II werd hij in 1101 heer van Montfort. Amalrik was een rechtstreekse vazal van koning Filips I van Frankrijk, de tweede echtgenoot van zijn zus Bertrada. De Franse koning wees hem enkele vestingen aan de grenzen van de koninklijke domeinen toe, maar dat hield Amalrik niet tegen om in 1098 de burcht van Houdan af te staan aan koning Willem II van Engeland, terwijl Filips I zich op veldtocht in Vexin bevond. Na de dood van Filips I in 1108 steunde hij zonder succes de troonaanspraken van Filips van Mantes, de zoon van Filips I en Bertrada van Montfort, tegen diens halfbroer Lodewijk VI. Na de dood van Roger II de Tosny rond 1091 en zijn broer Simon II in 1101 werd Amalrik III de belangrijkste erfgenaam van graaf Willem van Évreux, zijn oom langs moederkant. Toen die in 1118 was overleden, liet hij dan ook zijn aanspraken op Évreux gelden. Koning Hendrik I van Engeland, tevens hertog van Normandië, weigerde deze echter te erkennen en voegde Évreux bij Normandië. Amalrik verbond zich vervolgens met koning Lodewijk VI van Frankrijk, graaf Fulco V van Anjou en verschillende Normandische edelen om zijn erfenis met wapengeweld op te eisen. In oktober 1118 kon hij Évreux veroveren. In 1119 kon Hendrik I de stad opnieuw innemen en liet hij ze afbranden, maar hij slaagde er niet in om de citadel te veroveren, die door Amalriks mannen succesvol werd verdedigd. In oktober 1119 kwam het op het Concilie van Reims tot een compromis: Amalrik moest de citadel van Évreux afstaan aan koning Hendrik I van Engeland en kreeg in ruil het graafschap Évreux toegewezen. De relaties tussen Amalrik III en de koning van Engeland bleven echter niet lang vriendschappelijk. Onder andere de verhoging van het aantal koninklijke ambtenaren in zijn graafschap en de torenhoge belastingen zorgden ervoor dat Amalrik zijn neef Fulco V van Anjou overtuigde om diens dochter Sybille uit te huwelijken aan Willem Clito, de zoon van de vroegere Normandische hertog Robert Curthose en de voornaamste rivaal van Hendrik I van Engeland. Gelijktijdig verbond hij zich met enkele ontevreden Normandische edelen, waaronder Walram IV van Meulan, Willem van Roumare en Hugo III van Montfort-sur-Risle. In 1123 kwamen deze edelen in opstand, die in maart 1124 eindigde in een nederlaag. Amalrik vluchtte vervolgens naar het Île-de-France, maar onderwierp zich korte tijd later aan de Engelse koning en kon zo Évreux weer in bezit nemen. In 1126 probeerde hij, ditmaal met de steun van de Franse koning Lodewijk VI, opnieuw Willem Clito te helpen. Dit plan ging uiteindelijk niet door wegens onenigheid met Lodewijk VI. Amalrik III van Montfort overleed in 1137. Zijn oudste zoon Amalrik IV volgde hem op als graaf van Évreux en zijn jongere zoon Simon III werd heer van Montfort. Rond 1115 huwde Amalrik III met zijn eerste echtgenote Richildis, dochter van graaf Boudewijn II van Henegouwen, maar dit huwelijk werd in 1118 ontbonden wegens bloedverwantschap. Hetzelfde jaar hertrouwde hij met Agnes van Garlande, dochter van Anselm van Garlande, heer van Rochefort-en-Yvelines. Ze kregen volgende kinderen:

Agnes (overleden in 1181), huwde in 1141 met graaf Walram IV van Meulan

Amalrik IV (overleden in 1140), graaf van Évreux en heer van Montfort

Simon III (overleden in 1181), graaf van Évreux en heer van Montfort





STEPPO VAN VIGGEZELE (Koos' Edelstambetovergrootvader) werd geboren in 1112 als kind van Willem van Loo en Stephanie van Vienne, zoals getoond in stamboom 1087. Hij is gestorven in 1154, ongeveer 42 jaar oud.

Steppo was de schoonzoon van kastelein Wenemar van Gent (#7). Op de lijst van kruisvaarders opgesteld door le Glay, staat hij op de veertiende plaats. Zijn wapen combineert de tweekoppige adelaar met de Leeuw van Vlaanderen. Hij keerde terug uit het Heilige Land met genoeg goud voor de bouw van een prachtig kasteel, onlangs gerenoveerd en eigendom van de Vlaamse overheid. 

Reacties

Populaire posts van deze blog

Generatie van 8 maal oud-oud-grootouders met Jan Gerritsz van der Gracht en Claes de Canteleu, Guilielmus Gerardus van Arnhem, Koning jacobus van Engeland I, Willem V van Oranje

Generatie van 15 en 16 maal oud-oud-grootouders met Mathieu de Canteleu en zijn zoon Anseau die sneuvelde bij de slag van Azincourt en achter neven, hoofdrolspelers tijdens de honderd jarige oorlog en bij het ontstaan van de Nederlanden.

Generatie van 7 maal oud-oud-grootouders, Gerrit Jansz van der Gracht en Susanne de Canteleu, Godefridus van Arnhem, Koning Karel I van Engeland en koning Willem der nederlanden