Generatie van 31 maal oud-oud-grootouders, Keizer Otto I van het heilige Roomse Rijk en zijn vrouw Adelaide, Wifried van Barcelona I, koning Ethelwulf van Wessex, Hertog Vratislav van Bohemen I, Koning Malcolm van Alba I, Koning Edmund van Engeland I en Pepijn van Vermandois II
HERTOG, KONING EN KEIZER OTTO I VAN DUITSLAND (Koos' Vorvader) werd geboren op 23 november 912, in Wallhausen, Sachsen-Anhalt (D), als kind van Hendrik van Saksen en Mathilde van Ringelheim, zoals getoond in stamboom 1333. Otto werd „de Grote” genoemd. Otto werd Kaiser des Heiligen Römischen Reiches, Rei da Alemanha e da Itália (962 - 973), Duke of Saxony. Hij is gestorven op 7 mei 973, 60 jaren oud, in Memleben (D). Hij werd begraven in mei 973 in Dom zu Madgeburg, Hzgt Sachsen.
Otto huwde 2 maal. Hij huwde met Edith van Duitsland (zijn achter-achter-achternicht, 1 gen. verwijderd,) en Adelaide of Italia.
Otto I de Grote (Wallhausen (Saksen-Anhalt), 23 november 912 - Memleben, 7 mei 973), zoon van Hendrik de Vogelaar en Mathildis van Ringelheim, was Hertog van Saksen, Koning van Duitsland, Koning van Italië, en "de eerste van de Duitse vorsten die keizer van Italië werd genoemd" volgens Arnulf van Milaan. Nadat Karel de Grote in 800 tot keizer werd gekroond, werd zijn rijk in de 9e eeuw onder zijn kleinzonen verdeeld en was de keizerlijke titel, na de moord op Berengarius I van Friuli in 924, bijna veertig jaar vacant, voordat Otto de Grote op 2 februari 962 tot keizer werd gekroond van wat later het Heilige Roomse Rijk zou worden genoemd. In 929 trad Otto in het huwelijk met de Engelse prinses Editha van Wessex, de halfzuster van de Angelsaksische koning Aethelstan. Bij deze gelegenheid schonk hij haar Maagdenburg als morgengave (bruidsschat). In 936 volgde Otto zijn vader op als koning van de Duitsers en hertog van Saksen. Hij regelde dat zijn kroning gehouden werd in Aken, de voormalige hoofdstad van Karel de Grote. Daar werd hij op 7 augustus van dat jaar door aartsbisschop Hildebert van Mainz, de primaat van de Duitse kerk, tot koning gekroond in de Aula Regia van het Akener koningspalts. Volgens de Saksische historicus Widukind van Corvey werd hij op zijn kroningsbanket bediend door de vier andere hertogen van het rijk: de hertogen van Franken, Zwaben, Beieren en Lotharingen. Arnulf I van Beieren trad op als maarschalk (of opperstalmeester), Herman I van Zwaben als hoofdschenker, Everhard III van Franken als logistiek hoofd van de huishouding (of seneschalk), en Giselbert II van Maasgouw als kamerheer. Vanaf het begin van zijn regeerperiode positioneerde hij zich als de opvolger van Karel de Grote, wiens directe lijn van opvolgers in Oost-Frankenland in 911 was uitgestorven. De Duitse kerk, met zijn machtige bisschoppen en abten, stond achter hem. Vanuit zijn machtspositie slaagde Otto er in de kerk voor zijn eigen agenda in te zetten. Hij gebruikte deze enige verenigende institutie in de Duitse landen om een instelling van theocratische keizerlijke macht te vestigen. De kerk bood rijkdom, militaire mankracht en haar monopolie in geletterdheid. In ruil bood de keizer de kerk bescherming tegen de edelen, de belofte van dotaties, en een weg naar de macht als zijn ministerialen. De politiek van Otto was een radicale breuk met de politiek van zijn vader die zich naar de hertogen toe altijd als eerste onder zijn gelijken had opgesteld. Otto behandelde de hertogen duidelijk als zijn ondergeschikten. Otto maakte nog meer vijanden door het erfdeel van zijn halfbroer Thankmar en zijn broer Hendrik sterk te reduceren. Ook passeerde hij de zonen van de hoge Saksische adel bij benoemingen, ten gunste van zijn medestanders. Otto had een grote meevaller toen in 938 in Rammelsberg in Saksen een rijke zilverader werd ontdekt. De opbrengsten stelden Otto in staat om tijdens zijn regeerperiode zijn militaire activiteiten te financieren; de vondst was zelfs zo groot dat een groot deel van het in Europa gebruikte zilver, koper en lood zo'n tweehonderd jaar uit Saksen kwam. Na de dood van Siegfried, graaf van Merseburg, 937, maakte Thankmar aanspraak op Merseburg. Otto benoemde echter, Gero, de broer van de gestorven Siegfried, als de nieuwe graaf van Merseburg. Na de dood van Arnulf I van Beieren in 938, weigerde zijn zoon Eberhard om Otto hulde te betuigen omdat die hem niet wilde toestaan zelf bisschoppen te benoemen - een recht dat Arnulf wel had gehad. Otto reageerde met twee campagnes in 938, tijdens de lente en de herfst, versloeg Eberhard en verbande hem. Berthold I van Beieren, de broer van Arnulf, voorheen hertog van Karinthië werd de nieuwe hertog van Beieren. Berthold zag niet alleen af van het recht op de benoeming van bisschoppen maar gaf ook het gebruiksrecht van de koningsgoederen in Beieren op, dat Arnulf wel had gehad. In datzelfde jaar kreeg Otto een conflict met Everhard III van Franken over diens juridische bevoegdheden. Everhard sloot een verbond met Thankmar en aantal ontevreden Saksische edelen onder leiding van Wichmann de Oudere. Zij begonnen een opstand met als doel om Thankmar tot koning uit te roepen. De opstandelingen veroverden Belecke en namen daar Otto's broer Hendrik gevangen. Daarna veroverden ze de historisch betekenisvolle Eresburg (nu in de stad Marsberg). Otto stuurde een groot leger naar de Eresburg en de aanblik van deze overmacht was voor de opstandelingen reden om zich over te geven. Thankmar vluchtte in de kerk en deed bij het altaar een beroep op de bescherming die vluchtelingen traditioneel in de kerk hadden. Desondanks werd hij ter plekke gedood, wat in de middeleeuwen als een heiligschennis werd gezien. De Saksische edelen verzoenden zich met Otto en Everhard werd kort gevangengezet maar daarna weer vrijgelaten. Direct na zijn vrijlating begon Everhard een nieuwe samenzwering, nu met Hendrik en Giselbert, de hertog van Lotharingen. Doel was nu om Hendrik tot koning uit te roepen. In 939 huldigde Giselbert Lodewijk IV van Frankrijk, in de hoop zijn steun te krijgen tegen Otto I. Hendrik veroverde Merseburg, waarna hij opmarcheerde om zich in Lotharingen bij Giselbert aan te sluiten. Otto versloeg de opstandelingen echter bij Xanten. Hij belegerde ze vervolgens in het kasteel van Chevremont in de buurt van Luik. Hij was gedwongen om dit beleg af te breken om op te trekken tegen Lodewijk IV van Frankrijk, die intussen Verdun had bezet. Otto dreef Lodewijk terug naar zijn hoofdstad Laon. Otto belegerde vervolgens Everhard in het fort van Breisach am Rhein. Gedurende deze tijd sloot Frederik, aartsbisschop van Mainz, zich aan bij Hendrik en Giselbert in hun strijd tegen Otto. Giselbert en Everhard trokken plunderend rond door de bezittingen van aanhangers van Otto. Een leger, onder leiding van Konrad Kurzbold, de graaf van Nederlahngouw, en zijn neef Udo, graaf van de Wetterau en de Rijngouw, ontmoette het leger van de opstandige hertogen in de slag bij Andernach. Everhard werd in de strijd gedood en Giselbert verdronk in de Rijn. Hiermee was de strijd verlopen. Otto steunde Hugo de Grote en zijn bondgenoten in hun conflicten met Lodewijk IV. Hendrik werd door Otto tot hertog van Lotharingen benoemd maar moest die positie in 941 opgeven omdat hij niet in staat was zijn gezag als hertog te doen gelden. Hendrik zocht direct weer contact met mogelijke opstandelingen maar Otto en Hendrik verzoenden zich met elkaar dankzij de inspanningen van hun moeder, Mathildis van Ringelheim. Mathildis en Otto verzoenden zich ook met elkaar, Mathildis had namelijk steeds de zaak van Hendrik gesteund. Het volgende jaar trok Otto zich door bemiddeling van zijn zuster Gerberga van Saksen uit Frankrijk terug en erkende Lodewijk zijn heerschappij over Lotharingen. Controle Om verdere opstanden te voorkomen, arrangeerde Otto het zo dat alle belangrijke hertogdommen binnen het Duitse rijk in handen kwamen van naaste familieleden. Het vacante hertogdom Franken behield hij als een leengoed, terwijl hij het hertogdom Lotharingen in 944 aan Koenraad de Rode, een neef van Koenraad I, toewees, die later zou trouwen met zijn dochter Liutgard. In 947, na de dood van Hertog Berthold, gaf hij het hertogdom Beieren in leen aan zijn broer Hendrik. Ondertussen arrangeerde hij voor zijn zoon Liudolf een huwelijk met Ida, de dochter van hertog Herman I van Zwaben. Het paar erfde het hertogdom na de dood van Herman I van Zwaben in 947. Een soortgelijke regeling leidde er toe dat Hendrik in 949 hertog van Beieren werd. In 946 benoemde Otto Liudolf tot zijn opvolger. Buitenlandse politiek In 937 vestigde Otto een protectoraat over het koninkrijk Bourgondië en liet de minderjarige koning Koenraad van Bourgondië aan zijn hof verblijven. De verhouding met West-Francië werd bepaald door de rol van koning Lodewijk in de opstand van 939. Na de dood van hertog Giselbert had Lodewijk bovendien diens weduwe Gerberga getrouwd, Otto's zuster. Dit was zeer tegen de zin van Otto die haar aan Berthold van Beieren had willen uithuwelijken. Daarnaast was Otto's zuster Hedwig met Hugo de Grote getrouwd. Nadat Lodewijk zich onder druk van Otto uit Lotharingen had moeten terugtrekken, viel Otto diens koninkrijk binnen. Hugo de Grote, Herbert II van Vermandois en hun aanhangers, erkenden Otto als koning. Door bemiddeling van Gerberga werd in 942 te Visé echter een vrede gesloten waarbij Lodewijk zijn aanspraken op Lotharingen opgaf. In 945 kwam Otto Lodewijk te hulp tegen de Normandiërs en veroverde Reims voor Lodewijk. De belegering van Rouen was echter een grote mislukking. In 948 was hij gastheer van de synode van Ingelheim die tot doel had om de twisten tussen Lodewijk en Hugo te beslechten. De dood van Hendrik de Vogelaar was voor de Slavische stammen een signaal om tegen de keizerlijke macht in opstand te komen. In 936 kwamen de Redarii in opstand, maar deze opstand werd neergeslagen door Hermann Billung. In 937 voerden de Mayaren raids in Saksen uit, maar Otto wist deze af te slaan. Toen Otto in oorlog was met zijn vazallen, gebruikten de Magyaren deze gelegenheid voor nieuwe invallen in Duitsland, maar dit moesten zij met twee bloedige nederlagen in de Harz bekopen, eerst in de buurt van Stetternburg en daarna in de Drömling. In 944 vielen de Magyaren het rijk opnieuw binnen, maar nu werden zij in Karinthië door hertog Berthold verslagen. In 950 versloeg Hendrik I van Beieren de Magyaren toen deze Beierenbinnenvielen. In 950 leidde Otto een expeditie naar Bohemen, waar hij als opperheerser werd erkend door hertog Boleslav I van Bohemen. Al in 945 had Otto de machtige Italiaanse edelman Berengarius van Ivrea onderdak geboden toen zijn leven werd bedreigd door koning Hugo van Arles. Otto had Berengar gesteund om met een leger Italië binnen te vallen en de macht te grijpen, hoewel Hugo's zoon Lotharius van Arles formeel de koning was. Bij de dood van Lotharius in 950, mogelijk door vergiftiging, riep Berengarius zichzelf uit tot koning. Hij probeerde om Adelheid, de weduwe van Lotharius, te laten trouwen met zijn zoon Adalbert om zo eigen positie en later die van zijn zoon, te legitimeren. Adelheid slaagde er echter in naar Canossa te vluchten en verzocht Duitse hulp. Om te profiteren van de situatie vielen Luidolf en Hendrik, onafhankelijk van elkaar, Noord-Italië binnen. Doordat ze vooral elkaar tegenwerkten, lukte het niet om Berengarius te onderwerpen. In 951 kwam Otto zelf naar Italië. Hij ontving het eerbetoon van de Italiaanse adel, nam de titel "Koning van de Lombarden" aan en liet zich, na een succesvolle belegering van Pavia, in navolging van Karel de Grote kronen tot 'koning van de Franken en Longobarden'. Liudolf voelde zich gebruuskeerd door het optreden van zijn vader en was toen al boos naar huis teruggekeerd. Ondertussen had Koenraad de Rode succesvol onderhandelingen gevoerd met Berengarius, die in 952 met zijn zoon Adalbert aan Otto een eed van trouw aflegde. Otto stond (volgens de overeenkomst) Berengarius toe om Italië als zijn vazal te regeren maar dwong hem wel om het strategische Verona en Aquileia af te staan. Dit verzekerde Otto van een veilige toegang tot de Po-vlakte. Maar deze bepaling maakte geen deel uit van de overeenkomst die door Koenraad was onderhandeld. En ook Koenraad was nu diep beledigd door Otto. In oktober 951 trouwde Otto (inmiddels al vijf jaar weduwnaar) in Pavia met Adelheid. Nadat Adelheid hem een zoon had gebaard, vreesde Liudolf voor zijn positie als erfgenaam van Otto. In 953 kwam hij samen met Koenraad de Rode en Frederik, de aartsbisschop van Mainz in opstand. De bisschop was uit Otto's gunst omdat het hem niet gelukt was om Otto tot keizer te laten kronen. Otto wist snel Lotharingen te onderwerpen en benoemde zijn broer Bruno tot hertog, die al aartsbisschop van Keulen en aartskanselier en aartskapelaan van Otto was. Otto leed echter grote verliezen bij zijn aanvallen op Mainz en Regensburg. Koenraad en Liudolf maakten daarop echter een beslissende fout door een bondgenootschap aan te gaan met de Magyaren. Uitgebreide Magyaarse invallen in Zuid-Duitsland in 954 dwongen de Duitse edelen zich te herenigen. Op de Rijksdag van Auerstadt werden Koenraad en Liudolf ontdaan van hun titels en werd het gezag van Otto I hersteld. Koenraad en de bisschop van Mainz onderwierpen zich op de rijksdag aan Otto, en werden vergeven. Liudolf gaf het uitgehongerde Regensburg op in ruil voor een vrije aftocht. Korte tijd later onderwierp ook hij zich aan Otto, en werd door hem vergeven. Toen de opstand was onderdrukt, was Otto in staat om op 10 augustus 955 de Magyaren bij de Lechveld een beslissende nederlaag toe te brengen. Na deze nederlaag waren de Magyaren niet meer in staat tot invallen in Beieren en Saksen. Twee maanden later, op 16 oktober 955, versloeg Hermann Billung, Otto's plaatsvervanger in Saksen, de Obodriten die de opstand van Liudolf hadden ondersteund. Otto's positie in Duitsland stond na de slag op het Lechveld niet meer ter discussie. Ondertussen had Berengarius gebruik gemaakt van Otto's problemen in Duitsland om zich steeds onafhankelijker op te stellen. Ook had hij Verona en Aquileia weer bezet. Toen Berengarius in 960 het noorden van de Kerkelijke Staat bezette, vroeg Paus Johannes XII Otto om hulp. Otto benoemde zijn jonge zoon Otto tot medekoning en vertrok naar Italië. Op 2 februari 962 werd hij in Rome, wederom naar voorbeeld van Karel de Grote, door de paus tot keizer gekroond. Zie Translatio imperii. Tien dagen later ratificeerden de paus en de keizer de Diploma Ottonianum, op grond waarvan de keizer zich borg stelde voor de onafhankelijkheid van de pauselijke staten. Dit was de eerste daadwerkelijke garantie van een dergelijke bescherming sinds het Karolingische Rijk. Nadat Otto Rome had verlaten, heroverde hij de kerkelijke staat op Berengarius. Berengarius en zijn vrouw werden verbannen naar Duitsland. Paus Johannes werd echter bang van de macht van de keizer en stuurde gezanten naar de Magyaren en het Byzantijnse Rijk om een liga tegen Otto te vormen. In november 963 keerde Otto naar Rome terug en riep een synode van bisschoppen bijeen die Johannes afzette op beschuldiging van afvalligheid, moord, woordbreuk en incest. Vervolgens werd Leo VIII, op dat moment nog een leek, tot paus gekozen. Toen de keizer Rome verliet, brak er in de stad een burgeroorlog uit tussen aanhangers van de keizer en aanhangers van de afgezette paus Johannes. Paus Johannes kwam na hevige strijd weer aan de macht en excommuniceerde degenen die hem hadden afgezet, waardoor hij Otto dwong om in juli 964 voor de derde keer terug te keren naar Rome om nu Paus Benedictus V te onttronen (paus Johannes was twee maanden eerder gestorven). Bij deze gelegenheid dwong Otto de burgers van Rome een belofte af om geen paus te kiezen zonder keizerlijke goedkeuring. In 966 was Otto korte tijd in Duitsland en werd door Mieszko I van Polen als koning gehuldigd. Daarna keerde hij weer terug naar Italië om af te rekenen met Berengarius' zoon Adelbert. In 967 gaf hij het hertogdom Spoleto aan Pandulf IJzerhoofd, prins van Benevento en Capua, een machtig bondgenoot in Zuid-Italië. In het volgende jaar (968) liet Otto Bari belegeren onder leiding van Pandulf, maar die werd in de slag van Bovino gevangengenomen door de Byzantijnen. Otto begon daarop vredesonderhandelingen met het Byzantijnse Rijk en probeerde een huwelijk te arrangeren tussen zijn zoon Otto en een Byzantijnse prinses. In 972 erkende de Byzantijnse keizer Johannes I Tzimiskes Otto's keizerlijke titel en stemde hij in met een voorgenomen huwelijk tussen Otto II en de jonge Byzantijnse prines Theophanu. Pandulf werd vrijgelaten uit gevangenschap. Otto stierf op 7 mei 973 in Memleben. Zijn zoon Otto werd zijn opvolger. De keizer ligt, samen met zijn eerste vrouw, Edith van Wessex, begraven in de dom van Magdeburg die ze samen hadden gesticht. Als een belangrijk element van zijn binnenlands beleid streefde Otto naar een versterking van de macht van de kerkelijke autoriteiten, voornamelijk bisschoppen en abten, dit ten koste van de seculiere adel die zijn eigen macht bedreigde. Om de krachten, die de Kerk vertegenwoordigde, te controleren, maakte Otto consistent gebruik van drie instituties. Een daarvan was het koninklijke investituurrecht van bisschoppen en abten met de symbolen van hun macht, zowel geestelijk, aangezien Otto de gezalfde koning van de Duitsers was, als wereldlijk, aangezien Otto de gehoorzaamheid van zijn bisschoppen en abten als vazallen afdwong door middel van een commendatie ceremonie. "Onder deze omstandigheden was kerkelijke uitverkiezing in het Ottoonse Rijk niet meer dan een formaliteit. De koning vulde de rangen van het episcopaat aan met leden uit zijn eigen familie en met loyale ouder wordende kanselarijklerken. Deze laatsten werden ook vaak benoemd tot abt van de grote kloosters. De tweede instelling was steviger verankerd in de Ottoonse gebieden, de eigen kerken (Eigenkirchen; in de Engelse wet het recht van "advowson"). In het Duitse recht was elkgebouw dat op eigendomgrond stond van een Heer, automatisch ook eigendom van die Heer, dit tenzij deze rechten specifiek in een acte zodanig waren beschreven dat duidelijk was dat de kerk niet bij de grond hoorde. Otto en zijn kanselarij opereerden agressief om de eigendomsrechten over vele landelijke kerken en abdijen te verkrijgen. Het derde instrument van de Ottoonse macht was het systeem van de advocatus (Duits Vogt). De Advocatus was een wereldlijk manager van kerkelijke landgoederen, die recht had op een bepaald aandeel in de landbouwproductie en in de andere opbrengsten. Ook was hij verantwoordelijk voor de veiligheid en de goede orde. In tegenstelling tot graafschappen, die de neiging hadden om snel erfelijk te worden, voerde de Vogt de functies uit van een West-Frankische baljuw. Hij behield zijn positie alleen als hij in de gunst bleef bij de keizer. Otto begiftigde de bisdommen en abdijen met grote stukken land, waarover seculiere autoriteiten geen belastingen konden heffen en geen juridische bevoegdheid hadden. In een extreem voorbeeld benoemde Otto zijn broer Bruno - op dat moment reeds aartsbisschop van Keulen - tot de nieuwe hertog van Lotharingen, nadat Koenraad de Rode zijn hertogelijke titel in Lotharingen was ontnomen. In de landen die Otto aan zijn oostelijke grenzen veroverde op de Wenden en andere Slavische volkeren stichtte Otto de Grote verschillende nieuwe bisdommen. Omdat Otto bisschoppen en abten persoonlijk benoemde, versterkten deze hervormingen zijn centrale gezag, en functioneerden de bovenste rangen van de Duitse kerk in sommige opzichten als een arm van de keizerlijke bureaucratie. Conflicten over benoemingen van deze machtige bisschoppen tussen Otto's opvolgers en de groeiende macht van het pausdom tijdens de Gregoriaanse hervormingen zouden uiteindelijk tot het beroemde conflict over de Investituurstrijd leiden en in het Duitsland van de 11e eeuw tot de ondergang van de centrale autoriteit leiden. De beperkte Renaissance van kunst en architectuur was afhankelijk van de hofpatronage van Otto en zijn directe opvolgers. De "Ottoonse Renaissance" was manifest in sommige nieuwe leven ingeblazen kathedralen en kathedraalscholen, zoals die van Bruno, aartsbisschop van Keulen, en in de productie van verluchte handschriften, de belangrijkste kunstvorm van deze tijd. De meeste van de verluchte handschriften kwamen van een handvol elitaire scriptoria, zoals die van de in 936 opgerichte abdij van Quedlinburg. De keizerlijke abdijen en het keizerlijke hof werden onder leiding van de vrouwen van de koninklijke familie centra van religieus en spirituele leven. Gechoqueerd door de erbarmelijke staat van de liturgie in Rome, gaf Otto opdracht het allereerste Pauselijke Boek, een liturgisch boek, samen te stellen. Dit boek bevatte zowel gebeden als rituele instructies. Deze compilatie van het Romeins-Germaanse pontificaal, zoals het nu wordt genoemd, stond onder supervisie van aartsbisschop Willem van Mainz - een bastaardzoon van Otto. Otto was door zijn vader verwant aan de hoge Duitse en Italiaanse adel (hij was bv in de zevende graad verwant aan Berengarius van Ivrea). Zijn moeder kwam uit een zeer rijk geslacht van Saksische adel. Otto kreeg uit zijn eerste huwelijk met Edith de volgende kinderen:
Liutgard (931 - 18 november 953), gehuwd met hertog Koenraad de Rode
Liudolf van Zwaben (930-957).
Otto kreeg uit zijn tweede huwelijk met Adelheid de volgende kinderen:
Hendrik (952/953 - ca. 954)
Bruno (953/954 - 8 september 957)
Otto II
vermoedelijk Richlinde, (- na 1 november 1007), gehuwd met Koenraad I van Zwaben
Uit een buitenechtelijke relatie met een Slavische edelvrouw:
Willem (929 - Rottleberode, 2 maart 968), aartsbisschop van Mainz vanaf 954, begraven in de Sint Albanuskerk bij Mainz.
KEIZERIN ADELAIDE OF ITALIA (Koos' Vormoeder) werd geboren in 931, in Orbe, Bourgondië, als kind van Rudolf van Bourgondië II en Berta van Bourgondië, zoals getoond in stamboom 1327. Adelaide werd Impératrice, reine d'Italie. Zij is gestorven op 16 december 999, ongeveer 68 jaar oud, in Kloster Selz, Alsace, France. Zij werd begraven in 999 in Città del Vaticano, Vatican City.
Adelaide huwde 2 maal. Zij huwde met Lotharius van Italië II en Otto I van Duitsland. Otto I van Duitsland, ongeveer 49 jaar oud, huwde Adelaide of Italia, ongeveer 31 jaar oud, van 951 tot 973 in Basilica San Michele, Pavia, Province of Pavia, Lombardy, Italy. Zij kregen twee kinderen:
Richlind in 950
Otto van Duitsland II in 955
GRAAF WIFRIED VAN BARCELONA I (Koos' Vorvader) werd geboren in 850. Hij is gestorven op 11 augustus 897, ongeveer 47 jaar oud.
Wifried I van Barcelona genoemd de Harige. Geboren ca. 850 – overleden omgeving Barcelona, 11 augustus 897. Hij was graaf van Barcelona en omliggende graafschappen. Wifried wordt gezien als de grondlegger van de Catalaanse natie. Volgens de legende is de Catalaanse vlag (rood-geel gestreept) ontstaan toen Wifried tijdens een veldslag met zijn bebloede vingers over een geel schild streek. Zijn bijnaam is een bewuste woordspeling op de bijnaam van Karel de Kale. Wifried was feitelijk graaf van Urgell en Cerdanya in 870. In 873 stichtte hij samen met andere edelen een Mariakerk te Formiguères. Rond 886 besloot hij het kasteel van Cardona, een versterking aan de oevers Cardener, bij Cardona, een belangrijke zoutwinning weder op te bouwen. Wifried steunde Karel de Kale tegen Bernhard van Septimanië en werd als dank in 878 formeel bevestigd in zijn graafschappen, en werd daarbij ook graaf van Barcelona, Gerona en Besalú. In 886 werd hij ook graaf van Osona en in 887 koloniseerde hij het gebied rondom Vic, en stelde het bisdom opnieuw in. In 885 stichtte Wifried de abdij van Sant Joan de les Abadesses, waar zijn dochter abdis werd, en hij stichtte het klooster van Santa Maria van Ripoll. De toenemende macht van Wifried leidde tot spanningen met de lokale moslim-heersers. In 897 viel Wifried Leida aan maar werd met grote verliezen terug gedreven. Bij een tegenaanval werd Wifried tijdens de verdediging van Barcelona gedood. Hij werd begraven in het klooster van Santa Maria van Ripoll. De afbrokkeling van het koninklijk gezag in West-Francië leidde ertoe dat Wifried zelf zijn graafschappen verdeelde onder zijn zoons en daarmee de bestuursfuncties in de omgeving van Barcelona erfelijk maakte.Wifried was gehuwd met Guinehilde.
Ze kregen de volgende kinderen:
Emma (-942), abdis van San Juan van Ripoll
Rudolf (-940), abt van Ripoll, bisschop van Urgell
Guinidilda van Barcelona (ca. 880 – na 926), gehuwd met Raymond II van Toulouse, zij waren ouders van Raymond III van Toulouse.
Wifried II
Borell (-911), vermoord in het klooster van Ripoll
Sunyer (- 15 oktober 954), met zijn broer graaf van Barcelona, Gerona en Osona. Na 911 alleen graaf in deze graafschappen. Volgt in 948 zijn broer Sunifried op als graaf van Urgell.
Miro, graaf van Cerdagne en van Urgell.
Sunifried I (-948)
Ermesinde (- na 13 juni 921)
Cixilona (- kapel van Torres de la Garriga, 22 februari 945) nonRiquilda (- voor 19 april 925).
Dit hierboven is een bijzondere stamboom omdat Ethelwulf van Wessex getrouwd is geweest met Judith van Vlaanderen maar dat een kleindochter van hem en zijn andere vrouw Osburga trouwde met de zoon van Judith en Boudewijn van Vlaanderen waardoor ethelwulf en Judith dezelfde nakomelingen Adolphe en Ardulf hebben gekregen.
KONING ETHELWULF VAN WESSEX (Koos' Vorvader) werd geboren rond 800, in Londen, als kind van Egbert van Wessex en Redburga Onbekend11337, zoals getoond in stamboom 1453. Hij is gestorven op 13 januari 858, ongeveer 57 jaar oud, in Londen. Hij werd begraven in Steyning. Ethelwulf huwde 2 maal. Hij huwde met Osburga of Wight en Judith van Vlaanderen.
Æthelwulf, ook Ethelwulf of Edelwolv (ca. 800 - Londen, 13 januari 858) was koning van Wessex (839 - 856) en van Kent (825 - 856), Essex en Sussex. Hij was zoon van Egbert van Wessex en Redburga. In 825 veroverde hij Kent voor Wessex, en werd daar koning onder het oppergezag van zijn vader. In 839 volgde hij zijn vader op als koning van Wessex, dat in die tijd het gehele zuidelijke kustgebied van Engeland omvatte: van Cornwall tot Wessex. Hij werd gekroond in Kingston upon Thames. Al snel gaf hij het bestuur over het oostelijk deel van zijn rijk aan zijn oudste zoon Æthelstan en huwde zijn nog erg jonge dochter Æthelswith met Burgred van Mercia. Æthelwulf bereikt in 850 een akkoord over een grensgeschil met Mercia. Daarna wordt hij geconfronteerd met een inval van de Vikingen onder Rorik van Dorestad, die Canterbury en Londen wisten te veroveren en daarna Mercia versloegen. Æthelwulf versloeg de Vikingen in 851 bij Oakly of Ockly. Hij moest wel toestaan dat East Anglia onder controle van de Vikingen bleef. Ook versloeg hij in 853, samen met Mercia, Cyngen ap Cadell van het koninkrijk Powys. In 853 stuurde hij zijn jongste zoon Alfred, die zes jaar oud was en vermoedelijk was voorbestemd voor een geestelijk ambt, naar Rome. In 855 (vermoedelijk na het overlijden van zijn vrouw) ging hij ook zelf naar Rome en deed kostbare schenkingen aan de kerk, o.a. gouden kelken en vergulde zilveren kandelaars aan de St. Pieter en erkende ook de opperheerschappij van de paus. Na zijn terugkeer in 856 werd hij geconfronteerd door zijn zoons die tijdens zijn afwezigheid hadden geregeerd en steun hadden van de adel en de geestelijkheid. Æthelwulf koos voor onderhandelingen en er werd een compromis bereikt waarbij de macht werd gedeeld. Begin 858 overleed hij in Londen. Æthelwulf overleed in Londen maar werd begraven in Steyning (Sussex). In de kerk daar is zijn vermoedelijke grafsteen nog te zien. Het graf werd echter verplaatst naar de Old Minster in Winchester en toen die werd afgebroken, werden zijn resten verplaatst naar de huidige kathedraal van Winchester. Van Æthelwulf zijn twee huwelijken gedocumenteerd, maar er wordt aangenomen dat hij drie keer getrouwd is geweest en ook nog een minnares heeft gehad. Anders zijn leeftijdsverschillen tussen zijn kinderen en de manier waarop hun onderlinge verhouding wordt beschreven, niet te verklaren:
veronderstelde eerste vrouw:
ÆthelstanOsburga (ca. 810 - 855?), dochter van Oslac van Wight
Æthelbald (ca. 834 - 860)
Æthelswith (ovl. Pavia, 888). Vermoedelijk als jong meisje uitgehuwelijkt aan koning Burgred van Mercia. Overleden op weg naar Rome.
Æthelred (ca. 837 - 871)
Alfred de Grote (848 of 849 - 899)
Osweald, (ovl. ca. 875), alleen bekend als getuige uit enkele aktes.
Judith van West-Francië, een dochter van Karel de Kale, die op 1 oktober 856 te Verberie-sur-Oise, 12 jaar oud, met de toen bijna 60-jarige Æthelwulf trouwde. Zij hadden geen kinderen. Volgens Frankisch gebruik werd ze "koningin" genoemd in plaats van "vrouw van de koning" wat onder de Angelsaksen gebruikelijk was. Deze meer formele status leidde tot veel weerstand onder de adel. Na de spoedige dood van Æthelwulf nam diens oudste zoon Æthelbald haar tot vrouw. Ook dit huwelijk bleef zonder kinderen en werd later ongeldig verklaard wegens (aangetrouwde) bloedverwantschap. Judith werd teruggezonden naar haar vader en werd uiteindelijk van zijn hof geschaakt door Boudewijn I van Vlaanderen die later met haar trouwde.
minnares:
Æthelberht (ca. 835 - 866). Kon na de dood van Æthelbald koning worden, vermoedelijk omdat de overgebleven wettige zoons nog te jong waren.
Ethelwulf van Wessex, ongeveer 56 jaar oud, huwde Judith van Vlaanderen, ongeveer 12 jaar oud, op 1 oktober 856 in verbery sur oise, France.
HERTOG VRATISLAV VAN BOHEMEN I (Koos' Vorvader) werd geboren rond 888 als kind van Borivoj van Bohemen I en Ludmilla, zoals getoond binnen stamboom 1363. Hij is gestorven op 13 februari 921, ongeveer 32 jaar oud.
Vratislav I Geboren ± 888 – overleden 13 februari 921. Hij was een jongere zoon van hertog Bořivoj I en de Heilige Ludmilla. Uit het Huis der Přemysliden, was hertog van Bohemen. Vratislavs oudere broer Spytihněv I volgde hun vader Bořivoj I op als hertog van Bohemen. In 895 onderwierpen Spytihněv en Vratislav zich op de rijksdag in Regensburg aan koning Arnulf van Karinthië. In 900 vocht Vratislav mee met het Beierse leger tegen Moravië. Hij volgde in 915 zijn broer op als hertog en versterkte zijn positie door samenwerking met de Hongaren. Vratislav stichtte de Sint-Jorisbasiliek in Praag. Hij overleed in een veldslag tegen de Hongaren en werd begraven in de Sint-Jorisbasiliek.Hij was gehuwd met Drahomíra uit het geslacht Stodoran, een Slavische prinses van de stam van de Havelii uit het oosten van het huidige Duitsland. Hierdoor steunde Vratislav de Slaven tegen de Saksen. Na zijn dood was Drahomira regentes. Vratislav en Drahomira kregen de volgende kinderen:
Wenceslaus de Heilige
Boleslav I
Spytihněv
Pribislava.
KONING MALCOLM VAN ALBA I (Koos' Vorvader) werd geboren in 897 als kind van Donald van Alba II, zoals getoond in stamboom 1454. Hij is gestorven in 954, ongeveer 57 jaar oud.
Malcolm I, (geboren ca. 897 – overleden Dunnottar, 954), zoon van Donald II, was koning van Alba gedurende elf jaren. Malcolm volgde in 943 Constantijn II op nadat deze zich in een klooster had teruggetrokken. In zijn regeerperiode hadden de Schotten veel last van de Vikingen. Edmund I van Engeland had ook problemen met de Denen in Cumbria. Na hen onderdrukt te hebben gaf hij in 945 dit gebied aan Malcolm I in ruil voor een alliantie op land en zee. In 952 vochten de Schotten, Britons en de Engelsen samen tegen de Vikingen; de laatsten wonnen de slag. In 950 ondernam Malcolm I een plundertocht naar Engeland en bereikte de rivier de Tees, waarbij veel gevangenen werden gemaakt en veel runderen werden buitgemaakt. Schotse kronieken beweren dat Constantijn II deze tocht had gepland. In Moray vond er een opstand plaats onder de leiding van Cellach, die succesvol door Malcolm I werd onderdrukt. Cellach werd tijdens de gevechten gedood. In 954 werd Malcolm I in Moray ‘door verraad’ gedood en werd begraven op Iona.Malcolm I was bijgenaamd de Battle Fury (gevechtsfurie), een referentie naar de Ierse oorlogsgod Bodb Dearg. Indulf, zoon van Constantijn II volgde hem op. Ook de twee zonen van Malcolm, Dubh van Schotland en Kenneth II van Schotland, werden koning van Schotland.
KONING EDMUND VAN ENGELAND I (Koos' Vorvader) werd geboren in 922 als kind van Eduard vanEngeland en Eadgifu, zoals getoond in stamboom 1296. Hij is gestorven op 26 mei 946, ongeveer 23jaar oud.
Edmund (of Edmond) I (922 – Pucklechurch (South Gloucestershire), 26 mei 946), bijgenaamd de Geweldige of de Oudere, was koning van Engeland van 939 tot 946. Hij was een zoon van Eduard de Oudere en halfbroer van zijn voorganger Athelstan. Edmund moest al snel na zijn aantreden het hoofd bieden aan militaire dreigingen. Koning Olaf I van Dublin veroverde Northumbria en viel de Midlands binnen. Na Olafs dood in 942 heroverde Edmund het gebied. Ook onderdrukte hij opstanden van de Denen in Mercia. De Deense aanvoerder Olaf van York werd in 942 zijn peetzoon, en bleef Edmunds bondgenoot toen hij koning van Dublin werd. In 945 veroverde Edmund Strathclyde en gaf dit gebied aan Malcolm I van Schotland, in ruil voor zijn steun. Rond deze tijd probeerde hij ook de vrijlating van zijn neef Lodewijk IV van Frankrijk te bewerkstelligen, die door opstandige leenmannen gevangen was genomen. Edmunds pogingen en dreigementen maakten echter weinig indruk. Edmund werd gedood tijdens een feest in zijn eigen verblijf door Leofa, een verbannen misdadiger, die bij het gevecht ook het leven liet. Edmund werd begraven in de abdij van Glastonbury. Hij werd opgevolgd door zijn broer Edred. Edmund had twee bekende partners:
Ælgifu (ca. 925 – na 943), dochter van Wynflæd, vrijwel zeker geen wettige echtgenote. Zij is begraven in de abdij van Shaftesbury en wordt vereerd als Sint Elgiva omdat ze gevangenen bezocht, kleding weggaf en lichamelijk lijden onderging. Haar feestdag is op 18 mei. Edmund en Ælgifu kregen twee zoons:
Edwy, koning van 955 tot 959
Edgar, koning van 959 tot 975
Æthelflæd van Damerham (ovl. abdij van Shaftesbury, na 975), dochter van de ealdorman Ælfgar. Wordt in 943 vermeld als koningin als Edmund haar land schenkt in Hampshire en Dorset. Na de dood van Edmund werd ze non in de abdij van Shaftesbury, waar ze ook is begraven. Ze kregen geen kinderen.
PEPIJN VAN VERMANDOIS II (Koos' Vorvader) werd geboren rond 818 als kind van Bernard van Italie en Cunegonde (Kunigonde) van Italië, zoals getoond in stamboom 1455. Pepijn werd „der Franken” genoemd. Hij is gestorven op 8 juli 850, ongeveer 32 jaar oud, in Milan, Italie.
Pepijn van Vermandois, (geboren ca. 818 – overleden na 850) was een zoon van Bernard van Italië en van Cunigonde van Laon. Hij is de eerste van de graven van de Vermandois die twee eeuwen lang tot de belangrijkste feodale vorsten van Frankrijk hoorden. In 834 bevrijdde hij samen met andere Italiaanse edelen keizerin Judith van Beieren uit het klooster van Cortona waar ze was opgesloten door haar opstandige stiefzoons en bracht haar naar Lodewijk de Vrome in Aken. Als beloning werd hij in 836 benoemd tot graaf van St. Quentin, Senlis enPeronne. Net als veel andere getrouwen van Lodewijk de Vrome steunde hij na diens dood in 840 zijn jongste zoon Karel de Kale maar toen Lotharius I optrok naar Parijs koos Pepijn diens kant. Na het verdrag van Verdun werd hij blijkbaar weer zonder problemen vazal van Karel en behield zijn functies. Pepijn was getrouwd met een onbekende vrouw. Op grond van het gegeven dat zijn kinderen goederen in de Vexin erfden wordt verondersteld dat zij dochter was van een edelman Theoderic uit de Vexin, die achterkleinzoon was van Childebrand. Theoderics vader en grootvader heetten beiden Nibelung. Pepijn en zijn vrouw kregen de volgende kinderen:
Bernard (845 – 28 januari893) was de oudste zoon van Pepijn van Vermandois en werd graaf van Laon in opvolging van zijn vader. Er is zeer weinig over hem bekend.
Pepijn van Senlis (geboren 845 – overleden 28 januari 893) was een zoon van Pepijn van Vermandois. Samen met zijn broer Herbert, vertoefde Pepijn in de directe omgeving van Karel de Kale.
Herbert I van Vermandois
mogelijk een dochter met de naam Cunigonde
mogelijk een onbekende dochter die in haar eerste huwelijk was getrouwd met Berengar van Bayeux en in haar tweede huwelijk met Wido van Senlis.


















Reacties
Een reactie posten