Generatie van 25 maal oud-oud-grootouders, Adelheid van Normandië, Fulco van Anjou (van Jerusalem), koning Lodewijk VI van Frankrijk, koning Hendrik I van Engeland,
Een aantal voorouders die deelgenomen hebben aan de kruisvaarten en/of overleden zijn tijdens die kruistochten.
Ook het ongelooflijke verhaal van Koning Hendrik van Engeland. Veel conflicten met familie leden en bloedverwanten. Allemaal om macht en geld. Natuurlijk deden de pauzen en bisschoppen graag mee aan de verdeling van macht.
Zie ook het verhaal van het witte schip.
Boudewijn de canteleu I (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren rond 1071 als kind van Renier De Canteleu, zoals getoond binnen stamboom 524. Hij is gestorven rond 1127, ongeveer 56 jaar oud.
Boudewijn De Canteleu is geboren in een Europa dat een belangrijke transformatie onderging. Het jaar 1071 markeerde de nasleep van de Normandische verovering van Engeland (1066) en zag het Byzantijnse rijk een verwoestende nederlaag lijden bij de Slag bij Manzikert, die uiteindelijk zou leiden tot het verlies van een groot deel van Anatolië aan de Seltsjoekse Turken. Deze periode was ook getuige van de voortdurende strijd om de macht tussen het pausdom en het heilige Romeinse Rijk, bekend als de Investituurstrijd, die serieus begon aan het einde van de 11e eeuw. Als lid van de adel werd Boudewijns leven bepaald door het feodale systeem dat de middeleeuwen domineerde in Europa. Heren en vazallen bestuurden lokale territoria, waarbij complexe hiërarchieën en loyaliteiten hun gebieden definieerden door relaties. Huwelijken tussen de adel werden vaak gearrangeerd om allianties veilig te stellen en de macht te consolideren.
Boudewijns huwelijk met Renilde de Canteleu zou typerend zijn geweest voor die tijd, gericht op het versterken van de familiebanden en het verzekeren van de voortzetting van de afstamming via hun zoon, ook Boudewijn genaamd.
Tijdens het leven van Boudewijn werd de Eerste Kruistocht (1096-1099) gelanceerd naar aanleiding van de oproep van paus Urbanus II om het Byzantijnse Rijk te helpen en Jeruzalem te heroveren op de islamitische heerschappij. Hoewel er geen direct bewijs is dat Boudewijn in verband stond met deelname aan de kruistochten, konden de vurigheid en religieuze ijver van die tijd hem niet onberoerd laten. Het succes van de Eerste Kruistocht leidde tot de oprichting van verschillende kruisvaardersstaten in de Levant, die de Europese politiek en cultuur eeuwenlang zouden beïnvloeden.
Boudewijn De Canteleu I overleed rond 1127, een tijd waarin Europa nog steeds aan het bijkomen was van de gevolgen van de Eerste Kruistocht en op het punt stond de Tweede Kruistocht (1147-1149) te lanceren. Zijn dood kwam vlak voor de opkomst van de Commune-beweging in steden in heel Europa, waar burgers meer autonomie en rechten binnen de feodale structuur zochten. Boudewijns nalatenschap zou worden voortgezet door zijn nakomelingen, die een tijdperk van voortdurende conflicten en veranderingen hebben meegemaakt, waaronder de uitbreiding van de handel en de vroege opschudding van de Renaissance.
KNIGHT OSCAR DE MARIEUX (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren in 1052, in Marieux, Somme, Picardie, France, als kind van Grégoire de Marieux en Jossine de Marieux, zoals getoond in stamboom 704. In 1094 werd hij Knight in de 1st kruistocht. Hij werd Ecuyer, Seigneur de Marieux. Hij is gestorven in 1103, ongeveer 51 jaar oud.
KNIGHT GAUTHIER DE DOMQUEUR CROISÉ (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren in 1042, in Domqueur, Somme, Picardie, France, als kind van Gaucher DE DOMQUEUR en Berthilde DE DOMQUEUR, zoals getoond in stamboom 713. Hij werd Knight 1st Crusade. Hij werd ESCUYER SIEUR DE DOMQUEUR. Hij is gestorven (In oorlog, kruisvaart) in 1103, ongeveer 61 jaar oud, in Israel.
ENGUERRAND DE BEAUMETZ (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren in 1045, in Beaumetz, 80068, Somme, Picardie, France, als kind van Englebert de Beaumetz en Hélène de Domart, zoals getoond in stamboom 718. Enguerrand werd Ecuyer, Sieur, de Beaumetz. Hij is gestorven (In oorlog) in 1098, ongeveer 53 jaar oud, tijdens de aanval op Antiochië tijdens de eerste kruistocht.
Antiochië was een vorstendom dat in 1098 ontstond tijdens de Eerste Kruistocht, nadat kruisvaarders de gelijknamige stad Antiochië in Syrië innamen. Eenmaal als Boudewijn van Boulogne en Tancred van Apulie oostwaarts trekken naar Edessa om daar het graafschap Edessa op te richten, zet het hoofdleger van de Eerste Kruistocht hun reis verder zuidwaarts richting Jeruzalem, maar er werd plots besloten om de oude stad Antiochië te belegeren. Dit beleg van Antiochië werd geleid door Bohemund I van Tarente (onze oud-oud-oudoom) en werd op 21 oktober 1097 begonnen. De stad was onmogelijk te betreden en het bevatte vierhonderd torens. Het beleg ging gewoon door gedurende de winter, en ging gepaard met hongersnood onder de kruisvaarders. Ondertussen (aan het einde van de winter), had Bohemond een torenwachter genaamd Firouz, een voormalig christen, overtuigd om de kruisvaarders de stad binnen te laten. Hij deed dit ook op 3 juni 1098. Vervolgens vond er een slachting onder de burgerbevolking en het garnizoen plaats. Vier dagen later bleek echter dat er een moslimleger onderweg was vanuit Mosoel, onder leiding van Kerbogha. Vervolgens werden dit keer de kruisvaarders zelf belegerd. De Byzantijnse keizer Alexios I Komnenos was onderweg om de kruisvaarders te assisteren, maar hoorde halverwege dat de stad weer ingenomen was. Ondertussen konden de kruisvaarders nog wel tegenstand bieden, maar dit ging moeizaam, met behulp van een mystieke monnik genaamd Peter Bartholomeus, die claimde dat hij een visioen had gehad van Sint Andreas, die had hem verteld dat de Heilige Lans zich in de stad bevond (deze lans had Christus doorboord tijdens zijn kruisiging). In de kathedraal van Sint Pieter werd ook daadwerkelijk een lans gevonden door Peter zelf (sommige historici gaan ervan uit dat Peter deze daar zelf had neergelegd).Maar bij het vertonen van de Lans werd het moreel van de kruisvaarders weer erg opgevijzeld. Met het nieuw gevonden reliek marcheerde Bohemund naar buiten de stad om Kerbogha en zijn leger aan te vallen. Deze werd volgens de kruisvaarders zelf miraculeus verslagen. Enkelen geloofden dat ze bijgestaan werden door engelen en heiligen op het slagveld. Er werden langdurige onderhandelingen en twisten gevoerd, over wie de controle over de stad verkreeg na de overwinning. Bohemund en eventueel andere Italiaanse Noormannen wonnen dit dispuut, en Bohemund benoemde zichzelf tot vorst. Hij sloeg het aanbod af om uit naam van het Byzantijnse Rijk zichzelf tot graaf of baron te benoemen (hij had een eed afgelegd om in hun naam alle gebieden te veroveren). Ondertussen brak er een onbekende epidemie uit in het kruisvaarders kamp: Adhemar van Le Puy was een van de slachtoffers.
BOHEMUND VAN ANTIOCHIE I (Koos' 26 maal oud-oud-oudoom) werd geboren in 1054 als kind van Robert Guiscard van Apulië en Alberada van Buonalbergo. Hij is gestorven in 1111, ongeveer 57 jaar oud.
Bohemund of Bohemond I van Tarente (ca. 1054 – 3 maart 1111), een edelman uit het Normandische Huis Hauteville, was een van de leiders van de Eerste Kruistocht. Hij was vanaf 1085 vorst van Tarente en vanaf 1098 van Antiochië. Bohemund vocht aan de zijde van Robert tegen het Byzantijnse Rijk (1080-1085), waarbij ze wisten door te dringen tot in Larissa (Griekenland), maar uiteindelijk door keizer Alexius I werden verjaagd. Na het overlijden van zijn vader volgde een verdeling van het rijk. De landerijen aan de Adriatische kust werden al gauw ingenomen door het Byzantijnse Rijk, en Apulië werd ingenomen door Bohemunds broer Rogier I van Sicilië, die ook de steden Otranto en Tarente op Bohemund probeerde te veroveren. Eind 1085 wist Bohemund de laatstgenoemde twee steden te heroveren, en uiteindelijk sloten de broers vrede in maart 1086. Na de dood van zijn vader (1085) zocht Bohemund allerlei manieren om zijn grondgebied van Tarente (Italië) uit te breiden. Toen de oproep tot de Eerste Kruistocht kwam, zag hij zijn kans schoon om in het Heilig Land nieuwe gebieden en rijkdommen te veroveren. Samen met zijn neef Tancred trok hij met een leger van 10.000 man naar Constantinopel. Daar moesten de leiders van de Eerste Kruistocht een eed van loyaliteit afleggen aan de Byzantijnse keizer, Alexius I Comnenus, die onder meer inhield dat alle gebieden die de kruisvaarders zouden veroveren terug bij het Byzantijnse grondgebied zouden worden gevoegd. Bohemund was voorzichtig in zijn benadering van Alexius, in een poging bij hem in de gunst te komen. Er zou zelfs onderhandeld zijn over eventueel eigen grondgebied, maar daar had Alexius geen goedkeuring voor gegeven. Uiteindelijk legde Bohemund de eed af. De kruisvaarders wisten met grote moeite door Klein-Azië te reizen, geplaagd door dorst en omringd door vijanden, en konden zo verder oprukken naar Jeruzalem. Deze landroute zou gedurende de volgende kruistochten steeds moeilijker worden - na de Derde Kruistocht gaf men er de voorkeur aan direct via zee naar het Heilig Land te reizen. In 1097 stuurde Bohemund zijn neef Tancred naar Cilicia, terwijl Bohemund met Godfried van Bouillon Antiochië vanuit het noordoosten zou benaderen om in mei 1098 het Beleg van Antiochië te beginnen. Hoewel de andere leiders van de kruistocht er aanvankelijk niets van wilden weten, gingen ze uiteindelijk toch akkoord om Antiochië aan Bohemund te laten, op voorwaarde dat hij de stad kon innemen. Na de val van Antiochië trokken ze verder naar Jeruzalem. Nadat Jeruzalem door de kruisvaarders was veroverd, nam Bohemund de titel vorst van Antiochië aan. Hoewel Bohemund Antiochië in zijn bezit had en beschikte over een sterk leger was er nog de "kleine" kwestie van de Byzantijnse heerschappij - Bohemund had immers de eed van loyaliteit gezworen aan Alexius I. Naast de claim van de Byzantijnen op Antiochië, die zich gesteund wisten door Raymond IV van Toulouse die in 1102 het graafschap Tripoli stichtte ten zuiden van Antiochië, was er ook nog de constante bedreiging van het rijk der Seltsjoeken, die het gebied wilden heroveren. Omdat het Byzantijnse Rijk het vorstendom Antiochië bleef claimen en de Grieken de scheepsroutes rond Antiochië belaagden, zocht Bohemund steun in Frankrijk bij koning Filips I. Om zich van die steun te verzekeren trouwde hij met Constance van Frankrijk, een dochter van Filips. Overmoedig door zijn succes besloot hij tot een gedurfde aanval tegen Alexius I. Alexius, gesteund door de Venetianen, was echter sterker en Bohemund werd gedwongen zich te onderwerpen aan een vernederende Verdrag van Devol (1106). Dit verdrag stipuleerde dat: Bohemund een vazal zou worden van Alexius (en de eed van loyaliteit, die Bohemund aan Alexius gezworen had, dus gehandhaafd werd); betwiste gebieden aan Alexius zouden worden overgedragen ;er een Griekse patriarch zou worden aangesteld in Antiochië. Teleurgesteld trok Bohemund zich terug naar Tarente en keerde nooit meer terug naar Antiochië, waarvan hij het regentschap overliet aan zijn neef Tancred. Bohemund overleed in 1111 in Tarente en werd begraven in Canosa in Apulië.
Bohemund huwde zijn indirecte relatie, Constance van Frankrijk, ongeveer 27 jaar oud, op 25 mei 1106 in Chartres, Eure-et-Loire, Orléanais, France. Zij kregen een zoon: Bohemund van Antiochie II in 1108.
ADELHEID VAN NORMANDIE (Koos' Edelstamovergrootmoeder) werd geboren in 1026 als kind van Robert van Normandie en Maitresse, zoals getoond in stamboom 742. Zij is gestorven in 1090, ongeveer 64 jaar oud. Adelheid huwde drie maal. Zij huwde met Engelram van Ponthieu II, Lambertus van BOULOGNE (haar 4 maal achter-neef) en Odo van Blois II.
Adelheid van Normandië (ca. 1026 – ca. 1090) was een buitenechtelijke dochter van Robert de Duivel, hertog van Normandië en Herleva van Falaise, de dochter van Fulbert. Zij was een zuster van Willem de Veroveraar en suo jure (op eigen titel) gravin van Aumale. Haar eerste huwelijk met Engelram II van Ponthieu, heer van Aumale, bezorgde haar broer hertog Willem van Normandië, de latere Willem de Veroveraar, een belangrijke bondgenoot in Normandië. Maar toen bij het Concilie van Reims in 1049 het huwelijk van Willem de Veroveraar met Mathilde van Vlaanderen werd verboden wegens bloedverwantschap, werd ook het huwelijk van Adelheid met Engelram van Ponthieu geannuleerd. Voor haar werd een ander huwelijk gearrangeerd met Lambertus, graaf van Lens en van Boulogne, waardoor er een nieuwe huwelijksalliantie ontstond tussen Normandië en Boulogne. Lambertus van Lens sneuvelde in 1054 bij Lille, toen hij graaf Boudewijn V van Vlaanderen bijstond in zijn strijd tegen keizer Hendrik III. Als weduwe verbleef Adelheid in Aumale, een stad aan de rivier de Bresle in noord-oost Normandië. Willem de Veroveraar verhief haar tot gravin van Aumale, maar het is niet bekend wanneer dit gebeurde. Adelheid voerde als eerste de graventitel van Aumale, haar zoon Stephen was de tweede die de titel zou voeren. Als adellijke weduwe leefde Adelheid een teruggetrokken bestaan; ze was betrokken bij de kerk van Auchy, die zij bedacht met giften. In 1060 werd ze weer uitgehuwelijkt met de jongere graaf Odo II van Champagne, die echter van Willem de Veroveraar geen land of titels in Engeland kreeg toebedeeld. De landerijen rond Aumale bleven op naam van Adelheid staan. In 1086 staat Adelheid als de Comitissa de Albatnarla vermeld in het Domesday Book; zij wordt genoemd als de eigenaar van verschillende landerijen in Suffolk en Essex. Zij is in die tijd een van de weinige Normandische edelvrouwen die zelf grond bezaten in Engeland. Zij had ook het leen Holderness; na haar dood ging dit over op haar man die inmiddels zijn titel graaf van Champagne was kwijtgeraakt, en vervolgens op hun zoon. Adelheid stierf voor 1090. Adelheid trouwde drie keer:
Zij trouwde 1e met Engelram II van Ponthieu, heer van Aumale Dochters:
Adelheid
Hélissende Gehuwd met Hugo II van Saint-Pol
Zij trouwde 2e met Lambertus van Boulogne. Geboren rond 1030 – overleden in 1054. Graaf van Lens en Aumale. Zoon van Eustaas II van Boulogne. Zij hadden een dochter:
Judith van Boulogne ± 1050 – ….
Boudewijn van Boulogne 1065 – ….
Zij trouwde 3e met graaf Odo II van Champagne. Zij hadden een zoon:
Stephanus van Aumale in 1070
DIEDERIK VAN OPPER-LOTHARINGEN II (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren op 6 maart 1044, in Hertogdom Lotharingen, als kind van Gérard van Opper-Lotharingen IV en Hedwig van Namen, zoals getoond in stamboom 781. Diederik werd Hertog van Neder-Lotharingen. Hij werd Voogd van de abdij van Remiremont. Hij werd Graaf van de Elzas en van Bouzonville. Diederik werd Graaf in Elzasgouw 1070-1115. Hij is gestorven op 30 december 1115, 71 jaar oud, in Chatanois, Frankrijk. Hij werd begraven in januari 1115 in Châtenois, Vosges, Lorraine, France.
Diederik huwde 2 maal. Hij huwde met Hedwig van Formbach en Gertrudis van Vlaanderen. Diederik II van Lotharingen (ca. 1050 - 30 december 1115) was de oudste zoon van hertog Gerard van Lotharingen en Hedwig van Namen. Diederik werd graaf van de Elzas en van Bouzonville, alsook voogd van de abdij van Remiremont en vanaf 1070 hertog van Opper-Lotharingen. Dit leidde tot een conflict met zijn jongere broer Gerard die zich achtergesteld voelde. In 1073 werd een schikking getroffen en kreeg Gerard een eigen deelgebied, het graafschap Vaudemont. In 1075 vocht Diederik aan de kant van Hendrik IV bij Homburg (bij Erfurt) tegen de opstandige Saksen, die daar werden verslagen. Kort na de veldslag trouwde Diederik met Hedwig van Formbach, die weduwe was geworden omdat haar man Gebhard van Supplinburg net in die slag aan de Saksische kant was gesneuveld. Diederik bleef een trouwe aanhanger van Hendrik en veroverde in 1078 voor hem de stad Metz op de bisschop. Als straf hiervoor werd hij in 1079 in de ban gedaan en in 1082 gaf Diederik de stad weer op. Diederik huwde eerst met Hedwig van Formbach (voor 1061 - 1090), erfgename van Supplinburg, en kreeg met haar een zoon en een dochter:
Simon I (1076-1138)
Petronilla van Saksen
Hedwig was een dochter van Frederik van Formbach (ca. 1035 - 1059) en Gertrude van Haldensleben. Uit haar eerste huwelijk had zij de volgende kinderen:
Ida, getrouwd met graaf Sieghard van Tengling
Lotharius III van Supplinburg, later keizer, geboren na de dood van zijn vader
Zijn tweede echtgenote was Gertrudis van Vlaanderen, de dochter van graaf Robrecht de Fries van Vlaanderen; samen hadden zij de volgende kinderen: Diederik van de Elzas
mogelijk Gerard
Hendrik (ovl. 6 juni 1165), 1126 bisschop van Toul, deelnemer aan de tweede kruistocht met koning Koenraad III van Hohenstaufen, begraven in de kathedraal van Toul
Boudewijn
Ermengarde, getrouwd met Bernard van Briançon
mogelijk Gisela, eerst getrouwd met de graaf van Tecklenburg, daarna met Frederik van de Saargau.
FULCO VAN ANJOU V (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren op 1 januari 1092, in Angers, Maine Et Loire, Pays De La Loire, France, als kind van Fulco van Anjou IV en Bertrade van Anjou, zoals getoond in stamboom 782. Fulco werd „De Jerusalem” genoemd. Hij werd gedoopt in 1109, ongeveer 17 jaar oud. Hij is gestorven op 12 november 1143, 51 jaar oud, in Jeruzalem, Israël. Hij werd begraven in Church of The Holy Sepulcher.
Fulco huwde 2 maal. Hij huwde met Eremburge van Anjou en Melisende van Jerusalem (zijn achter-achternicht).
Fulco V de Jonge ook wel Fulco I van Jeruzalem. Geboren 1091 – overleden Jeruzalem 12 november 1143) was een zoon van graaf Fulco IV van Anjou en Bertrada van Montfort. Hij was graaf van Anjou van 1109 tot 1129 en koning van Jeruzalem van 1131 tot 1143, via zijn tweede huwelijk, met Melisende van Edessa. Hij trad daarom af als graaf van Anjou. Fulco werd opgevoed aan het hof van koning Filips I van Frankrijk, de tweede echtgenoot van zijn moeder. In 1106 sneuvelde zijn halfbroer Godfried tijdens een opstand tegen hun vader. Fulco werd daardoor de erfgenaam van Anjou. In 1109 overleed zijn vader en werd Fulco graaf van Anjou. In hetzelfde jaar trouwde hij met Ermengarde van Maine (die eerst met Godfried was verloofd), wat hem de controle gaf over het naburige graafschap Maine. Fulco was een vreedzaam en bemind landsheer die zich erop richtte om zijn gezag binnen zijn graafschappen te versterken. Hij onderwierp over de jaren stelselmatig zijn opstandige vazallen en perkte de macht van de steden in. Fulco was een tegenstander van Hendrik I van Engeland, de hertog van Normandië, en steunde koning Lodewijk VI van Frankrijk. Fulco gaf actieve steun aan de opstanden vanWillem Clito tegen Hendrik. In reactie daarop viel Hendrik in 1112 Maine binnen maar Fulco kon deze aanval afslaan. Fulco steunde Lodewijk tegen Theobald IV van Blois. In 1119 liet Fulco zijn dochter trouwen met William Adelin, de erfgenaam van Hendrik. Een echt bondgenootschap tussen Hendrik en Fulco kwam niet tot stand omdat William snel overleed. In 1120 bezocht Fulco het Heilige Land. Hij ontwikkelde daar een sterke band met de Tempeliers. Na zijn terugkomst in Frankrijk werd Fulco een belangrijke begunstiger van deze orde. In 1123 trouwde hij zijn dochter Sybille met Willem Clito maar dat huwelijk werd snel door de paus ongeldig verklaard. In 1127 kon hij zijn zoon Godfried laten trouwen met Mathilde van Engeland, dochter van Hendrik en weduwe van keizer Hendrik V. Hierdoor werd Fulco een bondgenoot van Hendrik. Boudewijn II van Jeruzalem had geen mannelijke troonopvolgers en had zijn dochter Melisende aangewezen als erfgename. Boudewijn wilde haar laten trouwen met een ervaren bestuurder en legeraanvooerder, met goede contacten in Europa. Fulco bezat die kwaliteiten en was ook nog eens een weduwnaar. Hij wilde wel toestemmen, maar wel onder zijn voorwaarden: hij wilde gelijkwaardig koning zijn met Melisende en eiste Akko en Tyrus als zijn persoonlijk bezit. Boudewijn stemde daarin toe. Fulco stond zijn zetel van graaf van Anjou af aan zijn zoon Godfried en vertrok voorgoed naar Jeruzalem, waar hij op 2 juni 1129 trouwde met Melisende. Datzelfde jaar nam hij deel aan een expeditie naar Damascus die door zware regenval was gedwongen om zonder strijd terug te keren. In 1131 moest hij optreden tegen zijn schoonzuster Alice van Antiochië, die weduwe was geworden van Bohemund II van Antiochië. Zij wilde uit eigen naam het vorstendom besturen en niet als regentes voor haar dochter. Ze sloot een verbond met Pons van Tripoli en Jocelin II van Edessa en zocht zelfs steun bij Zengi, de moslim krijgsheer in Aleppo. In 1132 trok Fulco naar het noorden. Na korte gevechten met de troepen van Pons, onderwierp hij Antiochië. Alice werd verbannen en Fulco werd regent van Antiochië. In Jeruzalem was inmiddels een openlijke partijstrijd ontstaan tussen Fulco en Melisende. Beiden zagen zichzelf als de eigenlijke “koning” en probeerden de eigen positie te versterken ten koste van de ander. Fulco benoemde zijn vertrouwelingen uit Anjou op belangrijke posities. De eerste generatie kruisvaarders en hun kinderen kozen daarom partij voor Melisende. Een van de prominenten uit het kamp van Melisende was Hugo van Le Puiset. Fulco beschuldigde hem in 1134 van verraad en overspel met Melisende. Hugo verschanste zich daarop in Jaffa (stad) en wist met hulp van de emir van Ashkelon een leger van Fulco te verslaan. Na bemiddeling door de patriarch van Jeruzalem verzoenden Hugo en Fulco zich. Maar toen in 1136 Hugo het doelwit was van een mislukte moordaanslag, werd Fulco daarvoor verantwoordelijk gehouden. Die bleef echter volhouden niet de opdracht tot de aanslag te hebben gegeven. De opinie aan het hof was nu echt tegen Fulco en de partij van Melisende greep de macht. Fulco en Melisende verzoenden zich politiek en persoonlijk met elkaar, en kregen als gevolg daarvan enige tijd later ook een tweede zoon. Jeruzalems noordelijke grens baarde grote zorgen. Fulco was tot regent van het vorstendom Antiochië benoemd door Boudewijn II. Als regent had hij het huwelijk tussen Constance I van Antiochië en Raymond van Poitiers gearrangeerd. Constance was een dochter van Bohemund II van Antiochië en diens vrouw Alice. De grootste zorg was echter de snelle opmars van de Zengi-dynastie uit Mosoel, die een bedreiging vormde voor de christenstaten. In 1137 werd Fulco verslagen tijdens de slag bij Barin, maar hij sloot al snel een verbond met Mu’in ad-Din Unur, de vizier van Damascus, die ook dreiging ondervond van de Zengiden. Fulco veroverde het fort van Banias, waardoor de noordelijke grens aan het meer van Tiberias veilig was. Fulco versterkte ook het koninkrijk aan de zuidelijke grens. Zijn persoonlijke bode Paganus bouwde het kasteel Kerak langs een route die leidde naar de Rode Zee. Fulco had de leiding over de bouw van Blanche-Garde, Ibelin en andere (burcht)versterkingen, gebouwd in het zuidwesten van het rijk om de Fatimiden van Egypte in de gaten te houden en hun macht in te perken. Zij gebruikten Ascalon om overvallen uit te voeren op het koninkrijk. In 1137 en 1142 arriveerde de Byzantijnse keizer Johannes II Komnenos in Syrië in een poging om Byzantijnse controle over de kruisvaardersstaten te verkrijgen. Johannes’ aankomst werd echter verhinderd door Fulco, omdat deze nooit een uitnodiging had gekregen om de keizer te ontmoeten in Jeruzalem. In 1143 toen de koning en koningin op vakantie waren in Akko, kwam Fulco om het leven tijdens een jachtpartij. Zijn paard struikelde waarop Fulco viel en zijn hoofd verdrukt werd door het lijf van het paard. Hij werd teruggebracht naar Akko waar hij bewusteloos bleef en na drie dagen dood verklaard werd. Hij werd begraven in de Heilige grafkerk te Jeruzalem. Omdat hun huwelijk met een conflict startte, toonde Melisende zowel in privé als publiekelijk haar verdriet. Fulco werd overleefd door zijn zoons Godfried V van Anjou, van zijn eerste vrouw, en Boudewijn III en Amalrik I. De geschiedschrijver Willem van Tyrus beschreef Fulco als volgt: ‘een man die roodblond was als Koning David, trouw, zachtaardig en vriendelijk, een ervaren krijgsheer met veel geduld en wijsheid in militaire zaken’. Fulco was een briljant bestuurder. Zijn bestuurlijke hervormingen in Anjou, op het gebied van administratie en financiële huishouding, werden het voorbeeld voor alle feodale heren in West-Europa. Hij was een goede leider en militair maar stond erom bekend dat hij geen gezichten of namen kon onthouden. Hij was echter niet de sterke koning die de kruisvaarders nodig hadden om de kruisvaardersstaten politiek en militair structureel te versterken. Het jaar na zijn dood hadden de kruisvaarders hun eerste tegenslag en viel Edessa. Fulco was in zijn eerste huwelijk getrouwd met Ermengarde van Maine. Geboren in 1096, overleden 15 januari of 12 oktober 1126. Zij was de dochter en erfgename van Eli I van Maine en van Mathilde van Loir., bij wie hij de volgende kinderen kreeg:
Alice/Isabella (ca. 1110 – Abdij van Fontevraud, 1154), trouwde (Lisieux, juni 1119) met William Adelin en nam daarbij de naam Mathilde aan. Willem verdronk bij het vergaan van het White Ship en Alice werd na verloop van tijd non en later abdis (1150) te Fontevraud.
Sybille van Anjou (1105-1167)
Godfried V van Anjou
Eli II van Maine.
Uit het huwelijk met Melisende kreeg hij twee zonen, die later allebei koning van Jeruzalem zouden worden:
Boudewijn III
Almarik I. comte d'Anjou et de Tours , comte du Maine, co Roi de Jérusalem.
HUGO II VAN BOURGONDIË (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren in 1084 als kind van Odo I van Bourgondië en Sibylla van Bourgondië Ivrea, zoals getoond in stamboom 616. Hugo werd hertog van Bourgondië 1103-1143. Hij is gestorven na 6 februari 1143, ouder dan 58 jaar.
Hugo II van Bourgondië (bijgenaamd de Vredelievende, Frans: Hugues II le Pacifique; 1084/1085 - kort na 6 februari 1143) was hertog van Bourgondië van 1103 tot 1143. Hugo was een zoon van Odo I van Bourgondië en diens vrouw Sibylle. Hugo werd geselecteerd als custos voor de abdij van Saint-Bénigne, en dit ambt zou door zijn nakomelingen worden waargenomen tot aan het eind van de 12e eeuw. Hij nam reeds in 1101 het regentschap over het hertogdom op zich, nadat zijn vader op de Kruisvaart van 1101 was vertrokken. Toen zijn vader in de loop van deze Kruisvaart stierf, volgde hij hem op als hertog. Hij streed in 1109 onder koning Lodewijk VI van Frankrijk tegen koning Hendrik I van Engeland, vervolgens tegen keizer Hendrik V, die in 1124 in het graafschap Champagne was binnengevallen. Buiten deze beide episodes, die bovendien buiten het hertogdom Bourgondië plaatsvonden, waren er maar weinig conflicten tijdens zijn regeringsperiode, waardoor hij de bijnaam de Vredelievende kreeg. Toen Dijon in 1137 door brand werd verwoest, werd de stad door Hugo II heropgebouwd. Hij trouwde rond 1115 met Felicia-Matilda van Mayenne, dochter van graaf Gauthier van Mayenne en Adelina de Presles. Het paar had de volgende kinderen:
Aigeline van Bourgondië (1116 - ), getrouwd met graaf Hugo I van Vaudemont.
Clemence van Bourgondië (1117 - ), getrouwd met Godfried III van Donzy.
Odo II van Bourgondië (1118-1162), hertog van Bourgondië, getrouwd met Maria van Champagne.
Gauthier (1120-1180), aartsbisschop van Besançon.
Hugo le Roux (1121-1171), getrouwd met Isabel van Chalon.
Robert (1122-1140), bisschop van Autun.
Hendrik (1124-1170), bisschop van Autun.
Raymond (1125-1156), graaf van Grignon, getrouwd met Agnes van Montpensier
Sibylla van Bourgondië (1126 - 1150), getrouwd met Rogier II van Sicilië.
Ducissa (1128 - ), getrouwd met Raymond de Grancy.
Mathilde van Bourgondië (1130 - 1159), getrouwd met Willem VII van Montpellier.
Aremburge (1132 - ), non.
GRAAF ENGELRAM VAN PONTHIEU II (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren in 1020, in Ponthieu, Picardie, France, als kind van Hugo van Ponthieu II en Bertha van Aumale, zoals getoond in stamboom 786. Hij is gestorven (In oorlog) op 25 oktober 1053, ongeveer 33 jaar oud, in Saint-Aubin-sur-Scie, Normandie, France.
Engelram II van Ponthieu (overleden te Saint-Aubin-sur-Scie op 25 oktober 1053) was van 1052 tot aan zijn dood graaf van Ponthieu en heer van Aumale. Hij behoorde tot het huis Ponthieu. Engelram II was de oudste zoon van graaf Hugo II van Ponthieu en Bertha, dochter en erfgename van heer Gerimfried van Aumale. Na de dood van zijn vader in november 1052 werd Engelram graaf van Ponthieu en heer van Aumale. Hij was gehuwd met Adelheid (1026-1090), dochter van hertog Robert de Duivel van Normandië en halfzus van Willem de Veroveraar, een onwettige zoon van Robert de Duivel. Het huwelijk werd in oktober 1049 bij het Concilie van Reims geannuleerd wegens bloedverwantschap. Adelheids oom Willem van Arques was namelijk gehuwd met een zus van Engelram. Uit
het huwelijk werden twee kinderen geboren:
Adelheid , die huwde met graaf Ives III van Beaumont
Helissende, die huwde met graaf Hugo II van Saint-Pol.
Engelram II en koning Robert I van Frankrijk steunden Willem van Arques bij de opstand tegen zijn neef Willem de Veroveraar. In oktober 1053 sneuvelde hij in een veldslag nabij Saint-Aubin-sur-Scie. Omdat hij geen nakomelingen had, werd Engelram als graaf van Ponthieu opgevolgd door zijn jongere broer Gwijde I. De heerlijkheid Aumale werd echter geconfisqueerd door Willem de Veroveraar en toegewezen aan zijn gewezen echtgenote Adelheid. Engelram van Ponthieu II huwde Adelheid van Normandie tot oktober 1049. Zij kregen vier kinderen:
Adelize van Ponthieu in 1050
Fulk van Ponthieu in 1052
Helisende van Saint pol in 1053
Piers van Ponthieu in 1058
ENGELRAM VAN COUCY I (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren in 1042, in Coucy-le-Château-Auffrique, Aisne, Picardie, France, als kind van Drogo van Boves en Adelheid van Boves, zoals getoond in stamboom 790. Engelram werd Sieur, de Boves, de Marle, de Coucy, Comte, d'Amiens, Croisé, Engelram is gestorven in 1116, ongeveer 74 jaar oud, in Coucy-le-Château-Auffrique, Aisne, France.
Engelram I (Frans: Enguerrand) (1042-1116), zoon van "Drogo van Boves", werd heer van Coucy op het einde van de elfde eeuw. Hij voegde er de domeinen van Marle en La Fère toe, door zijn huwelijk met Adela van Marle (rond 1069. Engelram I wordt door abt Guibert de Nogent “bezeten van vrouwen” genoemd. Gescheiden van zijn eerste echtgenote, Adela van Marle, wegens overspel harerzijds, slaagde Engelram erin om Sibylle van Château-Porcien, echtgenote van de afwezige graaf Godfried van Namen, te schaken en ze, met behulp van zijn neef, de bisschop van Laon, ook te huwen. Dat de dame, zo vermeldt Guibert, “losbandig” en bovendien zwanger van weer een andere edelman was, deed er niet toe. Het met eekhoornbont beklede wapenschild van Enguerrand I van Coucy vertoont "zes banden vair van eekhoorn en keel". Engelram nam deel aan de Eerste Kruistocht onder Pieter de Kluizenaar en maakte naam als ridder in een schermutseling met de moslims. Met vijf andere ridders was hij, bewapend, maar niet in een maliënkolder gekleed, uitgereden. De zes ridders waren niet aan hun schilden of mantels herkenbaar en toen zij een groep islamitische strijders in het oog kregen, improviseerde Engelram een herkenningsteken door zijn rode, met eekhoornbont afgezette mantel, uit te trekken en in zes stukken te scheuren. De moslims werden verslagen en de trotse Engelram verving zijn oude wapen door zes banden vair van eekhoorn en keel”. Overigens moet worden opgemerkt dat deze heraldische legende, want een bevestiging van dit verhaal is niet te vinden, ook over Engelrams zoon Thomas wordt verteld.
COMTE GUY DE MONTLHERY (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren rond 1037, in Montlhéry, Essonne, Ile-de-France, France, als kind van Guy de Montlhery en Hodierne de Gometz, zoals getoond in stamboom 792. Guy werd „le Rouge” genoemd.
Guy II de Rode de Montlhéry (overleden 1108), zoon van Guy I, Seigneur de Montlhéry en Hodierne de Gometz-la-Ferté . Hij bekleedde de titels van graaf van Rochefort-en-Yvelines en kastelein van Châteaufort en Gometz , en was seneschal van Frankrijk onder Filips I de Verliefde , 1104-1106.
Guy sloot zich aan bij het Lombardische contingent in de kleine kruistocht van 1101 en sloot zich later aan bij het leger van Stefanus van Blois . Hij kwam blijkbaar in opstand tegen Lodewijk VI, koning van Frankrijk (ooit zijn schoonzoon), toen hij werd vermoord.
Guy trouwde eerst met Elisabeth uit een onbekende familie. Hij trouwde toen met Adelais de Crécy, weduwe van Bouchard II, graaf van Corbeil, kleinzoon van Mauger, graaf van Corbeil . Guy en Elisabeth kregen drie kinderen:
- Guy III (overleden 19 november 1115), graaf van Rochefort. Zijn zoon Simon (overleden vóór 1125) was ook graaf van Rochefort.
- Biote de Montlhéry, trouwde met Folques, Vicomte van Château-Landon .
Guy en Adelais kregen drie kinderen:
- Hugo van Crécy (overleden 31 juli 1147). Heer de Gournay. Seneschal van Frankrijk onder Robert II, 1106-1107. Hij hielp blijkbaar zijn vader in zijn rebellie en werd gedwongen te vluchten en werd monnik in de abdij van Cluny .
- Lucienne (1090-6 mei 1138), eerst getrouwd met Lodewijk , zoon van Filips I, en later koning van Frankrijk (nietig verklaard door de Raad van Troyes op grond van bloedverwantschap) en ten tweede met Guichard IV, Seigneur de Beaujeu. Uit het eerste huwelijk zijn geen kinderen geregistreerd. Uit het tweede huwelijk kwamen kinderen voort.
- Beatrix (1105-na 1168), trouwde eerst met Manasses de Tournan-en-Brie en tweede Druex, Seigneur de Pierrfonds.
Hij werd opgevolgd door zijn zoon Guy III en vervolgens door zijn kleinzoon Simon als graaf van Rochefort.
KONING LODEWIJK VAN FRANKRIJK VI (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren op 1 december 1081 als kind van Philips van Frankrijk I en Bertha van Frankrijk, zoals getoond in stamboom 802. Lodewijk werd „de dikke” genoemd. Hij is gestorven op 1 augustus 1137, 55 jaar oud. Lodewijk had twee geregistreerde relaties. Hij huwde met Adelheid van Frankrijk. Hij werd ook een partner van Marie de Breuillet8337.
Lodewijk VI, volledig: Lodewijk Theobald, de Dikke, (Parijs, 1 december 1081 – Château de la Douye te Béthisy-Saint-Pierre, 1 augustus 1137) was koning van Frankrijk van 29 juli 1108 tot 1137. Zijn bijnaam was letterlijk bedoeld, Lodewijk was dik en werd bij zijn leven al "de Dikke" genoemd. Lodewijk werd geboren in Parijs als zoon van Filips I van Frankrijk en Bertha van Holland (1055-1094). Lodewijk werd opgevoed in de abdij van Saint-Denis, samen met zijn latere raadsman Suger. In 1092 werd hij benoemd tot graaf van de Vexin en de steden Mantes-la-Ville en Pontoise. Dit plaatste hem in het front tegen Normandië/Engeland. Zijn vader verstootte zijn moeder om te kunnen trouwen met Bertrada van Montfort, wat leidde tot een politieke crisis in Frankrijk. De jonge Lodewijk bleef zo veel mogelijk weg van het hof. In 1097 nam hij deel aan de verdediging van de Vexin tegen Willem II van Engeland en in 1098 werd hij tot ridder geslagen. Ondanks de pogingen van zijn stiefmoeder om haar zoons koning te laten worden, werd Lodewijk in 1100 door zijn vader als erfgenaam aangewezen. In dat jaar maakte hij een reis naar Londen. Een poging van Bertrada om hem daar gevangen te laten nemen mislukte. Op de terugweg werd een aanslag op Lodewijk door een geestelijke verijdeld. In 1101 werd Lodewijk benoemd tot graaf van Vermandois. Zijn vader was toen al zo verzwakt dat Lodewijk in feite al als koning regeerde. Hij werd in 1101 vergiftigd maar werd genezen door een joodse arts. In 1104 verzoende Lodewijk zich met Bertrada en hij verloofde zich met Lucienne de Rochefort, een verwante van Bertrada. In 1107 verbrak Lodewijk de verloving, met een te nauwe bloedverwantschap als excuus. In 1106 accepteerde Lodewijk dat Hendrik I van Engeland Normandië veroverde, waardoor Engeland en Normandië weer een verenigd rijk werden. Filips overleed op 29 juli 1108. Lodewijk was formeel zijn erfgenaam maar zijn positie werd bedreigd door zijn stiefbroers. Lodewijk werd op 3 augustus 1108 in grote haast te Orléans tot koning gekroond. De kroning kon niet in Reims (de gebruikelijke plaats voor de kroning van Franse koningen) plaatsvinden omdat die stad door een conflict over de bisschopsfunctie onder een interdict viel. Bovendien werd de stad gecontroleerd door Lodewijks halfbroer Filips en diens bondgenoot Theobald IV van Blois. Er waren nauwelijks grote vazallen of kerkvorsten aanwezig bij de kroning. De geldigheid van de kroning werd tevergeefs aangevochten door zijn halfbroers. Betrada besloot daarna om zich terug te trekken in een klooster. Guy van Rochefort kwam echter in opstand. Lodewijk veroverde zijn kasteel in Gournay-sur-Marne. Guy stierf en zijn partij werd nu aangevoerd door Hugo van Crécy, die zich weer verbond met Hugo van le Puiset. Omdat Hugo van le Puiset de fout maakte om de gebieden rond Chartres te plunderen, koos Theobald van Blois de kant van Lodewijk. Met de steun van Theobald kon Lodewijk zich handhaven, maar het gebied dat hij daadwerkelijk onder controle had was niet groter dan de regio rond Parijs, Orléans en Senlis. De rest van Frankrijk werd geregeerd door edelen die feitelijk onafhankelijk waren. Lodewijk was bijna 30 jaar koning en al die tijd was hij verwikkeld in conflicten met Normandië (en dus ook met Engeland) en lokale opstandige edelen en roofridders binnen zijn eigen domeinen. Vlaanderen en Vermandois waren meestal zijn bondgenoot, Blois en Anjou wisselden regelmatig van kant. In 1109 veroverde Lodewijk La Roche-Guyon, op de grens van Normandië. Zijn poging om in 1110 het sterke Normandische kasteel van Gisors te veroveren, liep echter uit op een nederlaag. Dit leidde tot enkele jaren van schermutselingen. Lodewijk veroverde het jaar daarop (1111) samen met Theobald IV van Blois Le Puiset en nam Hugo gevangen. Lodewijk bouwde in de omgeving een eigen kasteel, Toury. De Normandische edelman Robert I van Meulan brandschatte Parijs als vergelding voor plunderingen van zijn bezittingen door koninklijke troepen. Toen in 1112 de graaf van Corbeil zonder directe erfgenaam overleed, verklaarde de koning dat het graafschap terug toeviel aan de kroon. Theobald van Blois maakte echter ook een aanspraak op het graafschap en koos nu de kant van de opstandelingen. Lodewijk liet in reactie hierop Hugo van le Puiset vrij, met de afspraak dat die zich tegen Theobald zou keren. Ondanks zijn beloften sloot deze zich direct bij de opstandelingen aan, waarop Lodewijk een bondgenootschap met Robrecht II van Jeruzalem sloot. Hugo van le Puiset veroverde het kasteel van Toury maar Lodewijk wist het weer te heroveren. Lodewijk en Rudolf I van Vermandois versloegen in een veldslag Hugo van le Puiset, Hugo van Crecy, Theobald van Blois en anderen. Later dat jaar versloeg en doodde Theobald van Blois Robrecht van Vlaanderen in een veldslag bij Meaux. In 1113 sloot hij het eerste verdrag van Gisors met Hendrik I van Engeland. Lodewijk moest hierbij grote concessies doen. Ondertussen bleef Lodewijk evenwel de Normandische tegenstanders van Hendrik steunen. Ook sloot Lodewijk een bondgenootschap met Anjou. Lodewijk wist het jaar daarop (1114) ten slotte Hugo van Crecy en zijn familie te onderwerpen. Hugo werd monnik en zijn familiebezit werd door Lodewijk verdeeld: Bray-sur-Seine werd aan Theobald van Blois gegeven. Zelf hield hij Montlhéry, Gometz en Châteaufort. Lodewijk stuurde troepen naar Amiens ter ondersteuning van de bisschop tegen Thomas I van Coucy. Toen Thomas ook nog de moordenaars van de bisschop van Laon onderdak bood, liet Lodewijk hem excommuniceren. Lodewijk wist in 1115 Thomas te verslaan, maar kreeg tijdens de strijd een pijl in zijn borst. Na de onderwerping van Thomas en het overlijden van diens vader in 1116, gaf Lodewijk het graafschap Amiens aan Adelheid van Vermandois. Dit zou tot een langdurige vete tussen Thomas en de familie van Vermandois leiden. Lodewijk onderwierp in 1118 Hugo van le Puiset definitief en dwong hem om naar Palestina in ballingschap te gaan. Lodewijk steunde een opstand van Normandische edelen onder leiding van Willem Clito tegen Hendrik I van Engeland. Willem was een neef van Hendrik en eiste de titel van hertog van Normandië op, omdat Hendrik die titel in 1106 op zijn vader had veroverd. Lodewijk kon echter geen leger sturen door het verzet van Theobald van Blois, die Hendrik steunde. Hendrik wist de opstand grotendeels te onderdrukken. Nadat hij in 1119 Theobald had onderworpen en trok hij met zijn leger naar Normandië. Hij veroverde Ivry, maar werd verslagen bij Breteuil. Boudewijn VII van Vlaanderen werd door Hendrik verslagen en gedood. Een nieuwe inval van Lodewijk in Normandië mislukte en hij kon alleen door te vluchten aan gevangenneming ontsnappen. Fulco V van Anjou koos de kant van Hendrik en Lodewijk moest de strijd opgeven. Lodewijk intervenieerde in 1122 tegen de lokale graaf in Auvergne ten gunste van de bisschop. Het volgende jaar (1123) mislukte een nieuwe poging om Willem Clito aan de macht te brengen in Normandië. In 1126 kwam het opnieuw tot een interventie in Auvergne, waarop de graaf steun vroeg aan de hertog van Aquitanië, die er juist voor koos om nu de koning te huldigen. Lodewijk bestrafte in 1127 de moord op Karel de Goede door de betrokkenen van een toren in Brugge te laten werpen. Omdat Karel geen erfgenamen had, wees Lodewijk nu Willem Clito aan als graaf van Vlaanderen, maar die kreeg algauw met veel verzet te maken. Uiteindelijk werd Diederik van de Elzas als nieuwe graaf van Vlaanderen aangesteld. Tijdens Lodewijks afwezigheid kwam het tot een conflict tussen de koningin en de machtige kanselier Stephanus van Garlande, die steeds meer macht voor zichzelf en zijn familie trachtte te verwerven. Adelheid liet daarom de huizen van Stephanus en zijn partijgangers in Parijs verwoesten. Het volgende jaar (1128) kreeg Stephanus steun van Theobald van Blois en Hendrik I van Engeland. Na een beleg van twee maanden veroverde Lodewijk samen met Roeland van Vermandois zijn kasteel bij Livry. Lodewijk werd evenwel door een pijl van een kruisboog in het been getroffen en Roeland verloor een oog, maar de macht van Stephanus was gebroken. Hij verzoende zich met Lodewijk en zou zelfs nog een keer kanselier worden. In 1129 wees Lodewijk zijn oudste zoon, Filips, die zijn oogappel was, aan als opvolger en liet hem op 14 april tot medekoning benoemen. Het jaar daarop (1130) versloegen en doodden Lodewijk en Roeland van Vermandois Thomas van Marle, nadat die eerder Vermandois had aangevallen en een jongere broer van Roeland had gedood. Filips, Lodewijks medekoning en kroonprins, stierf op 13 oktober 1131 door een ongelukkige val van zijn paard. Lodewijk wees nu zijn zoon Lodewijk, die tot dan toe in de abdij van Saint-Denis was opgevoed, aan als opvolger, die door paus Innocentius II in Reims tot medekoning werd gezalfd en gekroond. In 1132 huldigde de graaf van Vlaanderen, Diederik van de Elzas, Lodewijk als zijn heer. Lodewijk trok in 1137, tegen het advies van zijn adviseurs, die van mening zijn dat hij door zijn zwaarlijvigheid (zijn bijnaam is letterlijk bedoeld en werd al tijdens zijn leven gebruikt) en chronische buikklachten niet tot deze onderneming in staat was, op tegen de roofridders van Saint-Brisson-sur-Loire. Lodewijk werd getroffen door dysenterie en overleed. Lodewijk trouwde op 28 maart 1115 met Adelheid van Maurienne, wat aangaf dat zijn ambities tot in het zuiden van Frankrijk reikten. In 1119 steunde hij de verkiezing van paus Calixtus II en kwam daarmee in conflict met keizer Hendrik V. In 1124 trok Hendrik V met een leger naar Frankrijk. Het lukte Lodewijk met de steun van Theobald van Blois en de hertog van Aquitanië om een groot leger op de been te brengen. De legers ontmoetten elkaar bij Metz en vanwege de onverwachte sterkte van het Franse leger besloot Hendrik om van strijd af te zien en zich terug te trekken. Lodewijk werd door alle tijdgenoten beschreven als een vriendelijke en vrolijke man. Hij was ook een krachtdadige koning en van groot belang voor de vestiging van de koninklijke macht in Frankrijk. Onder zijn bewind bloeiden de economie en de steden in de gebieden die onder zijn bewind stonden. Vanaf 1110 gaf hij steden stadsrechten. Bij zijn dood was Parijs de grootste stad van Frankrijk. Lodewijk stichtte daar de abdij van Saint-Victor, de priorij van Saint-Lazare en een vrouwenklooster op de Montmartre. Hij stelde een jaarmarkt in te Parijs en liet de oude Romeinse brug door een nieuwe stenen brug vervangen. Lodewijk rekruteerde zijn dienaren uit de lage adel en geestelijkheid om zo de macht van de grote adellijke families in te perken. Hij dwong zijn directe vazallen om zijn wetten te hanteren en geen eigen wetten te maken. Lodewijk stelde een koninklijke raad in. In 1137 werd hij door de stervende hertog van Aquitanië belast met de taak om een goede echtgenoot voor zijn erfdochter Eleonora van Aquitanië te vinden. Lodewijk liet deze kans om de positie van de Franse kroon te versterken niet voorbijgaan en verloofde haar direct met zijn zoon en kroonprins Lodewijk VII van Frankrijk.
Lodewijk en Adelheid kregen de volgende kinderen:
Filips (1116-1131)
Lodewijk VII (1120-1180)
Hendrik (1121-1175), aartsbisschop van Reims
Robert I van Dreux (ca. 1123-1188)
Constance (ca.1124-1176), gehuwd met Eustaas IV van Boulogne, daarna met Raymond V van Toulouse
Peter (1126 - 1183), heer van Courtenay
Filips (1131-1161), bisschop van Parijs
Lodewijk had ook een dochter bij Marie de Breuillet: Isabelle (circa 1105 - vóór 1175), zij trouwde rond 1119 met Willem van Chaumont, vermoedelijk de zoon van Hugo I van Vermandois.
G
AUTHIER DE SAINT VALERY I (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren in 1031, in Saint-Valery, Haute-Normandie, France, als kind van Bernard de Saint Valery en Caux I en Laurette de Domnart, zoals getoond binnen stamboom 610. Gauthier werd seigneur de Saint-Valery. Hij is gestorven in 1098, ongeveer 67 jaar oud, in Jerusalem, Palestine.
Walter van Saint-Valéry (overleden na 1098) was een Normandische heer die aanzienlijke landhuizen in Middlesex bezat na de Normandische verovering van Engeland , en later een belangrijke deelnemer werd aan de Eerste Kruistocht onder Robert van Normandië. Walter was de zoon van Bernard I van Saint-Valéry, de kleinzoon van Papia van Normandië (de tante van Willem de Veroveraar ) en de achterkleinzoon van Richard II, hertog van Normandië . Walter was afkomstig uit Saint Valery-sur-Somme in Vlaanderen , vanwaar William in 1066 vertrok. Na de Normandische verovering ontving Walter de landhuizen van Hampton en Isleworth (bestaande uit de honderd van Hounslow ), samen met eigendommen in Olden en Creeting in Suffolk.
Walter nam deel aan de Eerste Kruistocht en vergezelde Robert van Normandië als lid van Roberts leger . Hij was aanwezig bij de belegering van Nicea in 1097 en verkende samen met de Turkse christelijke bekeerling Bohemond het leger van Ridwan vóór de Slag om het Meer van Antiochië . Hij bewaakte Adhemar van Le Puy in de bergen nabij de haven van Simeon nadat hij had gevonden wat vermoedelijk de Heilige Lans was .
Walter trouwde met Hodierna van Montlhéry, dochter van Guy I van Montlhéry en Hodierna van Gometz . Walter en Hodierna hadden twee zonen:
Bernard II van Saint-Valéry
Eudon van Saint-Valéry.
Zowel Bernard II als Eudon namen deel aan de Eerste Kruistocht. Bernard II was samen met zijn vader aanwezig bij het beleg van Nicea.
HUGUES DE DAMMARTIN I (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren rond 1037, in Dammartin-En-Goële, Seine-Et-Marne, Île-De-France, France, als kind van Manasses de Dammartin en Constance de Dammartin, zoals getoond in stamboom 812. Hij is gestorven rond 1095, ongeveer 58 jaar oud, in Saint-Leu-d'Esserent, Oise, Picardie, France.
Graaf van Dammartin. Heer van Hescerent (Saint-Leu-d'Esserent, Oise). Hij ging op pelgrimstocht naar Palestina en was daar gevangen genomen, maar uiteindelijk vrijgelaten in 1081 na betaling van een losgeld van de abdij van Cluny. Hij was beschermer van de Parijse collegiale kerk van Saint-Martin. Hij stichtte in 1085 de priorij van Saint-Leu d'Esserent een etappe van de weg naar Compostela. Op het einde van zijn leven werd hij monnik in de priorij van Saint-Leu-d'Esserent, die hij had gesticht. Hij stierf daar en werd daar begraven.
GRAAF REINOUD VAN BAR I (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren in 1077, in Bar-Le-Duc, Meuse, Lorraine, France, als kind van Diederik van Bar I en Ermentrude van Bourgondië, zoals getoond in stamboom 813. Reinoud werd `Eenoog' genoemd. In 1102, ongeveer 25 jaar oud, werd hij Comte, de Bar-le-Duc, de Mousson, de Brie, de Verdun. Hij is gestorven op 10 februari 1149, ongeveer 71 jaar oud, in Middelandse zee. Hij werd begraven in Mouson, Pont à Mousson, Meurthe-et-Moselle, Grand Est, France. Reinoud I van Bar (ca. 1076 - op de Middellandse Zee, 1149) was de tweede zoon van Diederik I van Montbéliard en van Ermentrude van Bourgondië. In 1102 werd Diederik benoemd tot voogd van Saint-Pierremont (Vosges). Bij het overlijden van zijn vader in 1105 werd hij graaf van Bar en van Mousson, en kreeg hij het graafschap Verdun in leen van de bisschop van die stad. In hetzelfde jaar stichtte hij de abdij van Froidefontaine. In 1106 verkocht Reinoud het fort van Commercy aan de abt van Saint-Mihiel. In 1111 ontstond er een conflict tussen de paus en keizer Hendrik V over de benoeming van een nieuwe bisschop in Verdun. Reinoud koos de kant van de paus maar nam wel zijn gezant gevangen. Reinoud had nu zowel een conflict met de keizer als met de paus. De bisschop nam hem de voogdij over Dieulouard af en gaf deze aan de hertog van Luxemburg. In 1114 werd Reinoud gevangengenomen door keizer Hendrik V en deze liet hem pas vrij nadat hij een eed van trouw had gezworen. Reinoud onderhandelde een compromis met Willem I van Luxemburg en verwierf zo Stenay en Mouzay. Hij kreeg ook het graafschap Verdun terug maar zou het bij twisten over de volgende bisschopsbenoeming én weer kwijtraken (1120), én weer terugkrijgen (1124). Bij zijn intrede in de stad in 1114 raakte Reinoud overigens gewond. Reinoud deed in 1128 de gelofte om op kruistocht te gaan. Hij verwierf het graafschap Briey en ruilde Verdun uiteindelijk in 1134 voor het graafschap van Clermont-en-Argonne. Reinoud beweerde als verwant van Godfried van Bouillon erfrechten te hebben op Bouillon. Toen onderhandelingen mislukten, veroverde hij Bouillon in 1134 maar in 1141 was hij gedwongen het kasteel weer op te geven. Reinoud nam met twee van zijn zoons deel aan de Tweede Kruistocht, die eindigde in 1149 door een totale mislukking voor de kruisvaarders, die naar Europa terugkeerden zonder een militaire overwinning in het Oosten te hebben behaald. Hij overleed op zee, tijdens de terugreis. Hij was in 1120 gehuwd met Gizela (ca. 1090 - 26 december na 1141), dochter van Gerard I van Vaudémont en weduwe van Reinoud III van Toul, en werd de vader van:
Hugo (gesneuveld Bouillon, 29 september 1141), begraven te Saint-Mihiel.
Reinoud II
Diederik († 1171), 1128 aartsdeken van Metz, 1137 bestuurder van de geestelijken in Metz, 1156 aartsdeken van Verdun, 1163 bisschop van Metz, begraven in de kathedraal van Metz.
Agnes, in 1140 gehuwd met Albert I van Chiny
Clementia, in 1140 gehuwd met Reinoud II van Clermont (1070-1162) en met Theobald III van Crépy
Mathilde, gehuwd met Koenraad I van Kyrburg
Stephania, gehuwd met Hugo III van Broyes, ze kregen vier kinderen
Gizela kreeg drie zoons uit haar eerste huwelijk.
ODO I VAN BOURGONDIË (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren in 1058, in Bourgogne, Frankrijk, als kind van Hendrik van Bourgondië en Sybilla van Bourgondië, zoals getoond in stamboom 817. Hij is gestorven (tijdens 1e Kruistocht) op 23 maart 1102, ongeveer 43 jaar oud, in Tarsus, Turkije.
Odo I van Bourgondië (1058 - Tarsus, 1102), bijgenaamd Borel (de Rode) was de tweede zoon van Hendrik van Bourgondië (zelf een zoon van hertog Robert I van Bourgondië) en Sybilla van Barcelona. In 1079 volgde hij zijn broer Hugo I van Bourgondië op als hertog. Odo trok in 1087 naar Spanje om er de Moren te gaan bestrijden en nam deel aan de verovering van Toledo. Samen met zijn broer Robert stichtte hij de bekende abdij van Cîteaux en in 1093 werd de abdij van Clairvaux gesticht. Hij stierf tijdens de Eerste Kruistocht in Tarsus. Odo was in 1080 gehuwd met Sibylle (1065-1103), dochter van graaf Willem I van Bourgondië, en was vader van:
Helena (1080-1142), gehuwd in 1095 met Bertrand (-1112), graaf van Toulouse en graaf van Tripoli, en in 1115 met Willem III Talvas, graaf van Alençon en van Ponthieu.
Florina (1083-1097), gehuwd met Sven (-1097), prins van Denemarken.
Hugo II van Bourgondië (1084-1143).
Hendrik (1087-1131), pater.
KONING HENDRIK VAN ENGELAND I (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren op 21 september 1068, in Selby, Yorkshire and Humberside, Groot Brittanië, als kind van Willem Koning van Engeland van Normandië I en Mathilde van Normandie, zoals getoond in stamboom 821. Hij werd gedoopt in 1068, in Selby, Yorkshire and Humberside, Groot Brittanië. Hij werd Koning van Engeland, hertog van Normandië. Hij is gestorven op 1 december 1135, 67 jaar oud, in Lyons-La-Forêt, Eure, Normandie, Frankrijk.
Hendrik had vijf geregistreerde relaties. Hij huwde met Mathildis van Schotland (zijn 4 maal achter-nicht), Adelheid van Leuven (zijn achter-achter-achternicht, 1 gen. verwijderd,) en Edith van Schotland. Hij werd ook een partner van Sybilla Corbet.
Hendrik I van Engeland Beauclerc (Selby (York), ca. 1068 – Lyons-la-Forêt (Frankrijk), 1 december 1135) was koning van Engeland en hertog van Normandië. Zijn bijnaam had hij te danken aan de lange tijd aangehouden opvatting dat hij een voor die tijd uitzonderlijk goede opleiding had genoten en naast Normandisch Frans, ook Latijn en Engels las en sprak en enig onderwijs in de vrije kunsten zou hebben gehad. Het moderne onderzoek gaat er echter van uit dat hij weliswaar het Latijn enigszins machtig was en ook wel enige notie van de vrije kunsten had, maar dat zijn talenkennis niet zo enorm was als men vroeger aannam. Hendrik werd vermoedelijk in 1068, ofwel tijdens de zomer of de laatste weken van dat jaar, in Engeland geboren, mogelijk in Selby. Hendrik was het jongste kind van Willem de Veroveraar en Mathilde van Vlaanderen, hij is vermoedelijk vernoemd naar Hendrik I van Frankrijk, een oom van Mathilde. Hij werd waarschijnlijk opgevoed door een clericus, mogelijk bisschop Osmund van Salisbury, de kanselier van Willem, al is het onduidelijk of dit erop wijst dat zijn ouders voor Hendrik een kerkelijke carrière voor ogen hadden. Op 24 mei 1086 werd hij door zijn vader tot ridder geslagen. Willem raakte in 1087 dodelijk gewond door een ongeval tijdens een militaire campagne in de Vexin. Hendrik bezocht het sterfbed van zijn vader in Rouen. Willem gaf Normandië aan zijn oudste zoon, Robert Curthose, hoewel die op dat moment in opstand tegen zijn vader was, hij gaf Engeland aan zijn derde zoon Willem, Hendrik kreeg een geldbedrag van 5000 pond en de landerijen van zijn moeder in Buckinghamshire en Gloucestershire. Hun tweede zoon Richard was reeds in ca. 1075 overleden door een jachtongeluk. Robert, de oudste, was boos omdat Willem Engeland had gekregen. Willem had zich snel in Engeland laten kronen en nu wilde Robert een oorlog tegen hem beginnen. Hendrik was in Normandië en steunde Robert, maar misschien had hij geen andere keuze. Voor Willem was dat aanleiding om zijn landerijen in Buckinghamshire en Gloucestershire in beslag te nemen. Hendrik had nu geen land, alleen geld. Het volgende jaar werd het duidelijk dat de plannen van Robert op niets zouden uitlopen, vooral wegens geldgebrek. Robert vroeg Hendrik om hem geld te lenen maar die had liever land en uiteindelijk kocht hij de grafelijke rechten in de Cotentin en het gebied rond Avranches, voor een bedrag van drieduizend pond. De invloed van Hendrik nam hierdoor sterk toe want in dit gebied lagen belangrijke bezittingen van Hugo van Avranches, earl van Chester, Richard van Redvers, grootgrondbezitter in Dorset, en de belangrijke abdij van Mont Saint-Michel. Hendrik maakte zich snel geliefd bij de Normandische edelen in het westen van het hertogdom. Robert probeerde kort daarna om de grafelijke rechten van Hendrik terug te kopen maar door de steun van zijn edelen kon Hendrik dit bod afslaan. In de zomer van 1088 bezocht Hendrik zijn broer Willem in Engeland, in een poging om de landerijen van zijn moeder terug te krijgen. Toen Hendrik na een paar maanden (zonder succes) terugkeerde naar Normandië, werd hij op beschuldiging van samenzwering tegen Robert gevangengenomen door Odo van Bayeux, en opgesloten in Neuilly-la-Forêt. Robert nam de graafschappen van Hendrik in beslag. Onder druk van Normandische edelen werd Hendrik in het voorjaar van 1089 vrijgelaten. Hendrik was geen graaf meer maar hij had nog wel veel invloed in het westen van Normandië. Willem kreeg de opstandige edelen in Engeland steeds meer onder controle en begon zijn aandacht aan Normandië te wijden. Hij versterkte zijn banden met Normandische edelen en stookte de burgerij van Rouen op om in opstand te komen. In reactie sloot Robert een verdrag met Filips I van Frankrijk. Eind 1090 kwam een groep burgers onder leiding van Conan Pilatus in opstand. Robert deed een beroep op zijn edelen om de opstand te onderdrukken en Hendrik was de eerste belangrijke edelman die hem te hulp kwam. In Rouen ontstonden verwarde straatgevechten. Robert zocht een veilig onderkomen in het kasteel van de stad maar Hendrik wist de gevechten in zijn voordeel te beslissen. Conan werd gevangengenomen en bood een groot losgeld voor zijn vrijlating, maar Hendrik besloot om van hem een voorbeeld te maken en gooide hem van een van de torens van het kasteel. In plaats van hem te belonen, dwong Robert Hendrik om de stad te verlaten. De argumenten die hiervoor worden genoemd zijn dat Hendrik alom werd gezien als de man die de opstand had onderdrukt, wat Robert niet zou hebben kunnen verdragen, of dat Hendrik als beloning had gevraagd om zijn graafschap terug te krijgen. In het voorjaar van 1091 kwam Willem met een leger naar Normandië. Robert en Willem begonnen onderhandelingen. Willem kreeg bezittingen in Normandië en in ruil daarvoor zou hij Robert helpen om Maine te verwerven. Robert en Willem benoemden elkaar tot erfgenaam en sloten Hendrik uit van erfopvolging. Door deze afspraken kwam het tot oorlog tussen Hendrik en zijn broers. Hendrik vormde een leger van huurlingen maar de edelen die hem steunden liepen snel over naar het kamp van Willem en Robert. Met zijn resterende strijdkrachten trok Hendrik zich in maart 1091 terug op Mont Saint-Michel. Uiteindelijk moest Hendrik ook dit eiland opgeven en trok hij via Bretagne naar Frankrijk. De samenwerking van Willem en Robert viel nu uiteen en ze begonnen elkaar weer te bestrijden. De inwoners van Domfront (Orne) kwamen in 1092 in opstand tegen hun heer Robert II van Bellême. Ze vroegen aan Hendrik om hun heer te worden en hieraan voldeed Hendrik heel graag. Hendrik begon vanuit Domfront zijn oude netwerk weer op te bouwen. In 1094 had hij zoveel aanhang verzameld dat hij beslissingen over leengoederen kon nemen alsof hij de hertog van Normandië was. Willem steunde Hendrik met geld, tegen Robert. Hendrik gebruikte de middelen onder andere om het kasteel van Domfront te vergroten en te versterken. Willem viel in 1094 Normandië binnen. Door de militaire aanwezigheid van Willem kon Hendrik het westen van Normandië vast in handen krijgen. Willem ging al snel terug naar Engeland en Hendrik werd een belangrijke hoveling van Willem. Robert leende een groot bedrag van Willem om deel te kunnen nemen aan de Eerste Kruistocht. In ruil daarvoor kreeg Willem het bestuur over het oostelijk deel van Normandië, tijdens de afwezigheid van Robert. In 1097 en 1098 voerden Hendrik en Willem samen campagne in de regio Vexin. Op 2 augustus 1100 overleed Willem door een verdwaalde pijl (tot op heden voeding voor complottheorieën) tijdens een jachtpartij in New Forest waar Hendrik ook aan deelnam, al is men het er in het moderne historische onderzoek over het algemeen over eens dat een jachtongeval de meest waarschijnlijke doodsoorzaak is. Na een korte discussie in Winchester (Robert was nog afwezig vanwege de kruistocht) steunde een groot deel van de aanwezige edelen de claim van Hendrik op de troon. Hendrik bezette het kasteel van Winchester en maakte zich meester van de Engelse schatkist. Op 5 augustus 1100 werd hij in grote haast gekroond in Westminster Abbey door de bisschop van Londen, omdat aartsbisschop Anselmus van Canterbury door Willem was verbannen en de aartsbisschop van York niet op tijd in Londen kon zijn. Hendrik beloofde de rechten van de Kerk en de edelen te eerbiedigen en de vrede in het koninkrijk te zullen handhaven (Charter of Liberties). Hendrik beloonde zijn oude aanhangers met nieuwe leengoederen en handhaafde de belangrijkste bestuurders van Willem, behalve de gehate Ranulf Flambard (bisschop van Durham) die wegens corruptie gevangen werd gezet in de Tower of London. Willem had in zijn conflict met de Kerk een aantal belangrijke posten open gelaten en Hendrik benoemde zijn kandidaten voor die posities. Hij vroeg Anselmus van Canterbury om terug te komen naar Engeland, en de benoemingen te bevestigen. Op 11 november 1100 trouwde Hendrik met Edith, dochter van koning Malcolm III van Schotland. Zij was een nicht van Edgar Ætheling, die na de dood van Harold II van Engeland nog tot koning van Engeland was uitgeroepen maar niet meer werd gekroond, en een achterkleindochter van koning Edmund II van Engeland. Zij was dus een afstammeling van het oude Engelse koningshuis en dit huwelijk ondersteunde dus de rechten van Hendrik op de Engelse troon. Als gebaar naar de Normandische adel veranderde ze haar naam van Edith (een typisch Angelsaksische naam) in Mathilda (een Frankische naam). Mathilda was opgevoed in kloosters en had vermoedelijk geloften afgelegd om een non te zullen worden. Nu deed ze een beroep op Anselmus van Canterbury om vrijgesteld te worden van deze beloften, om met Hendrik te kunnen trouwen. Anselmus stelde een commissie van geestelijken in om het probleem te onderzoeken. De conclusie was dat Mathilda feitelijk nog geen non was geworden, en dus vrij was om te trouwen. Mathilde bleek een energieke koningin te zijn die enkele malen als regent voor Hendrik optrad en deelnam aan besprekingen aan het hof. Na de geboorte van haar kinderen, Mathilde van Engeland (1102) en William Adelin (1103), bleef ze meestal in Winchester als Hendrik op reis was, en was ze betrokken bij het dagelijks bestuur van Engeland. Hendrik had kinderen bij ten minste vijftien andere vrouwen en had vermoedelijk nog meer relaties. Een deel van die relaties zal voor zijn huwelijk zijn geweest (hij was al meer dan dertig jaar oud toen hij trouwde) maar een aanzienlijk deel van zijn relaties was ook tijdens zijn huwelijk. Robert, teruggekomen van de kruistocht, voelde zich door Hendrik bestolen. Robert meende zelf recht te hebben op de Engelse troon. De trouw van de Engelse edelen aan Hendrik was nog allerminst vanzelfsprekend maar Robert bleek alweer niet in staat om een invasie te organiseren. Dit veranderde toen Ranulf Flambard in februari 1101 uit de Tower ontsnapte en zich bij Robert voegde. Hij organiseerde voor Robert een invasie van Engeland. Hendrik nam de bezittingen van Ranulf in beslag en liet hem door Anselmus van Canterbury uit zijn bisschopsambt zetten. In april en juni 1101 liet Hendrik zijn edelen hun eed van trouw aan hem herhalen, en hij posteerde een leger en een vloot bij Pevensey. Veel edelen kwamen niet opdagen, hoewel een aantal zich nog bij Hendrik voegden na persoonlijke druk door Anselmus. Robert verraste Hendrik door met een klein leger bij Portsmouth te landen. Robert liet de kans voorbij gaan om Winchester (met Hendriks schatkist) te bezetten, maar zijn leger werd wel versterkt door een groot aantal Engelse edelen. De legers van Robert en Hendrik ontmoetten elkaar bij Alton. Het lukte om een veldslag te voorkomen en de besprekingen leidden tot een verdrag waarbij werd afgesproken dat Hendrik koning van Engeland bleef, hij zijn bezittingen in Normandië zou opgeven (behalve Domfront) en Robert 2000 pond per jaar van Hendrik zou ontvangen. Verder benoemden ze elkaar tot erfgenaam voor het geval ze zonder kinderen zouden overlijden, beloofde Hendrik om Robert te helpen om Normandië te verdedigen, zou de ene broer geen strafmaatregelen nemen tegen edelen die de andere broer hadden gesteund, en werd Ranulf Flambard hersteld in zijn functies en kreeg hij zijn bezit terug. Robert bleef enkele maanden in Engeland als gast van Hendrik. Ondanks het verdrag vervolgde Hendrik de belangrijkste medestanders van Robert, op grond van aanklachten waar het verdrag van Alton niet op van toepassing was. Willem II van Warenne werd verbannen maar kon zich in 1103 weer met Hendrik verzoenen. Robert van Bellême en zijn broers werden beschuldigd van een groot aantal misdrijven. Robert van Bellême nam de wapens op tegen Hendrik en veroverde Roberts kastelen in Arundel, Tickhill en Shrewsbury. Uiteindelijk werd Robert van Bellême opgesloten in het kasteel van Bridgnorth en had hij geen andere keuze dan ook in ballingschap te gaan. In 1103 begon Hendrik zijn netwerk in Normandië weer te activeren. Hij liet meerdere van zijn onechte dochters met Normandische edelen trouwen en gaf grote giften aan andere edelen. Ondertussen was zijn broer Robert gedwongen om te gaan samenwerken met Robert van Bellême. In 1104 trok Hendrik daarom naar Domfront en had daar besprekingen met een groot aantal edelen. Ook zocht hij zijn broer op en beschuldigde hem ervan met zijn vijanden samen te werken, wat een schending van het verdrag van Alton zou zijn. In 1105 stuurde Hendrik zijn vriend Robert Fitzhamon met een groep ridders de gebieden van zijn broer in. Toen Robert Fitzhamon gevangen werd genomen, bestempelde Hendrik dit als een oorlogsdaad en had hij een aanleiding om zijn broer aan te vallen, met als excuus dat hij orde en vrede moest herstellen. Via diplomatie had Hendrik bereikt dat de belangrijke Noord-Franse edelen en de koning van Frankrijk zich afzijdig zouden houden. Hendrik bezette het westen van Normandië en trok naar Bayeux waar Robert Fitzhamon gevangen werd gehouden. De stad weigerde om Hendrik toe te laten en Hendrik belegerde de stad. Toen hij Bayeux had ingenomen werd de stad tot de grond toe afgebrand. Caen gaf zich daarom zonder tegenstand over en Hendrik kon daarna met beperkte verliezen Falaise bezetten. Daarna stagneerde Hendriks campagne. Hij begon onderhandelingen met Robert maar die leverden ook geen succes op, daarom ging Hendrik met kerst naar Engeland. In juli 1106 kwam Hendrik terug naar Normandië en belegerde het kasteel van Tinchebray. Hertog Robert en Robert van Bellême leidden in september een leger om het kasteel te ontzetten. Het leger van Robert viel dat van Hendrik aan. Toen de gevechten volop bezig waren, vielen Hendriks bondgenoten uit Maine en Bretagne het leger van Robert in de flanken aan. Na een uur was de veldslag beslist. Hertog Robert was gevangengenomen maar Robert van Bellême kon vluchten. Robert gaf zijn aanhangers opdracht om het verzet tegen Hendrik te staken. Hendrik verzoende zich met Robert van Bellême die in ruil goederen opgaf die hij van Robert had gekregen. In Rouen zwoer Hendrik de wetten en gebruiken van Normandië te zullen handhaven. Robert bleef gevangen en zijn zoon Willem Clito werd door Hendrik onder de bescherming van Helias van Saint-Saëns geplaatst. Dit was opmerkelijk want Helias was een van de belangrijkste en machtigste van de aanhangers van Robert geweest. Hendrik kon Robert zijn formele positie als hertog niet afnemen. Hij vermeed gebruik van de titel "hertog" van Normandië en presenteerde een beeld van hemzelf als een waarnemer die de vrede in het hertogdom herstelde. Met het koningschap van Engeland had Hendrik ook aanspraken op gezag over Schotland en Wales van zijn broer geërfd. De verhoudingen met Schotland, waar zijn schoonvader regeerde, waren in de regel goed. Tijdens het bestuur van Hendrik werd de Engels-Normandische invloed in Schotland geleidelijk sterker. Wales was een lappendeken van inheemse en Engels-Normandische feodale eenheden, en enkele koninklijke kastelen. Hendrik vergrootte zijn invloed in Wales door voorzichtige diplomatie. In Engeland zelf versterkte Hendrik zijn greep op de adel door consequent zijn aanhangers te belonen en tegenstanders te straffen, hoewel hij niet bijzonder streng was in zijn straffen. Gedurende zijn bestuur verloren belangrijke opstandige families, die hun standpunten niet wilden opgeven, alle belangrijke functies die ze hadden. Hendrik had een netwerk van spionnen zodat hij goed wist wat zijn edelen uitvoerden. Hendrik had een uitgebreid rondreizend hof met een administratie (onder de kanselier) en een schatkist (onder de kamerheer) terwijl de maarschalk voor de logistiek en de voorzieningen zorgde. Daarnaast had Hendrik een permanente koninklijke garde van een paar honderd man. De hofhouding was aan strenge regels onderworpen, zo was het verboden om de omgeving te plunderen (wat onder zijn voorganger een normale praktijk was). In zijn paleis in Woodstock had Hendrik een eigen dierentuin. Hendrik gebruikte ministerialen om recht en financiën te hervormen. Het rechtssysteem werd gebaseerd op het Angelsaksische recht, veel wetten werden gemoderniseerd en op schrift vastgelegd en Hendrik stelde een systeem van reizende rechters in. Er werd een systematische boekhouding ingevoerd voor de inkomsten en de uitgaven van de schatkist. Hendrik hervormde het muntstelsel en voerde strenge straffen in voor muntmeesters die knoeiden met het gehalte van edelmetalen in munten. Deze maatregelen werden apart van elkaar, zowel in Engeland als in Normandië ingevoerd. Hendrik had de steun van de Kerk hard nodig, zowel om zijn positie in Engeland te versterken als in het conflict met Robert. Hij werkte nauw samen met aartsbisschop Anselmus van Canterbury (bijvoorbeeld met concilies voor de hervorming van de Kerk in 1102 en 1108) maar kreeg ook te maken met diens strikte standpunt inzake de investituurstrijd. Anselmus volgde het standpunt van paus Urbanus II dat geestelijken niet onder het gezag van de vorst konden staan. Dit had er al toe geleid dat Anselmus door Hendriks broer Willem was verbannen. Hendrik had hem terug laten komen omdat hij de steun van de Kerk nodig had. Hendrik en Anselmus probeerden de kwestie door onderhandelingen op te lossen maar uiteindelijk koos Anselmus ervoor om weer in ballingschap te gaan, en Hendrik legde beslag op zijn inkomsten. In 1105 werd eindelijk een oplossing gevonden waarbij bisschoppen de vorst alleen zouden erkennen als leenheer voor hun wereldlijke goederen. In zijn eerste periode als koning benoemde Hendrik vooral vertrouwde hovelingen als bisschop. Vanaf ongeveer 1125 benoemde hij vooral geestelijken die de hervorming van de Kerk steunden. In 1119 kwam Hendrik in conflict met zijn vriend Thurstan van Bayeux, de aartsbisschop van York. De aartsbisschop van Canterbury vond (net als Hendrik) dat zijn collega van York hem gehoorzaamheid moest zweren maar Thurstan weigerde dat. In 1119 was zijn benoeming hierdoor al vijf jaar opgehouden. In dat jaar bezocht Thurstan de paus en werd door hem gewijd. Hendrik voelde zich bedrogen en verbande Thurstan tot de kwestie in 1120 werd opgelost. Hendrik was aanvankelijk niet erg religieus maar zou zich na de dood van zijn zoon William Adelin (1120) en de huwelijkscrisis van zijn dochter Mathilde van Engeland (1129) meer voor het geloof zijn gaan interesseren. Hendrik steunde de orde van Cluny, hij schonk een groot bedrag aan de abdij van Cluny en gaf grote schenkingen voor de stichting van de abdij van Reading. Daarnaast zorgde Hendrik voor het organiseren van reguliere kanunniken volgens de Regel van Augustinus, stichtte hij leprahospitalen en trof hij voorzieningen voor nonnenkloosters, en voor de grijze monniken van Savigny-le-Vieux en Thiron-Gardais. Hendrik verzamelde relieken en stuurde in 1118 een gezantschap naar Constantinopel om relieken te verzamelen. Een aantal relieken gaf hij aan de abdij van Reading. Door de dood van zijn broers Richard en Willem en door de nederlaag van zijn broer Robert, was Hendrik de onbetwiste koning van Engeland en hertog van Normandië geworden. In 1108 werd Lodewijk VI koning van Frankrijk en hij had de ambitie om het gezag van de Franse kroon te versterken. Lodewijk eiste dat Hendrik hem als leenheer zou erkennen voor Normandië en dat hij twee betwiste kastelen zou opgeven. Toen Hendrik weigerde dreigde Lodewijk met oorlog. Onderhandelingen konden een oorlog voorkomen, zonder dat Hendrik concessies deed. Ten zuiden van Normandië erfde Fulco V van Anjou het graafschap van Anjou en door zijn huwelijk werd hij ook graaf van Maine. Hendrik vond dat Maine een leengoed van Normandië was maar Fulco huldigde Lodewijk als zijn leenheer voor Maine. Er ontstond zo een bondgenootschap tegen Hendrik waar Robrecht II van Vlaanderen zich ook bij aansloot. Hendrik reageerde door zijn dochter Mathilda te laten trouwen met keizer Hendrik V. Hij gaf Mathilda een bruidsschat mee van 6.666 ponden, waar een extra belasting voor moest worden geheven. Bovendien verloofde Hendrik zijn zoon Willem Adelin met een dochter van Fulco, en liet hij een van zijn onechte dochters trouwen met hertog Conan III van Bretagne. Net als in Engeland begon hij edelen die hij niet vertrouwde, uit hun positie te verwijderen. Hun bezittingen gebruikte hij om nieuwe medestanders te verwerven. In 1110 probeerde Hendrik om zijn neef Willem Clito te arresteren maar die werd door zijn voogd in Vlaanderen in veiligheid gebracht. Robert van Bellême koos de kant van Lodewijk van Frankrijk maar toen die hem als ambassadeur naar Hendrik stuurde, werd Robert prompt gevangengenomen. Toen er in 1111 een opstand uitbrak tegen de koning van Frankrijk kon Hendrik de druk op Lodewijk verder opvoeren door zijn neef Theobald IV van Blois, zoon van zijn zus Adela van Engeland, te steunen, die een van de belangrijkste opstandelingen was. Lodewijk was in 1113 gedwongen om opnieuw vredesbesprekingen met Hendrik te voeren. Lodewijk erkende dat Maine, Bretagne en Bellême leengoederen waren van Normandië en hij erkende het gezag van Hendrik over de twee omstreden kastelen. Hendrik begon zich rond deze tijd "hertog van Normandië" te noemen. Hendrik had in 1108 een campagne geleid in het zuiden van Wales en in Pembrokeshire had hij een groep Vlamingen gevestigd om de wildernis te ontginnen. Maar de Welshe prinsen Owain ap Cadwgan en Gruffudd ap Cynan begonnen zich geleidelijk onafhankelijker op te stellen en ze bedreigden de Engels-Normandische edelen in Wales en de earl van Chester. Daarom viel Hendrik met drie legers Wales binnen, het noordelijke leger werd geleid door Alexander I van Schotland, het zuidelijke leger door Gilbert (Fitz Richard) de Clare, terwijl Hendrik zelf het middelste leger aanvoerde. Al snel vroegen Owain en Gruffudd om onderhandelingen. Hendrik versterkte de Engelse positie in Wales door nieuwe Engels-Normandische edelen te benoemen als heer van Welshe grensgebieden. Zo werd Gilbert Fitz Richard graaf van Ceredigion. Om de opvolging van zijn zoon William Adelin zeker te stellen, zocht Hendrik in 1115 weer toenadering tot Lodewijk. Hij bood aan om Lodewijk als zijn leenheer voor Normandië te huldigen en hem een groot bedrag te betalen, als Lodewijk Willem zou erkennen als erfgenaam van Normandië. Op het laatste moment trok Lodewijk zich terug uit de onderhandelingen en verklaarde hij de neef van Hendrik, Willem Clito, de zoon van Hendriks oudste broer Robert, als wettige erfgenaam van Normandië te zien. Hendrik gaf nu weer militaire steun aan Theobald en in 1116 was er een open oorlog tussen Hendrik en Lodewijk. Eerst vonden er over en weer enkele plunderingen plaats maar toen vielen Franse troepen, met hulp uit Vlaanderen en Anjou, Normandië binnen. Bovendien kwam een deel van de Normandische adel in opstand, onder leiding van Amalrik III van Montfort. Hendriks vrouw Mathilda overleed in 1118 maar de situatie in Normandië was zo ernstig dat Hendrik haar begrafenis niet kon bijwonen. De positie van Hendrik werd zo benard dat zelfs zijn onechte dochter Juliana en haar man Eustatius van Breteuil naar de tegenpartij wilden overlopen. Hendrik veroverde Breteuil, waarbij Juliana nog probeerde om haar vader met een kruisboog neer te schieten, en ontnam het paar al hun bezittingen. In 1119 stemde Fulco eindelijk toe in het huwelijk van Willem, de zoon van Hendrik, met zijn dochter, Mathilde van Anjou, maar Hendrik moest daar wel een groot bedrag voor neertellen. Fulco vertrok daarna naar het Heilige Land. Hendrik rekende met Lodewijk af in een veldslag bij Brémule. Daarna verzoende Hendrik zich met Amalrik van Montfort maar een poging om paus Calixtus II het conflict met Lodewijk te laten oplossen mislukte, want de paus wilde zich er niet mee bemoeien. Uiteindelijk onderhandelden Lodewijk en Hendrik in 1120 zelf een vrede. Hendriks zoon Willem huldigde Lodewijk als zijn leenheer voor Normandië en Lodewijk erkende Willem als de erfgenaam van Normandië. Eind november 1120 reisde Hendrik met zijn hofhouding naar Engeland. Hendriks zoon Willem Adelin reisde op het White Ship met een gezelschap jonge edelen. Dit schip liep op 25 november 1120 op de rotsen en zonk en Willem overleed met de rest van de opvarenden. Hierdoor had Hendrik geen wettige zoon meer om hem op te volgen. Hendrik hertrouwde snel (januari 1121) met Adelheid van Leuven. De ramp had ook andere politieke gevolgen: Hendriks verbond met Anjou werd nu niet meer door een familieband bijeen gehouden. Hendrik weigerde de weduwe haar bruidsschat terug te geven en Fulco trouwde een van zijn dochters met Hendriks neef Willem. Hendrik betaalde paus Calixtus een groot bedrag om dit huwelijk ongeldig te laten verklaren. Fulco stookte de Normandische edelen op om weer in opstand te komen. Omdat de earl van Chester ook was verdronken, kwam de Welshe prins Maredudd ap Bleddyn in opstand. Hendrik moest daarom in de zomer van 1121 op campagne in Wales. Hoewel hij door een pijl werd getroffen kon hij de opstand onderdrukken. In 1123 onderdrukte Hendrik de opstand in Normandië. Omdat hij nog geen kinderen uit zijn tweede huwelijk had, begon hij andere erfgenamen te overwegen. De belangrijkste kandidaten waren zijn onechte zoon Robert, zijn neef Willem Clito (die de steun had van Lodewijk van Frankrijk) en zijn neven Theobald en Stefanus van Blois, zonen van zijn zus Adela van Engeland . Hendrik arrangeerde een goed huwelijk voor Stefanus met Mathilde van Boulogne (1151), de rijkste erfdochter van Engeland. Maar omdat zijn dochter Mathilde in 1125 weduwe werd na de dood van Duitse keizer Hendrik V, kwam zij ook in aanmerking. In 1126 verklaarde Hendrik dat zij zijn erfgename zou worden, als hij zonder wettige zonen zou overlijden. Hij liet zijn edelen in de komende jaren tot drie keer een eed afleggen dat zij Mathilda als erfgename zouden steunen. In 1127 overleed de graaf van Vlaanderen, Karel de Goede, zonder erfgenaam en Lodewijk VI, koning van Frankrijk, benoemde Hendriks neef Willem Clito tot graaf van Vlaanderen. Hendrik steunde zijn tegenstanders en financierde hun opstand. Lodewijk gaf dan weer hulp aan Willem en om dat dwars te zitten viel Hendrik zelf Lodewijk aan. Willem overleed onverwacht in juli 1128 en de vijandelijkheden werden snel gestaakt. Hendrik en Lodewijk konden zelfs formeel vrede sluiten. Hendrik herstelde de band met Anjou door zijn dochter Mathilda te laten trouwen met Godfried V van Anjou, de oudste zoon van Fulco. Kort na zijn huwelijk werd Godfried zestien jaar oud (hij was meer dan tien jaar jonger dan Mathilda) en droeg zijn vader, Fulco, het bestuur aan hem over. Fulco trouwde met Melisende van Jeruzalem en werd daardoor koning van Jeruzalem. Hij vertrok definitief naar het Heilige Land. Godfried en Mathilde hadden een slecht huwelijk en leefden al snel gescheiden van elkaar. Hendrik moest zijn dochter in 1131 dwingen om zich met haar man te verzoenen, en snel daarna werden twee zonen geboren. Mathilde wilde dat Hendrik de Normandische edelen ook trouw aan haar zou laten zweren maar Hendrik weigerde dat. Godfried en Mathilde steunden toen de volgende Normandische opstand (1135), onder Willem I van Ponthieu (zoon van Robert van Bellême). Hendrik kwam weer naar Normandië om de opstandelingen te onderdrukken en besloot daarna om te gaan jagen in Lyons-la-Forêt. Volgens kroniekschrijver Hendrik van Huntingdon is hij daar overleden omdat hij tegen advies van zijn arts een grote hoeveelheid lamprei heeft gegeten. Hij stierf na een ziekbed van enkele dagen. Zijn lichaam werd gebalsemd en begraven in de abdij van Reading. Hoewel Mathilde formeel zijn erfgename was, verliep de opvolging rampzalig. Op het nieuws van Hendriks dood trok zij naar Normandië maar nam daar rust toen bleek dat ze zwanger was. De Normandische adel gaf de voorkeur aan Theobald IV van Blois als hertog. Maar zijn broer Stefanus van Blois stak snel over naar Engeland en trok naar Winchester. Hij maakte zich meester van de Engelse schatkist en liet zich met hulp van zijn broer Hendrik van Blois, bisschop van Winchester, tot koning van Engeland kronen. Dit zou uitlopen op een langdurige en bittere burgeroorlog in Engeland tussen Stefanus en Mathilda. Dat conflict zou pas worden opgelost toen Mathilda's zoon Hendrik vrede sloot met Stefanus, en hem uiteindelijk opvolgde als koning. In zijn eerste huwelijk was Hendrik getrouwd met Mathilde van Schotland (Westminster Abbey, 11 november 1100). Ze kregen de volgende kinderen:
Mathilde van Engeland, keizerin van Duitsland, erfgename na overlijden van haar broer en daardoor lange tijd in een burgeroorlog in Engeland verwikkeld;
William Adelin erfgenaam van Hendrik maar overleden voor zijn vader.
Na het overlijden van William Adelin hertrouwde Hendrik met Adelheid van Leuven (kapel van Windsor Castle, 29 januari of 2 februari 1121) in de hoop op nieuwe zoons, maar dit huwelijk bleef kinderloos. Hendrik had vele onwettige kinderen van wie hij er 20 tot 25 erkende. Bekend zijn:
bij een onbekende vrouw uit Caen:
Robert van Gloucester (graaf);
bij Edith, zij bezat land in Devon:
Mathilde Fitz Edith (overleden 25 november 1120) overleden aan boord van het White Ship, gehuwd met Rotrud III van Perche. Zij hadden twee dochters waarvan een trouwde met Eli II van Maine;
bij Ansfrida, zij was weduwe van de ridder Anskill. Hij was een ridder op de goederen van de abdij van Abingdon (Engeland) en overleed in gevangenschap van koning Willem, Hendriks broer:
Richard van Lincoln (ca. 1100 - 25 november 1120), nam in 1119 deel aan de campagne van Hendrik in Normandië, hij werd korte tijd gevangengenomen door Lodewijk van Frankrijk, pleitte voor genade voor zijn zus en overleed aan boord van het White Ship. Verloofd met Amice van Gaël;
Juliana (ca. 1085 - na 1136), gehuwd (1103) met Eustatius van Pacy (- 1136), heer van Breteuil. Na zijn overlijden werd ze non in Fontrevauld. Ze kregen een zoon Willem (ovl. 1153, zonder erfgenamen) en twee dochters. Eustatius gaf de twee meisjes als gijzelaar aan Ralph Harenc, in ruil voor diens zoon. Toen Eustatius de zoon van Ralph de ogen uitstak, kreeg Ralph van Hendrik toestemming om de meisjes blind te maken en hun neus af te snijden;
Fulco, jong overleden of geestelijke geworden;
bij Sybilla Corbet, na haar relatie met Hendrik trouwde ze met Herbert FitzHerbert:
Sybilla van Normandië, gehuwd met Alexander I van Schotland;
Willem, hoveling in Schotland;
Reginald van Dunstanville;
mogelijk Rohese (overleden 1176), gehuwd met Henri de la Pomerai, tweede constable van Hendriks hofhouding. Ze kregen twee zoons die allebei een militaire loopbaan volgden;
bij Edith:
Robert, grootgrondbezitter in Devon, steunde Mathilda tegen Stefanus van Blois. In zijn tweede huwelijk getrouwd met de weduwe Mathilde van Avranches. Hun dochter Mathilde trouwde met Willem, zoon van Reinout van Courtenay;
bij minstens vijf onbekende vrouwen:
onbekende dochter, getrouwd met Helie van Saint Saëns, de voogd van Willem, neef van Hendrik.
Mathilde getrouwd met Conan III van Bretagne;
Adelheid/Aline (overleden voor 1141), gehuwd met Mathieu van Montmorency, Connétable van Frankrijk, ze kregen vijf kinderen;
Constance (overleden na 1173) gehuwd met burggraaf Roscelin van Beaumont, ze kregen vier kinderen, hun zoon Rudolf werd bisschop van Angers;
Mathilde, abdis van Montivilliers;
Gilbert;
Willem, overleed kort na Hendrik;
bij Nest, vrouw van Gerald FitzWalter, dochter van prins Rhys ap Tewdwr:
Hendrik, 1157 gesneuveld in Anglesey onder Hendrik II van Engeland;
bij een onbekende vrouw:
onbekende dochter, gehuwd met Willem III van Goët, heer van Montmirail en Château-du-Loir
bij Isabella van Beaumont, dochter van Robert I van Meulan, gehuwd met Gilbert de Clare:
Isabella.
GERARD DE GOURNAY EN BRAY (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren in 1066, in Gournay-En-Bray, Seine-Maritime, Normandie, France, als kind van Hugues DE GOURNAY EN BRAY en Basilie DE DAMMARTIN, zoals getoond in stamboom 822. Hij is gestorven in 1096, ongeveer 30 jaar oud. Hij werd begraven in 1104 in Yahūdhā, Palestine, Kingdom of Jerusalem, The Holy Land. Hij nam deel aan de eerste kruistocht samen met zijn vrouw Edith de Warenne.
EDITH DE WARENNE (Koos' Edelstamovergrootmoeder) werd geboren in 1074, in Mapledurham, Hampshire, England, als kind van Willem van Warenne en Gundrada van Warenne, zoals getoond in stamboom 823. Zij is gestorven in 1098, ongeveer 24 jaar oud. Zij werd begraven in Palestine, Kingdom of Jerusalem, The Holy Land.
Gerard DE GOURNAY EN BRAY, ongeveer 23 jaar oud, huwde Edith DE WARENNE, ongeveer 15 jaar oud, in 1089. Zij kregen vier kinderen:
Hugues DE GOURNAY - EN - BRAY in 1090
Mahaut DE GOURNAY-EN-BRAY in 1095
Guntrade DE AUBIGNY EN ARTOIS in 1097
Edith DE GOURNAY EN BRAY7724
GILBERT VAN AIGLE I (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren rond 1073, in Aigle, Aigle District, Vaud, Switzerland, als kind van Richard van Aigle I en Judith van Avranges, zoals getoond binnen stamboom 631. Gilbert werd Conde de Perche, Sieur, de Pevensey. Hij is gestorven op 25 november 1120, ongeveer 47 jaar oud, aan boord van het witte schip voor de kust van Barfleur. Hij werd begraven op 25 november 1120.
Het Witte Schip (Engels: The White Ship, Frans: La Blanche Nef) was een schip dat op 25 november 1120 zonk in het Kanaal bij Barfleur. Een van de driehonderd doden was William Adelin, de enige zoon van Hendrik I van Engeland, die stierf toen hij zijn halfzus Mathilde FitzEdith probeerde te redden. Na de dood van Hendrik I zou door het ontbreken van een onomstreden mannelijke troonopvolger een periode van anarchie uitbreken in Engeland. De eigenaar van het schip was Thomas FitzStephen, wiens vader onder Willem de Veroveraar had gediend tijdens de Normandische verovering van Engeland. Hij bood koning Hendrik I van Engeland aan om zijn schip La Blanche Nef te gebruiken voor zijn overtocht van Normandië naar Engeland. Hendrik weigerde, omdat er voor zijn overtocht al een schip geregeld was. Zijn enige zoon William Adelin en een groot aantal hooggeplaatste personen uit diens gevolg gingen wel aan boord van La Blanche Nef. Volgens de kroniekschrijver Ordericus Vitalis werd er voor vertrek uit Barfleur flink gedronken; veel bemanningsleden waren zo aangeschoten dat een aantal passagiers besloot om de overtocht niet op La Blanche Nef te maken. Bij vertrek van het schip vanuit de haven van Barfleur liep het schip op de klippen vóór de haven van de stad en kapseisde. William Adelin was in eerste instantie door zijn lijfwachten in de enige roeiboot gezet en op veilige afstand van het zinkende schip geroeid. Hij stond erop om terug te keren om zijn halfzuster Mathilde FitzEdith te redden. De roeiboot werd door wanhopige drenkelingen omvergetrokken waarop ook William Adelin te water raakte en verdronk. Van de bijna driehonderd personen aan boord wist alleen Berold, een slager uit Rouen, de schipbreuk te overleven. Stefan van Blois, een neef van koning Hendrik, was vlak voor het vertrek van het schip aan land gegaan omdat hij ziek was geworden. Na de dood van Hendrik volgde Stefan hem op, maar Mathilde, Hendriks dochter, betwistte zijn koningsschap. Zij was door Hendrik I aangewezen als zijn opvolger. Er brak een tijd van burgeroorlog in Engeland uit die later bekend zou staan als de Anarchie.
GRAAF ROBERT GUISCARD VAN ROUCY I (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren in 1135, in Montdidier, Somme, Picardie, France, als kind van Hugo van Roucy en Richildis van Hohenstaufen, zoals getoond in stamboom 607. Robert werd Escuyer en Comte de Roucy. Hij is gestorven in 1180, ongeveer 45 jaar oud, in Saint-Jean d'Acre, Palestine - IL.
JACOB VAN AVESNES (Koos' Edelstamovergrootvader) werd geboren in 1150, in Avesnes-le-Comte, Pas-de-Calais, France, als kind van Nicolaas van Avesnes en Mathilde van Avesnes, zoals getoond in stamboom 697. Jacob werd Seigneur de Avesnes, de Condé, de Leuze, de Landrecies, de Guise. Hij is gestorven (gesneuveld, slag bij Arsuf, kruistocht) op 7 september 1191, ongeveer 41 jaar oud, in Arsuf, Palestina.
Jacob van AvesnesGeboren circa 1150, overleden Arsoef, 7 september 1191. Hij was een zoon van Nicolaas van Avesnes en van Mathilde van La Roche. Hij was heer van Avesnes, Condé en Leuze, als opvolger van zijn vader (1171). Jacob liet op 4 oktober 1174 Robert van Ariën, bisschop-elect van Atrecht en Kamerijk, vermoorden toen die in Condé-sur-l’Escaut de brug wilde oversteken. Robert reisde met een escorte en onder bescherming van graaf Boudewijn van Henegouwen, de leenheer van Jacob. Boudewijn liet voor straf Jacobs kasteel in Condé verwoesten. Jacob nam deel aan de Derde Kruistocht en was aanvoerder van de Hollandse, Vlaamse en Noord-Franse ridders tijdens het Beleg van Akko (1189-1191) en de slag bij Arsoef. Jacob sneuvelde in de slag bij Arsoef en werd de moedigste van de Vlaamse ridders genoemd. De Slag bij Arsoef was een veldslag op 7 september 1191 waarin de Engelse koning Richard Leeuwenhart vlak bij Arsoef of Arsur, iets ten noorden van het huidige Tel Aviv, generaal Saladin versloeg. Richard had in hetzelfde jaar nog Akko veroverd en hij wist dat hij de havenstad Arsoef nodig had om Jeruzalem te kunnen innemen. Daarom marcheerde hij langs de kust van Akko om Arsoef in te nemen. De slag won hij, maar de inname van Jeruzalem lukte niet.
Jacob was gehuwd met Adela van Guise. Geboren omstreeks 1150, overleden 1207. Dochter van Bouchard van Guise en Adélaïde van Soupir. Kinderen:
Wouter II, opvolger van zijn vader
Burchard
Jacob, heer van Landrechies, gehuwd met een dochter van Boudewijn van Créquy
Guy (overleden 1219), ridder
Mathilde (overleden op 5 november, na 1236), gehuwd met Nicolaas IV van Rumigny en met Lodewijk IV van Chiny
Adelheid, gehuwd met Rogier van Rosoy (-1246)
Adelaide (overleden circa 23 september 1216), gehuwd met Engelbert IV van Edingen
Ada, gehuwd met Hendrik III van Grandpré en met Rudolf I van Soissons.




























Reacties
Een reactie posten