Generatie van 5 maal oud-oud-grootouders, neven en nichten, VOC zeeman Gerrit van der gragt, Bruno van der Gragt, meester chirurgijn, Koningin Maria Stuart en Koning Willem der Nederlanden III
GERRIT GERRITSZ VAN DER GRAGT (Koos' Neef, 7 gen. verwijderd) werd geboren rond 19 april 1714, in Hoorn, Noord-Holland, Nederland, als kind van Gerrit Gerritsz van der Gragt en Wolmet van der Gracht. Hij werd gedoopt op 19 april 1714, in Hoorn, Noord-Holland, Nederland. Hij voer op verschillende schepen van het VOC en werd uiteindelijk schipper. Hij voer naar Nederlands Oost Indië en is daar ook met pensioen gegaan.
Voornaam opvarende, Gerrit. Patroniem opvarende, Gerritsz: Tussenvoegsel opvarende, van der. Achternaam opvarende, Gragt. Herkomst opvarende, Hoorn Datum indiensttreding 1752-05-17 Functie bij indiensttreding, Derdewaak. Uitleg over functie, derde stuurman. Uitgevaren met het schip Stralen Datum uit dienst 1752-00-00 Waar uit dienst, vredestein Reden uit dienst, Gerepatrieerd Uitleg over reden einde dienstverband, Teruggekeerd naar Nederland en afgemonsterd. Schip terugreis VREDESTEIN Kamer terugreis Rotterdam Datum terugreis vertrek 1754-01-01 Datum terugreis aankomst kaap 1754-03-30 Datum terugreis vertrek kaap 1754-04-18 Datum terugreis aankomst 1754-07-10
Voornaam opvarende Gerrit Tussenvoegsel opvarende van der Achternaam opvarende Gragt Herkomst opvarende Hoorn Datum indiensttreding 1754-12-22 Functie bij indiensttreding Derdewaak Uitleg over functie derde stuurman Uitgevaren met het schip Luchtenburg Datum uit dienst 1755-00-00 Waar uit dienst Standvastigheid Reden uit dienst Gerepatrieerd Uitleg over reden einde dienstverband Teruggekeerd naar Nederland en afgemonsterd. Schip terugreis STANDVASTIGHEID Kamer terugreis Rotterdam Datum terugreis vertrek 1755-10-17 Datum terugreis aankomst kaap 1755-12-20 Datum terugreis vertrek kaap 1756-03-03 Datum terugreis aankomst 1756-07-29
Opmerkingen terugreis Six passengers disembarked at the Cape. Commandeur of the return fleet was Willem Vrucht, master of the STADWUK (see 7458).
Voornaam opvarende Gerrit Tussenvoegsel opvarende van der Achternaam opvarende Gragt Herkomst opvarende Hoorn Datum indiensttreding 1761-12-12 Functie bij indiensttreding Derdewaak Uitleg over functie derde stuurman Uitgevaren met het schip Lycochton Datum uit dienst 1764-00-00 Waar uit dienst Blijdorp Reden uit dienst Gerepatrieerd Uitleg over reden einde dienstverband Teruggekeerd naar Nederland en afgemonsterd. Opmerking datum soldijboek fout Schip terugreis BLIJDORP Kamer terugreis Rotterdam Datum terugreis vertrek 1763-11-06 Datum terugreis aankomst kaap 1764-01-12 Datum terugreis vertrek kaap 1764-02-02 Datum terugreis aankomst 1764-05-11 Opmerkingen terugreis Crew at the Cape: 117. Schuldbrief Ja Maandbrief Ja
Voornaam opvarende Gerrit Tussenvoegsel opvarende van der Achternaam opvarende Gragt Herkomst opvarende Hoorn Datum indiensttreding 1764-11-23 Functie bij indiensttreding Opperstuurman Uitleg over functie leiding van en toezicht op de navigatie Uitgevaren met het schip Oosthuizen Datum uit dienst 1766-00-00 Waar uit dienst nijenborg Reden uit dienst Gerepatrieerd Uitleg over reden einde dienstverband Teruggekeerd naar Nederland en afgemonsterd. Schip terugreis NIJENBORG Kamer terugreis Amsterdam Datum terugreis vertrek 1766-04-09 Datum terugreis aankomst 1766-10-20 Schuldbrief Ja Maandbrief Ja
Voornaam opvarende Gerrit Tussenvoegsel opvarende van der Achternaam opvarende Gragt Herkomst opvarende Hoorn Datum indiensttreding 1767-07-18 Functie bij indiensttreding Opperstuurman Uitleg over functie leiding van en toezicht op de navigatie Uitgevaren met het schip Vrouwe Maria Jakoba Datum uit dienst 1769-00-00 Waar uit dienst Bartha Petronella Reden uit dienst Gerepatrieerd Uitleg over reden einde dienstverband Teruggekeerd naar Nederland en afgemonsterd. Schip terugreis BARTHA PETRONELLA Kamer terugreis Hoorn Datum terugreis vertrek 1768-11-06 Datum terugreis aankomst kaap 1769-02-07 Datum terugreis vertrek kaap 1769-03-01 Datum terugreis aankomst 1769-06-02
Opmerkingen terugreis The 3 passengers included one condemned person. Com-mandeur of the return fleet was Dirk Wagtels, master of the BORSSELE (7766). Schuldbrief Ja Maandbrief Ja
Voornaam opvarende Gerrit Tussenvoegsel opvarende van der Achternaam opvarende Gragt Herkomst opvarende Hoorn Datum indiensttreding 1770-11-02 Functie bij indiensttreding Schipper Uitleg over functie belangrijkste man aan boord, algehele leiding Uitgevaren met het schip Hoolwerf Datum uit dienst 1772-00-00 Waar uit dienst Hoolwerf Reden uit dienst Gerepatrieerd Uitleg over reden einde dienstverband Teruggekeerd naar Nederland en afgemonsterd. Schip terugreis HOOLWERF Kamer terugreis Delft Datum terugreis vertrek 1771-10-22 Datum terugreis aankomst kaap 1772-01-18 Datum terugreis vertrek kaap 1772-01-30 Datum terugreis aankomst 1772-04-24
Opmerkingen terugreis The 14 passengers included one condemned person and 4 slaves.
Voornaam opvarende Gerrit Tussenvoegsel opvarende van der Achternaam opvarende Gragt Herkomst opvarende Hoorn Datum indiensttreding 1773-06-10 Functie bij indiensttreding Schipper Uitleg over functie belangrijkste man aan boord, algehele leiding Uitgevaren met het schip IJsselmonde Datum uit dienst 1776-11-22 Waar uit dienst Azie Reden uit dienst Ouderdom. Uitleg over reden einde dienstverband De opvarende krijgt een ‘rustgage’ of gaat in een instelling, bijvoorbeeld een armenhuis Schuldbrief Ja Maandbrief Ja
De historische context van het leven van Gerrit Gerritsz van der Gragt biedt een fascinerende inkijk in de maritieme geschiedenis van Nederland en de handelsrelaties met Nederlands-Indië in de 18e eeuw: Maritieme Handel en de VOC: In de 18e eeuw was Nederland een belangrijke speler in de wereldwijde handel, voornamelijk vanwege de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). De VOC was een machtige handelsorganisatie die zich bezighield met de handel in specerijen, textiel, en andere goederen tussen Nederland en Azië, met name Nederlands-Indië (het huidige Indonesië). Hoorn als Maritiem Centrum: Hoorn was een van de belangrijke Nederlandse steden die betrokken was bij de maritieme handel. Als havenstad had Hoorn een bloeiende scheepsbouw en handelsactiviteiten, waardoor het een ideale plek was voor jonge mannen zoals Gerrit Gerritsz van der Gragt om hun carrière op zee te beginnen. Carrière in de VOC: Gerrit Gerritsz van der Gragt begon zijn carrière hoogstwaarschijnlijk als zeeman op VOC-schepen. Deze schepen voeren regelmatig tussen Nederland en de overzeese handelsposten van de VOC in Azië. Als bemanningslid zou Gerrit hebben bijgedragen aan het vervoeren van goederen, het navigeren van schepen en het onderhouden van de orde aan boord. Stijging naar Schipper: Het feit dat Gerrit uiteindelijk schipper werd, getuigt van zijn vaardigheden en ervaring als zeeman. Als schipper kreeg hij de verantwoordelijkheid voor het besturen van het schip en het leiden van de bemanning. Dit was een belangrijke positie en vereiste een grondige kennis van navigatie, zeemanschap en handelspraktijken. Leven in Nederlands-Indië: Het pensioen van Gerrit Gerritsz van der Gragt in Nederlands-Indië suggereert dat hij zich na zijn lange carrière op zee in de VOC-gebieden vestigde. Nederlands-Indië bood kansen op landbouw, handel en bestuurlijke posities voor voormalige VOC-dienaren. Het leven in Nederlands-Indië was echter ook uitdagend vanwege het klimaat, ziektes en culturele verschillen.
Samengevat biedt het leven van Gerrit Gerritsz van der Gragt een boeiende kijk op de maritieme geschiedenis van Nederland en de rol van de VOC in de handel met Azië tijdens de 18e eeuw.
BRUNO GERRITS VAN DER GRAGT / GRACHT GRACHT (Koos' Neef, 7 gen. verwijderd) werd geboren rond 2 september 1717, in Hoorn, Noord-Holland, Nederland, als kind van Gerrit Gerritsz van der Gragt en Johanna van der Gragt. Hij werd gedoopt op 2 september 1717, in Hoorn, Noord-Holland, Nederland. Van 1737 tot 1750, in de leeftijd van ongeveer 19 jaar, werd hij Meester Chirurgijn in Lutjebroek. Hij is gestorven voor 23 november 1768, jonger dan 51 jaar, in Lutjebroek, Noord-Holland, Nederland. Bruno werd begraven op 23 november 1768 in Lutjebroek, Noord-Holland, Nederland.
De volgende informatie is ook geregistreerd over Bruno. Godsdienst: Katholiek.
De historische context van het leven van Bruno Gerrits van der Gragt biedt inzicht in de medische praktijken en sociale omstandigheden in Nederland tijdens de 18e eeuw: Chirurgijns in de 18e Eeuw: In de 18e eeuw was de medische praktijk heel anders dan vandaag de dag. Chirurgijns waren de voorlopers van moderne chirurgen en hadden een meer praktische benadering van de geneeskunde. Ze voerden operaties uit, behandelden verwondingen en ziekten, en waren vaak betrokken bij barbaarse praktijken zoals aderlaten en amputaties. Opleiding tot Chirurgijn: De opleiding tot chirurgijn was minder gestructureerd dan de moderne medische opleiding. Vaak leerden aspirant-chirurgijns door in de leer te gaan bij ervaren vakmensen, praktische ervaring op te doen en boeken over anatomie en medische behandelingen te bestuderen. Het behalen van de titel "Meester Chirurgijn" vereiste vaak jaren van training en ervaring. Lokale Geneeskunde: Lutjebroek, waar Bruno Gerrits van der Gragt werkte als Meester Chirurgijn, was waarschijnlijk een kleine gemeenschap in Noord-Holland. In deze tijd waren medische zorg en gezondheidszorg sterk lokaal georiënteerd, met chirurgijns die vaak de enige beschikbare medische professionals waren in landelijke gebieden.
Samengevat biedt het leven van Bruno Gerrits van der Gragt inzicht in de medische praktijken en sociale omstandigheden in Nederland tijdens de 18e eeuw, met name op het gebied van chirurgie en gezondheidszorg in landelijke gemeenschappen.
KONINGIN MARIA STUART II (Koos' 13 maal achter-nicht, 7 gen. verwijderd) werd geboren op 30 april 1662, in St James's Palace, London, Greater London, United Kingdom, als kind van Jacobus van Engeland II en Anna Hyde. Maria trouwde met haar neef Willem van Oranje III(niet Willem der nederlanden III)
Maria werd Queen of England; Scotland and Ireland (1689 - 1695) Prinses van Oranje en Gravin van Nassau-Dillenburg (1677 - 1695). Zij is gestorven op 28 december 1694, 32 jaar oud, in Kensington Palace, London, Greater London, United Kingdom. Zij werd begraven op 5 maart 1695 in Westminster Abbey, London, Greater London, England, United Kingdom.
Maria II, Engels: Mary (Londen, 10 mei 1662 n.s. – aldaar, 7 januari 1695 n.s.) regeerde als koningin over Engeland en Ierland vanaf 13 februari 1689 en als koningin van Schotland (als Mary II of Scotland) vanaf 11 april 1689 tot aan haar dood.
Maria, overtuigd protestants, besteeg de tronen van de Britse landen dankzij de Glorious Revolution, waarin haar rooms-katholieke vader, Jacobus II, werd afgezet. Maria regeerde samen met haar man en neef, Willem III, die alleen verder regeerde toen zij stierf in 1695. Meestal wordt op die periode teruggekeken als de regering van Willem en Maria. Maria regeerde weinig en was niet erg in politiek geïnteresseerd. Ze liet de regering dan ook vaak over aan haar man. Op de momenten dat Willem meeging op militaire campagnes nam Maria de regering op zich.
Maria, geboren in het St. James's Palace te Londen op 30 april 1662, was de oudste dochter van Jacobus, hertog van York (de latere Jacobus II van Engeland) en van diens eerste vrouw, Anna Hyde. Maria’s oom was koning Karel II; haar grootvader aan moederskant was Edward Hyde, eerste graaf van Clarendon, die een lange periode de adviseur was van Karel II. Haar moeder baarde acht kinderen, maar alleen Maria en haar jongere zuster Anna overleefden hun jeugd.
De hertog van York bekeerde zich tot de Rooms-Katholieke Kerk in 1668 of 1669, maar Maria en Anna kregen een protestantse opvoeding. Dat was het werk van hun moeder, hun grootvader Hyde en van het parlement van cavaliers, dat hierop scherp toezag. Maria’s moeder stierf op 31 maart 1671; haar vader trouwde opnieuw in 1673, met de katholieke Maria van Modena, ook bekend als Maria d'Este.
Op de leeftijd van vijftien jaar werd Maria de verloofde van de protestantse Nederlandse stadhouder Willem, prins van Oranje. Willem was de zoon van Maria’s tante, Maria Henriëtte Stuart (een zus van haar vader Jacobus II) en van prins Willem II van Oranje-Nassau. Eerst wilde Karel II dat Maria zou trouwen met de Franse dauphin Lodewijk, maar later, onder druk van het parlement en het verdrag met het katholieke Frankrijk, was een huwelijk met Frankrijk politiek niet langer favoriet, en ging Karel akkoord met het huwelijk. Onder druk gezet door het parlement, ging ook de hertog van York overstag. Op die manier dacht Jacobus dat zijn populariteit onder de protestanten zou groeien. Maria en Willem trouwden in Londen op 4 november 1677.
Maria vertrok naar de Noordelijke Nederlanden, waar ze leefde als de gemalin van Willem. Ook al was Maria toegewijd aan haar man, toch was het huwelijk af en toe ongelukkig: drie zwangerschappen liepen uit op miskramen en een doodgeboren kind en haar kinderloosheid werd een litteken op Maria’s leven. Haar levendige en knappe karakter maakte haar erg populair bij de Nederlanders, maar haar man was vaak onvriendelijk tegen haar, verwaarloosde het huwelijk en had lange tijd een platonische relatie met Elizabeth Villiers, een van de hofdames van Maria. Nadat ze meer tijd voor elkaar kregen, begon ook Willem een intense liefde voor Maria te koesteren en werd hij wat meer ontspannen in het bijzijn van zijn vrouw.
Toen koning Karel II stierf zonder legitieme nakomelingen in 1685, werd zijn broer, de Hertog van York, koning als Jacobus II van Engeland en Ierland en als Jacobus VII in Schotland. Jacobus voerde een omstreden gelovige regering, maar zijn poging om vrijheid te geven aan niet-anglicanen werd niet goed ontvangen bij de bevolking. Meerdere protestantse ministers en mensen van adel gingen onderhandelingen aan met Maria’s man in het vroege begin van 1687. In juni 1688 werd er bij alle protestanten alarm geslagen toen koningin Maria, tweede vrouw van Jacobus, een zoon baarde, Jacobus Frans Eduard Stuart want deze zoon zou, anders dan Maria en Anna, een katholieke opvoeding krijgen.
Inmiddels had Lodewijk XIV de Nederlandse Republiek weer economisch de oorlog verklaard. Leiden kon zijn laken niet meer in Frankrijk verkopen. Het gevaar was dat Engeland opnieuw de kant van Frankrijk zou kiezen en er opnieuw een rampjaar zou komen. Zo rijpte het plan om Engeland voorgoed tot bondgenoot te maken. Toen Engeland in april 1688 een vlootverdrag sloot met Frankrijk, raakte Willem ervan overtuigd dat er een geheim bondgenootschap tegen de Republiek gevormd was en hij besloot tot een militaire interventie. Hij vroeg die maand aan zijn protestantse Engelse medestanders om een uitnodiging om binnen te vallen. Toen de nieuwe prins van Wales geboren was en iedereen in Engeland dacht dat het een ondergeschoven kind betrof, besloten zeven waardigheidsbekleders, de Immortal Seven, inderdaad een brief te sturen die door schout-bij-nacht Arthur Herbert, vermomd als gewoon matroos, op 10 juli aan Willem in Den Haag overhandigd werd.
Willem begon nu een leger te verzamelen. Hij haalde huurlingen uit Duitsland om hier de grensvestingen te bemannen terwijl het Nederlandse leger Engeland zou binnenvallen. De totale kosten van de operatie bedroegen zeven miljoen guldens, in eerste instantie geleend door Amsterdam, joodse bankiers en zelfs paus Innocentius XI, die door Lodewijk XIV aangevallen dreigde te worden. Toen de Franse koning de Staten-Generaal op 9 september bedreigde, maar tegelijkertijd aanstalten maakte de Duitse gebieden aan te vallen in plaats van door de Spaanse Nederlanden naar de Republiek op te rukken, besloten de Hoog Mogenden dat er nog net tijd was voor een preventieve aanval om Engeland aan onze kant te brengen en keurden de operatie goed.
Willem vertrok naar Engeland op 11 november met 53 oorlogsschepen en een kleine 400 transportschepen. Maria Stuart was aanwezig bij zijn vertrek; zij zwaaide de vloot uit, staande op de Dom van Den Briel, de Grote of Sint-Catharijnekerk. Een plaquette naast de ingang van de kerk maakt tot op de dag van vandaag melding van deze gebeurtenis. De operatie verliep voorspoedig en Willem verdreef zijn schoonvader en werd als koning ingehaald.
De bisschop van Londen, Henry Compton, kroonde Willem en Maria samen in de Westminster Abbey op 11 april 1689. Normaal zou de aartsbisschop van Canterbury de kroning doen, maar de toenmalig aartsbisschop, William Sancroft, overtuigd anglicaans, weigerde Willem en Maria te kronen, omdat hij het niet eens was met de manier waarop Jacobus II was verwijderd van de troon. Op de dag van de kroning, werd het parlement van Schotland het uiteindelijk eens en verklaarde dat Jacobus niet langer koning was van Schotland. Willem en Maria werden aldus ook uitgeroepen tot koning en koningin van Schotland. De twee landen werden pas verenigd in de Acts of Union van 1707. Willem en Maria accepteerden de Schotse troon op 11 mei.
Even na het uitroepen van Willem en Maria tot koning en koningin van Schotland werd door John Graham, eerste Viscount of Dundee, een leger opgericht dat overtuigend de Slag bij Killiecrankie op 27 juli won. Zelf stierf Dundee wel bij die slag. Later kwam er nog de Slag bij Dunkeld, die ditmaal door Willem werd gewonnen. Daardoor kwam er een eind aan het verzet tegen Willem III en Maria II. In december 1689 accepteerde het parlement een van meest belangrijke constitutionele documenten in de Engelse geschiedenis: de Bill of Rights. Dit is een wettelijk document dat in 1689 werd aangenomen door het parlement van Engeland, en dat de basis vormde voor een democratische parlementaire monarchie in het land. Als een van de twee, Willem III of Maria II, zou overlijden, zou de andere partner de regering op zich nemen. De volgende in de lijn van troonopvolging zouden de kinderen zijn van Willem en Maria maar zolang ze die niet hadden was Maria’s zuster, Anna, de eerste in lijn van de troonopvolging.
Vanaf 1690 was Willem steeds vaker weg uit Engeland. Eerst bevocht hij de jacobieten in Ierland. Terwijl haar man weg was, nam Maria de regering van het koninkrijk op zich. Ze wist te bewijzen dat ze een goede staatsvrouw was, door haar eigen oom Henry Hyde, tweede graaf van Clarendon, te arresteren. Henry Hyde werd ervan beschuldigd deel te nemen aan complotten om Jacobus II als koning terug te roepen. In 1692, ontsloeg Maria de invloedrijke John Churchill, eerste hertog van Marlborough. Het ontslag van John Churchill tastte haar populariteit aan en beschadigde haar relatie met haar zus Anna, die een goede vriendin was van Churchills vrouw, Sarah. Anna verscheen aan het hof met Sarah, om duidelijk te maken dat ze de ontslagen Churchill steunde. Maria liet later na om Anna te bezoeken tijdens haar zwangerschappen en de relatie tussen Maria en Anna werd niet meer beter.
Willem had korte metten gemaakt met de Ierse jacobieten in 1692 maar hij bleef campagne voeren, nu tegen de Fransen in de Nederlanden. Wanneer haar man weg was, regeerde Maria in haar eigen naam maar als Willem in Engeland was, regeerde hij. Maria regeerde verder erg weinig en bemoeide zich ook niet met politiek, zoals in de Bill of Rights was opgenomen. Wel bemoeide ze zich met de Anglicaanse Kerk en diens zaken. Maria stierf aan de pokken in Kensington Palace op 7 januari 1695, volgens de Britse Juliaanse kalender op 28 december 1694 en werd bijgezet in de Westminster Abbey. Henry Purcell, de barokcomponist van Engeland, werd gevraagd om de muziek van de begrafenis te componeren, Music for the Funeral of Queen Mary. Koning-stadhouder Willem was kapot van haar dood, en zei: "from being the happiest" was hij nu "going to be the miserablest creature on earth". Vrij vertaald: "eerst de meest blije persoon" en nu "de meest treurige persoon op aarde".
Na de dood van koningin Maria II, regeerde Willem III alleen verder als koning. Het laatste levende kind van prinses Anna, William, hertog van Gloucester, stierf in juli 1700 en het was duidelijk dat Willem geen kinderen meer zou krijgen; daarom nam het parlement de Act of Settlement (1701) aan. Die regelde dat na de dood van Willem III eerst Maria’s zuster Anna, koningin zou worden. Doordat zij ook geen kinderen meer had, vormde het dichtstbijzijnde protestantse familielid, Sophia van de Palts en haar nakomelingen, de nieuwe linie troonopvolgers. Koning Willem III stierf in 1702 en werd opgevolgd door zijn schoonzus Anna. Toen koningin Anna stierf in 1714 werd de zoon van Sophia, George, de nieuwe koning als koning George I van het Huis Hannover.
KONING WILLEM DER NEDERLANDEN III (Koos' 18 maal achter-neef, 7 gen. verwijderd) werd geboren op 19 februari 1817, in Bruxelles, Belgique, als kind van Willem der Nederlanden II en Anna Paulowna van Rusland. Hij werd gedoopt op 31 maart 1817, in Bruxelles, Belgique. Hij verbleef te Apeldoorn, Gelderland, Nederland. Hij is gestorven op 23 november 1890, 73 jaar oud, in paleis Het Loo, Apeldoorn, Gelderland, Nederland. Willem werd begraven op 4 december 1890 in Nieuwe Kerk, Delft, Zuid-Holland, Nederland.
EMMA VAN WALDECK PIERMONT (Koos' Vrouw van 18 maal achter-neef, 7 gen. verwijderd, ) werd geboren op 2 juli 1858. Zij is gestorven op 20 maart 1943, 84 jaar oud.
Willem der Nederlanden III huwde Emma van Waldeck Piermont. Zij kregen een dochter:
Wilhelmina der Nederlanden in 1880
Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk (Brussel, 19 februari 1817 – Apeldoorn, 23 november 1890), Prins van Oranje-Nassau, was koning der Nederlanden en groothertog van Luxemburg van 17 maart 1849 tot zijn dood in 1890. Hij was ook hertog van Limburg van 1849 tot de opheffing van het hertogdom in 1866.
Willem was de oudste zoon uit het huwelijk van koning Willem II der Nederlanden en koningin Anna Paulowna. Na de troonsafstand van zijn grootvader koning Willem I in 1840 werd hij de prins van Oranje. Na het overlijden van zijn vader volgde hij hem op als koning der Nederlanden.
Willem trouwde in 1839 met zijn volle nicht prinses Sophie van Württemberg. Zij kregen drie zonen, die allemaal eerder stierven dan hun vader: Willem, Maurits en Alexander. Na de dood van zijn vrouw hertrouwde hij in 1879 met de Duitse prinses Emma zu Waldeck und Pyrmont. Zij kregen één dochter, Wilhelmina, die hem opvolgde.
In november 1848, vier maanden voor zijn troonsbestijging, was zeer tegen zijn zin een ingrijpende grondwetsherziening doorgevoerd, die de macht van de koning aanzienlijk beperkte. Hij weigerde in eerste instantie om onder de nieuwe grondwet koning te worden, maar schikte zich uiteindelijk in zijn lot. Zijn onvermogen om iets aan de nieuwe grondwet te veranderen droeg eraan bij dat Nederland zich onder zijn koningschap ontwikkelde tot een parlementaire democratie. Mede vanwege zijn beperkte macht heeft hij niet veel bijgedragen aan de staatkundige inrichting van het koninkrijk. Zoals zijn biograaf Dik van der Meulen het samenvatte: "Willems voornaamste staatkundige verdienste was de eerste Nederlandse koning te zijn in een land dat door anderen werd bestuurd".
Willem werd geboren in Brussel, als oudste kind van de latere koning Willem II en zijn echtgenote Anna Paulowna, de zuster van de Russische tsaren Alexander I en Nicolaas I. Willem kreeg thuis privéonderwijs en op 19 februari 1827 werd hij door zijn grootvader, koning Willem I, benoemd tot kolonel-titulair van de infanterie. Tevens ontving hij die dag het grootkruis van de Orde van de Nederlandse Leeuw, dit alles om te vieren dat hij tien jaar oud was geworden. Met zijn vader reisde hij in december 1833 naar Berlijn en Sint-Petersburg. Rond Nieuwjaar 1834 werd hij door zijn oom tsaar Nicolaas I benoemd tot erekolonel van het vierde regiment grenadiers van de keizerlijke garde.
In hetzelfde jaar werd hij aan de Leidse Hoogeschool ingeschreven als student. Er werden voor hem enkele kamers gehuurd aan het Rapenburg, maar hij overnachtte meestal in Den Haag. Ook in Leiden kreeg Willem les aan huis. Petrus Hofman Peerlkamp gaf hem geschiedenisles, Hendrik Cock verzorgde het onderwijs in natuur-, staats- en volkenrecht en Hendrik Willem Tydeman was verantwoordelijk voor het vak staatshuishoudkunde.
Op 30 mei 1836, tijdens een onderbreking van zijn studie, danste hij in Londen met de latere Britse koningin Victoria. In juni 1836 vroeg Salomon Dedel in naam van koning Willem I, ten behoeve van diens kleinzoon Willem, officieel om haar hand, maar zij wees een huwelijk met Willem af. In 1837 studeerde hij af en in september dat jaar begon hij aan een reis die hem naar een aantal Duitse vorstendommen bracht, evenals naar Noord-Italië, Wenen, Praag, Ofen en Pest en opnieuw naar Berlijn, waar hij het goed kon vinden met prins Wilhelm, die toen nog niet wist dat hij later keizer van Duitsland zou worden. Op zijn 21e verjaardag werd hem zitting verleend in de Raad van State, het hoogste adviesorgaan van de Kroon.
Op 7 oktober 1840 trad zijn grootvader Willem I af als koning der Nederlanden, groothertog van Luxemburg en hertog van Limburg. Willems vader nam de titels over en hijzelf werd prins van Oranje en daarmee de eerste in lijn van troonopvolging in de Nederlanden. Los daarvan werd hij ook de aangewezen opvolger voor Luxemburg en Limburg. Op 28 november dat jaar werd zijn vader ingehuldigd als koning Willem II. Dezelfde dag benoemde die hem tot inspecteur-generaal van het wapen der infanterie en luitenant-generaal.
De functie van inspecteur-generaal leverde Willem eind december 1845 weer in. De precieze reden is onduidelijk, maar wellicht omdat Willem vond dat hij er geen juiste invulling aan kon geven. Het was dan ook alleen een erefunctie. Tegelijkertijd met zijn ontslag werd de functie door zijn vader opgeheven.
Willem III gaf als kroonprins aan de nieuwe grondwet van 1848 niet te accepteren. Zijn grief was dat die de koninklijke macht drastisch beperkte. Op 8 oktober dat jaar, drie dagen voordat de grondwetsvoorziening van Thorbecke van kracht werd, schreef hij aan zijn zus:
Niet in staat, herhaal ik, dit soort staatsgevaarlijke beginselen in overeenstemming te brengen met mijn geweten en mijn taak, ben ik tot het volgende besluit gekomen: af te zien, onherroepelijk en voor altijd, ten faveure van mijn oudste zoon, van mijn rechten als Prins van Oranje en van mijn rechten op de Kroon.
Zijn vader trachtte hem van zijn ongelijk te overtuigen, onder meer door hem erop te wijzen dat het koningschap een "goddelijke roeping" is, die hij niet kon weigeren. Willem bleef echter bij zijn standpunt. Hij diende zelfs een verzoek in hem ook te ontslaan als luitenant-generaal van de infanterie. Zijn vader wees ook dit af.
Toen zijn vader op 17 maart 1849 stierf, bevond Willem zich voor een verblijf van drie maanden in Engeland. Op die dag bevond hij zich in Raby Castle, in het Noord-Engelse graafschap Durham. Hij vernam pas van het overlijden van zijn vader, toen die al een dag dood was. Hij liet zich alsnog overreden het koningschap te aanvaarden. Zijn inhuldiging vond plaats op 12 mei 1849.
Willem trad op 18 juni (Waterloodag) 1839 in het huwelijk met zijn volle nicht prinses Sophie van Württemberg, de dochter van koning Willem I van Württemberg en Catharina Paulowna. Op 4 september 1840 werd hun eerste kind geboren, een zoon. Het werd een slecht huwelijk, mede door Willems nauwelijks verholen buitenechtelijke affaires, andere seksuele uitspattingen en grillige karakter. Al in 1842 wilde Sophie gescheiden van haar echtgenoot gaan wonen. In een brief aan haar schoonvader, geschreven in de nazomer of herfst van dat jaar, hield ze hem voor dat ze door haar echtgenoot bedreigd en mishandeld werd. Hij zou haar dwingen tot "schandalige handelingen die de zeden en de waardigheid kwetsen van iedere vrouw". "Mijn situatie is onhoudbaar", vervolgde Sophie. Ze vroeg de koning om haar "een wijkplaats toe te staan. Ik vraag niet om geld. Men heeft me een toevluchtsoord aangeboden waar ik rustig zou kunnen leven (...) Laat u me dan ook mijn kind; tot zijn zevende zal het de zorg van vrouwen nodig hebben." Het werd haar niet gegund. Ze zou bij haar man blijven wonen en hem nog twee kinderen baren, de eerste keer al in 1843. Deze tweede zoon stierf in 1850.
Op 25 augustus 1851 beviel Sophie van haar derde kind. Het bracht geen huwelijksgeluk, want ze wilde opnieuw van haar echtgenoot weg. Op 17 september dat jaar gaf Willem de opdracht om daarvoor de mogelijkheden uit te zoeken. Uiteindelijk leidde dit op 25 december 1855 tot het ondertekenen van een schriftelijke overeenkomst waarbij – zonder tussenkomst van een rechter – overgegaan werd tot een scheiding van tafel en bed. Tevens werd de belofte vastgelegd dat als Willem zou aftreden als vorst, overgegaan zou worden tot een formele echtscheiding. Willem kreeg het gezag over hun oudste zoon toegewezen, met de verplichting dat die zijn moeder regelmatig moest bezoeken. De jongste zoon, die op dat moment vier jaar oud was, werd tot zijn negende jaar onder het gezag van zijn moeder geplaatst. Sophie kreeg als woonverblijf Paleis Huis ten Bosch toegewezen. 's Winters zou zij in Paleis Noordeinde mogen verblijven, waar in die maanden ook Willem woonde, maar beiden zouden van elkaar afgescheiden woonruimte krijgen en het was geen van tweeën toegestaan zonder wederzijdse toestemming de ander op te zoeken. Beiden zouden zich verder onthouden van 'beschuldigingen of toespelingen, waardoor de eer of de waardigheid Hunner Personen kunnen worden gekrenkt'. Bij officiële gelegenheden moesten Willem en Sophie de schijn ophouden en zich als een echtpaar blijven gedragen. De overeenkomst werd door enkele getuigen medeondertekend en voor de buitenwereld verborgen gehouden.
In de jaren zeventig kwam het tot een breuk tussen Willem III en zijn oudste zoon, Willem. Deze wilde trouwen met Mathilde gravin van Limburg Stirum, maar de koning en koningin weigerden hun toestemming te geven. De ministerraad was in eerste instantie ook tegen, maar legde zich er uiteindelijk bij neer, omdat gevreesd werd dat hij anders helemaal niet zou trouwen. Van zijn enige overgebleven broer Alexander viel namelijk evenmin een huwelijk te verwachten. Willem III zag liever dat zijn oudste zoon zou trouwen met een buitenlandse prinses, maar gaf aan dat hij misschien toch akkoord zou gaan met een huwelijk met een buitenlandse gravin of hertogin. Hij wilde daarmee voorkomen dat de troon over zou gaan op de kinderen van zijn zuster Sophie. Een huwelijk met een Nederlandse gravin bleef voor hem evenwel uitgesloten. De jonge Willem vertrok naar Parijs om er zich over te geven aan de genoegens die die stad te bieden had en zou tijdens zijn leven alleen nog in 1877 even kort naar Nederland terugkeren om afscheid te nemen van zijn stervende moeder.
Na het overlijden van Sophie in 1877 had Willem de mogelijkheid om weer een huwelijk te sluiten. Aanvankelijk koos hij voor een morganatisch huwelijk met zijn geliefde van dat moment, Émilie Ambre, een Parijse operazangeres, die hij al had geïnstalleerd op Huize Welgelegen te Rijswijk, en die hij had voorzien van de titel comtesse d'Ambroise. Het voornemen leidde tot heftige conflicten met het kabinet, en de koning zag uiteindelijk van het huwelijk af.
Uiteindelijk wisten ministers hem te bewegen een vorstelijke echtgenote te zoeken. De eerste die gevraagd werd was de 25-jarige Deense prinses Thyra, maar die was al vergeven. Tweede keus was een dochter van de verdreven koning George V van Hannover, maar die weigerde. Vervolgens trachtte hij juli 1878 zijn nicht Elisabeth van Saksen-Weimar-Eisenach te huwen, een dochter van zijn zuster, maar ook zij bedankte voor de eer. Daarna reisde Willem op advies van zijn zuster rechtstreeks door naar Bad Arolsen, waar de vorst George Victor van Waldeck-Pyrmont meerdere huwbare dochters had. De moeder, prinses Helena van Nassau, stelde twee van haar dochters voor. Willem ging eerst voor de oudste, prinses Pauline, maar het klikte meer met de jongste van de twee, Emma, die op dat moment nog net geen 20 jaar was, waarna al snel tot een huwelijk besloten werd. Al op 29 september 1878 werd de verloving gevierd. De 61-jarige Willem trouwde op 7 januari 1879 te Arolsen. De festiviteiten ter gelegenheid van het huwelijk werden in Nederland al snel afgebroken wegens het overlijden van 's konings broer prins Hendrik op 13 januari. Deze had bij het huwelijk als getuige op moeten treden, maar moest wegens een aanval van mazelen verstek laten gaan. In april dat jaar vond alsnog een feestelijke inhuldiging van het bruidspaar plaats.
De eerste twintig jaar van zijn regering kenmerkten zich door weerstand tegen de constitutionele monarchie, waarbij de koning zich overigens meestal conformeerde. Een voorbeeld van die eigenzinnige constitutionele rol is de commotie rond de Aprilbeweging in 1853. Het zittende kabinet onder de feitelijke leiding van Thorbecke had een neutraal antwoord voorgesteld. De scheiding van kerk en staat betekende immers dat de regering geen zeggenschap zou hebben over de wens van de katholieken om zich in bisdommen te organiseren. Toen Willem III in Amsterdam een anti-rooms-katholieke petitie kreeg aangeboden hield hij een gloedvolle rede, die de hoogopgelopen gemoederen overigens ook onmiddellijk deed bedaren. Omdat de koning niet bereid was terug te komen op zijn weigering om het regeringsstandpunt uit te dragen, trad de ministerraad af.
In september 1854 waren er na de stijging van de broodprijzen rellen in Schiedam, een artilleriepaard overleed daarbij. Willem liet als opperbevelhebber van de krijgsmacht schriftelijk vastleggen dat een oorlogsschip richting Schiedam moest varen dat "bij vernieuwde stoornis" de stad moest bestoken met bourbongranaten. Minister van Oorlog baron Forstner van Dambenoy achtte het onmogelijk om het bevel uit te voeren. Hij drong er bij Willem op aan om de verordening voor zich te houden. De reactie van het parlement zou volgens hem anders niet te overzien zijn. Uiteindelijk trok Willem zijn bevel in. Alle ministers gaven in een speciale zitting aan zijn handelwijze af te keuren.
In 1856 werd Willem benaderd door zijn hoffunctionaris en vroegere secretaris jonkheer Ludolph van Bronkhorst of de koning hem en zijn zwager, de voormalige resident J.G.A. Gallois, kon helpen om op Java een suikercontract te verwerven. Willem beval de twee aan bij de minister van Koloniën Pieter Mijer en stelde in een tweede brief voor hen tevens te voorzien van een renteloos krediet. Mijer wilde er eigenlijk niets van weten, maar bezweek onder de aanhoudende druk. Een renteloos krediet verstrekken ging hem echter te ver. Uiteindelijk regelde Mijers opvolger Jan Jacob Rochussen dat het duo niet voor het contract hoefde te betalen. Gallois scheepte zich meteen in voor de Nederlandse kolonie, maar in plaats van suikerriet te gaan verbouwen, verkocht hij bij aankomst de rechten voor 275.000 gulden. Toen de ministeriële inbreng in deze Pangka-affaire bij de Tweede Kamer bekend werd, kostte dat Rochussen zijn baan. De rol van de koning werd verborgen gehouden.
De minister van Oorlog Van Meurs stelde in 1859 voor om Charles Nepveu te bevorderen tot opperbevelhebber van het Nederlandse leger. Willem dacht daar anders over en benoemde zijn oom Frederik. De koning drong hetzelfde jaar aan op een verhoging van de defensie-uitgaven in verband met een dreigende oorlog tussen Oostenrijk en Sardinië. De Tweede Kamer ging daarin mee en verhoogde de uitgaven met vier miljoen gulden. Eveneens in 1859 zegde Willem de stad Amsterdam toe dat hij de spoorwegwet niet zou ondertekenen voordat er overeenstemming zou zijn bereikt over de aanleg van een kanaal ten westen van Amsterdam, dat aansluiting zou krijgen op de Noordzee (het latere Noordzeekanaal). Het wetsvoorstel over het kanaal werd echter door de Tweede Kamer aangehouden, terwijl dat over de spoorwegwet wel werd aangenomen. Willem wees er de ministerraad op dat hij niet kon terugkomen van zijn belofte aan Amsterdam en bewerkstelligde, door Eerste Kamerleden onder druk te zetten, dat de Senaat de spoorwegwet afwees. De ministers van Financiën, Van Bosse, en Binnenlandse Zaken, Van Tets van Goudriaan, boden daarop hun ontslag aan. Het leidde tot de vorming van een nieuw kabinet.
Het was een idee van Willem om in de spoorwegwet op te nemen dat een spoorweg zou worden aangelegd van Amsterdam naar het Nieuwediep, het latere Den Helder. De wet werd in 1860 een feit, evenals die voor de aanleg van het Noordzeekanaal.
Willem III oogstte bij het volk veel lof voor de persoonlijke aandacht die hij schonk aan de slachtoffers van de watersnoodrampen van 1855 en 1861. Eind februari 1855 trad de dooi in en kruiend ijs in de grote rivieren veroorzaakte vanaf 4 maart diverse dijkbreuken. Vooral het Land van Maas en Waal werd hard getroffen, maar ook de Gelderse Vallei en het stroomgebied van de IJssel hadden te maken met grote wateroverlast. De mensen schuilden in de bomen en op de daken van hun huizen. Hoeveel doden er gevallen zijn, is nooit bekend geworden. Op 7 maart spoedde de koning zich naar het rampgebied. Tien dagen lang bezocht hij de slachtoffers en sprak hen moed in. Dat hij ook hun armoedige huizen betrad werd alom gewaardeerd. Terug in Den Haag gingen de inwoners de straat op om hem op enthousiaste wijze te verwelkomen. In januari 1861 was het weer raak. Opnieuw kwam het Land van Maas en Waal onder water te staan. Deze keer bleef Willem in eerste instantie in zijn paleis en stelde hij een commissie in die het rampgebied voorzag van kleding, voedsel, koffie en tenten. Op 24 januari bezocht Willem met zijn broer Hendrik de getroffen gebieden. Toen na hun bezoek opnieuw dijken doorbraken, vertrokken Willem en zijn broer op 3 februari opnieuw naar de onder water gelopen streken. De terugweg ging per trein. Op alle tussenliggende stations, Arnhem, Rotterdam en Delft, werden ze met een serenade opgewacht en in Den Haag werden de koninklijke broers door een grote menigte enthousiast onthaald. Naderhand schonk Willem 40.000 gulden aan de slachtoffers, het hoogste bedrag van iedereen. Hij werd de 'Waterheld van Het Loo' genoemd, vrij naar zijn vader die wegens diens militaire successen tegen de troepen van Napoleon Bonaparte bekendstond als de 'Held van Waterloo'.
In 1860 bracht de schrijver Multatuli zijn Max Havelaar uit, een boek dat de Nederlandse wantoestanden in de Oost-Indische kolonie belicht. Het sloeg in Nederland in als een bom en behoort meer dan honderdvijftig jaar later nog steeds tot de meest vermaarde boeken in de Nederlandse literatuur. Het boek sluit af met een oproep aan de koning:
Want aan U draag ik mijn boek op, Willem den derde, Koning, Groothertog, Prins,... meer dan Prins, Groothertog en Koning,... KEIZER van het prachtig rijk van INSULINDE, dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd!...
Aan U vraag ik met vertrouwen of het uw Keizerlijke wil is: Dat de Havelaars worden bespat door den modder van Slijmeringen en Droogstoppels;-
En dat daar ginds Uwe meer dan Dertig millioenen onderdanen worden mishandeld en uitgezogen in Uwen naam?...
Multatuli kreeg geen antwoord van de koning, ook niet op een verzoek dat hij nog voor de uitgave van Max Havelaar via de post rechtstreeks aan hem richtte. In de vierde druk voegde Multatuli, schrijvende over Willem, een sneer toe over het uitblijven van een koninklijk antwoord:
die zich zeker bezig houdt met belangryker zaken dan Rechtdoen en 't behouden van Insulinde voor Nederland.
Voor de zekerheid stuurde hij de koning een exemplaar van deze druk op. Opnieuw bleef een reactie uit.
In 1866 viel de Duitse Bond uiteen en kwam de Noord-Duitse Bond tot stand, waarvan het groothertogdom Luxemburg en het hertogdom Limburg geen deel meer zouden uitmaken. Willem was desgevraagd bereid Luxemburg aan keizer Napoleon III van Frankrijk te verkopen, met stilzwijgende instemming van de Pruisische premier Bismarck. Toen deze transactie echter in de openbaarheid kwam, verklaarde Bismarck dat verkoop als reden tot oorlog beschouwd zou worden. Op het Congres van Londen van 1867 ter regeling van de Luxemburgse kwestie werd overeengekomen dat Luxemburg patrimoniaal eigendom van het huis (Oranje-)Nassau zou blijven, echter wel als politiek neutraal gebied. De Pruisische troepen werden dan ook teruggetrokken uit de vesting en de burcht van Luxemburg werd afgebroken. In 1868 kreeg Luxemburg een nieuwe grondwet.
"Ik zet geen voet in dat klooster", zou Willem III in 1885 in het Frans over het Rijksmuseum Amsterdam gezegd hebben, uit woede over het rooms-katholieke karakter van het ontwerp van het gebouw. Hij weigerde de eerste steen te leggen, evenals het verrichten van de officiële opening. Desondanks werd architect Pierre Cuypers juist wegens zijn verdiensten voor de bouw van het museum op 7 juli 1885, een week voor de opening van het museum, door Willem benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Aan het Meer van Genève, in Clarens, huurde hij in 1875 een villa. De koning werd er bij herhaling op zijn balkon waargenomen in een opengevallen ruiterjas, zonder daaronder kleding te dragen, dit in het zicht van de passagiers op de stoomboten. Hij maakte er tevens een gewoonte van in adamskostuum in het meer te zwemmen, waarbij hij aan wal eveneens door de bootpassagiers naakt gadeslagen kon worden. Toen hij voor dit vergrijp voor de rechtbank gedaagd werd, beriep hij zich op zijn onschendbaarheid als koning.
Willem III was in zijn latere jaren niet geliefd en werd in een anti-monarchistisch schotschrift door S.E.W. Roorda van Eysinga Koning Gorilla genoemd. Hij was zijn leven lang driftig, egoïstisch en boosaardig, maar door zijn grillige karakter kon hij soms ook onverwacht vriendelijk en royaal uit de hoek komen.
Voorbeelden van 's konings onhebbelijke natuur zijn goed gedocumenteerd. Zo liet hij lakeien een lucifer afsteken om de koninklijke sigaar aan te steken. Wanneer de lucifer brandde talmde de koning zo lang dat de lakei, om brandblaren te voorkomen, de lucifer moest doven. Dat gaf de koning dan de gelegenheid om de lakei met twee weken inhouding van salaris te straffen. Als de bouillon volgens de koning te zout was, kon het gebeuren dat de chef-kok acht dagen geen toegang tot het paleis kreeg. De hofcommissie maakte geregeld bezwaar tegen de onredelijke en kleingeestige straffen die de vorst te pas en te onpas uitdeelde. Lord Clarendon, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, legde vast dat de koning op een receptie niets anders deed dan "op iedereen die hij sprak vitten en mopperen", maar hij vervolgde met de vaststelling "dat niemand zich daar iets van aantrok".
De consequenties van de koninklijke woedeaanvallen waren ernstiger. Een jonge officier die een rijtuig waarin de koning incognito reed niet groette, werd voor straf kromgesloten en minister van Oorlog Weitzel merkte in zijn dagboek op: "De prikkelbaarheid van Zijn oploopend karakter en Zijne autocratische neigingen schijnen met de jaren toe te nemen" en: "In het openbaar en vooral ten aanzien van hooger of lager geplaatste Officieren hebben nu en dan ergerlijke toneelen plaats. Die toneelen worden door de pers wel met den mantel der liefde bedekt, maar zijn toch in het leger te zeer bekend om aldaar niet velen te verbitteren en van hem te vervreemden."
In het voorjaar 1880 bezuinigde Willem op de maaltijden van het hofpersoneel. Het serveren van vis werd verboden en bij het ontbijt werden nog maar twee in plaats van vier beschuiten geserveerd. Het geld voor een middagmaal voor de kameniers schafte hij af, waardoor ze volgens Emma's hofdame Henriëtte van de Poll geen andere uitweg zagen dan de restjes op te peuzelen van de koninklijke maaltijden.
De gezondheid van de koning ging in oktober 1888 sterk achteruit. In februari 1889 was hij niet meer in staat om staatsstukken met een paraaf te ondertekenen en op 3 april werd Willem 'buiten staat' verklaard en nam de Raad van State zijn taken over. Willem herstelde en op 3 mei werd het regentschap teruggedraaid. In augustus, toen hij in Paleis Het Loo verbleef, verslechterde zijn gezondheidstoestand opnieuw. Volgens de hofarts had hij 'een stille beroerte' gehad. Hij zou het Veluwse paleis niet meer verlaten. De koning leed aan suikerziekte en een ernstige nierziekte. Vanaf zijn ziekbed hield hij lange onsamenhangende toespraken. Willem verordonneerde dat er altijd iemand van de hofhouding in zijn nabijheid moest blijven, omdat hij bang was dat hij in zijn slaap vermoord zou worden. Op 31 augustus 1890, de tiende verjaardag van zijn dochter, kreeg hij opnieuw een beroerte en op 25 september kreeg zijn dochter hem voor de laatste keer te zien. Op 29 oktober werd Willem opnieuw 'buiten staat' verklaard en nam de Raad van State voor de tweede keer zijn taken waar. Op 20 november nam zijn echtgenote Emma het koninklijk gezag over. Dit regentschap duurde slechts enkele dagen, want op 23 november 1890 overleed de vorst, 73 jaar oud. Het koningschap ging toen over op de tienjarige prinses Wilhelmina, waarvoor Emma op 8 december 1890 "gedurende haren weduwelijken staat" opnieuw tot regentes werd beëdigd.
Volgens de Erneuerte Nassauische Erbverein zou bij het uitsterven in de mannelijke lijn van de Ottoonse Linie van het Huis Nassau het groothertogdom Luxemburg worden geërfd door het hoofd van de Walramse Linie van het Huis Nassau. Door het overlijden van prins Alexander in 1884 was te voorzien dat bij het overlijden van Willem III de Ottoonse Linie van het Huis Nassau in de mannelijke lijn zou uitsterven. Willem III was er in 1884 nog van overtuigd dat er wel een regeling getroffen kon worden zodat zijn dochter Wilhelmina hem ook in Luxemburg zou kunnen opvolgen. Koningin Emma ging er echter van uit dat Luxemburg aan de Walramse Linie van het Huis Nassau zou toevallen, zodat hertog Adolf van Nassau, haar oom van moederszijde, Willem III in Luxemburg zou opvolgen. De staatsminister van Luxemburg, Félix baron de Blochausen, trachtte Emma ertoe over te halen zich met zienswijze van de koning te verenigen, maar tevergeefs. De onderhandelingen tussen Willem III en Adolf van Nassau voor een overeenkomst over de toekomstige afwikkeling van zaken zoals de persoonlijke bezittingen van de koning in Luxemburg leidden tot een op 30 september 1884 gesloten verdrag tussen Willem III en Adolf waarin definitief werd vastgelegd dat na het overlijden van Willem III, als hij geen mannelijke nakomelingen zou hebben, het groothertogdom zou overgaan naar Adolf van Nassau en zijn nakomelingen, overeenkomstig de Erneuerte Nassauische Erbverein. Bij het overlijden van Willem III werd Adolf van Nassau de nieuwe groothertog van Luxemburg.
De uitvaartplechtigheid was een pure mannenaangelegenheid. Emma, Wilhelmina en Willems zuster Sophie waren niet bij de bijzetting aanwezig. De bijzetting in de koninklijke grafkelder op 4 december 1890 in Delft was erg ongeorganiseerd; zo stortte een tribune in en waren er te weinig koetsen en parkeerplaatsen, waardoor velen te laat waren in de Nieuwe Kerk. De dragers lieten de lijkkist uit hun handen glijden en bij het binnendragen in de kerk zou de doodskist "als een piano versjouwd" zijn. De rouwdienst werd geleid door hofprediker Cornelis Eliza van Koetsveld. In zijn lijkrede zei hij:
Wel weten wij het allen, hoe opbruisend en hartstochtelijk het karakter was van den Ontslapene, en hoe hij, in alles oprecht, als mens vaak het zelfbedwang miste, dat hem sierde als Koning. Waartoe zou ik het verzwijgen? Ik heb hem nooit gevleid bij zijn leven en denk het niet te doen na zijnen dood.






Reacties
Een reactie posten