Generatie van 9 maal oud-oud-grootouders, de familie van der gracht/Canteleu, Benne en van Arnhem
GERRIT JANSZ VAN BLARICUM/VAN DER GRACHT(Koos' Stamovergrootvader) werd geboren in 1590. Gerrit werd Raymaecker(betekenis wagenmaker). Hij is gestorven op 13 juli 1624, ongeveer 34 jaar oud, in Utrecht.
Wat betreft graft versus gracht: "Het Oudnederlands vertoont enkele eigen klankontwikkelingen, die niet in het (Hoog)duits hebben plaatsgevonden. De consonantcluster -ft- werd in het Oudnederlands tot -cht- (vgl. Onl. stihtan, hedendaags Nedl. stichten vs. Duits stiften). (...) Ook zijn er in het Hollands vormen met -ft-, zoals after, gecoft, graft (achter, gekocht, gracht), waar de Oudnederlandse klankwet die -ft- wijzigde in -cht-, niet heeft gewerkt" [Wal, van der-1992, p 95, 121].
• Willem Jans van der Graft, schepen van Leiden, beleend met de helft van een weer in Koudekerk 1468, was in 1469 in Jeruzalem, ovl. 1481; zoon van Jan van der Graft, schepen Leiden, beleend met de helft van een weer in Koudekerk 1459 [Slootweg-1997, p 147].
• Jan van de Graft laickencoper, Leiden 1574 [Volkstelling-1574, p 72].
• Cornelis Jansz van der Graft, huw. Leiden 1588 [A.M.G. Nierhoff, De hofstede Saxenburg in Aelbertsberg of Bloemendaal, Haarlem 1971, p 10].
• "Omstreeks 1590 verhuisde ene Jacob Jansz van der Graft van Blaricum naar Naarden. Zijn achternaam kan in verband gebracht worden met 't Slot te Blaricum dat in die tijd bekend stond onder de naam De Graft. Het Slot was een aanzienlijk huis dat in de Bouwvenen aan de Gooiersgracht stond. (...) De eerste eigenaar was de Amsterdamse burgemeester (1483) Dirck Heymansz Ruysch. Naar hem werd later het huis Ruysdael genoemd. Bij het huis hoorde een pachtboerderij (...). In 1722 wordt alleen nog de pachtboerderij genoemd. Om die boerderij gaat het nu, want waarschijnlijk stamt de familie Van Ruysdael af van een van de pachters van De Graft of Ruysdael. Terug naar Jacob Jansz met de toenaam Van der Graft, die uit een Blaricums geslacht van dorpsnotabelen stamde. Toen hij zich omstreeks 1590 in Naarden vestigde, nam hij de naam De Goyer aan. (...) Waarschijnlijk werden zijn zonen Jacob, Hermanus, Gerrit, Pieter, Salomon en Isaac geboren in zijn huis in de Peperstraat. Na het overlijden van hun vader in 1616 vertrokken Salomon en Isaac naar Haarlem. Het huis in de Peperstraat bleef bewoond door de oudste zoon Jacob Jacobsz (ca. 1594-1656) (...) (In 1620) staat hij geregistreerd als schepen van de stad. Bij zijn nieuwe status hoorde ook een nieuwe naam en vanaf die tijd noemde hij zich Jacob van Ruysdael. Salomon en Isaac namen in Haarlem in navolging van hun oudste broer ook de naam Van Ruysdael aan. Het is duidelijk dat deze naamsverandering in verband stond met hun afstamming van een van de bewoners of pachters van het huis Ruysdael. Mogelijk diende de nieuwe naam ook ter onderscheiding van de overige familietakken. In Blaricum splitste het geslacht Van der Graft zich bijvoorbeeld onder meer op in de Rooms katholiek gebleven families De Goijer en Creijnen. Salomon van Ruysdael werd in 1623 opgenomen in het Haarlemse schildersgilde." Isaac was de vader van Jacob van Ruisdael (1628-1682), de beroemde landschapsschilder (die zijn naam altijd met -ui- schreef) [F.J.J. de Gooijer, 'De schildersfamilie (Van) Ruysdael uit Naarden' in: De Omroeper. Historisch tijdschrift voor Naarden 14 (2001), nr 1, p 31-36; vgl. P.W. Vrijlandt, 'De eigenaars bewoners van het Slot Ruysdael', in: TVE 5 (1975)].
• [Kwartierstatenboek Bommelerwaard, p 143].
Een wagenmaker (ook wel stelmaker of radmaker) is een persoon die in vroeger tijd houten karren en wagens maakte en repareerde, evenals onderdelen daarvoor zoals wielen en askasten. Hoewel er wagenmakers waren die comfortabele koetsen maakten, waren de meesten van hen voornamelijk werkzaam voor boerenbedrijven. De grootste vraag was naar meerwielige karren en wagens, maar hun assortiment omvatte ook kruiwagens, eggen, ploegen, beerkisten, wanmolens, botermolens en kafmolens. Voor ambachtslieden maakte de wagenmaker bakkerswagens met soms de mogelijkheid een hond in te spannen, de zogenaamde hondenkar, stootwagens voor timmerlieden of metselaars, bierwagens ingericht voor het vervoer van biervaten of een mallejan voor het vervoer van bomen. In Vlaanderen behoorden ook doodskisten tot het productgamma van de wagenmaker.
Wagenmaker was een beroep dat doorgaans van vader op zoon overging. De opleiding startte meestal op 14-jarige leeftijd. Een wagenmakersopleiding duurde zes tot tien jaar al naargelang de handigheid en het inzicht van de leerling. De leerjongen kreeg aanvankelijk kleine opdrachten. Het draaien van de slijpsteen en naafboor en het aanreiken van hout en werktuigen waren zo'n taken. Stilaan kreeg hij meer verantwoordelijkheden en mocht hij het snijmes hanteren voor de bewerking van spaken en stelen van gereedschap. Verder leerde hij een boor te hanteren, welke boor of zaag voor welke handeling geschikt was en vooral welke houtsoort voor welk onderdeel nodig was.
Hout was de cruciale grondstof in de wagenmakerij. De wagenmaker kocht meestal zelf zijn bomen, veelal bij publieke houtverkopingen die vroeger vaak plaatsvonden. De bomen werden in de lengte gezaagd met een ongeveer drie meter lange boomzaag. De planken werden geruime tijd te drogen gelegd in een open overdekte loods. Tussen de planken werden latjes gelegd om de wind vrij spel te geven zodat het hout gelijkmatig droogde. Van de planken werden de balken en planken gezaagd die nodig waren om de laadbak en het lamoen van de kar of de wagen te maken. Het hout moest meestal meerdere jaren drogen vooraleer het voldoende sterk was om te verwerken. Indien dit niet zou gebeuren, kon het hout gemakkelijk splijten of breken. De meest gebruikte houtsoorten waren olm, eik en acacia. Het meeste vakmanschap was vereist bij het maken van het houten wiel. Voor de spaken van de wielen werd rechtdradig hout uitgezocht waaruit de spaken gekloofd werden. Om ervoor te zorgen dat de spaken strak in de wielen zouden zitten en niet zouden rammelen was het belangrijk dat het hout zeer droog was. Daarom werden de spaken enkele jaren te drogen gelegd voor ze verder afgewerkt en toegepast werden. Het afwerken gebeurde met een snijmes. De spaken kregen een ovale doorsnee met aan het ene eind een ronde pen met een gleufje, waarin na bevestiging in de velg een spie geslagen kon worden. Het andere eind kreeg een platte pen. Het aantal spaken per wiel kon variëren; veelal waren het er twaalf.
Het middendeel van het wiel, de dom, werd gedraaid. Daartoe gebruikte men een groot draaiwiel dat door enkele helpers in beweging gebracht werd en dat via een drijfriem in verbinding stond met een draaibank. In het geval van een twaalfspakig wiel werden twaalf rechthoekige gaten in de dom uitgekapt waarin de uiteinden van de spaken met de platte pen werden gestoken. De velg bestond uit zes segmenten. In beide kopse kanten van elk segment werd een gat geboord. In die gaten werden ronde pennen aangebracht. Deze konden van hout zijn of van metaal en worden ook dook en drevel genoemd. In de binnenkant van elk segment werden twee ronde spaakgaten geboord. Ten slotte werden de velgsegmenten voorzichtig aan het twaalftal spaken geslagen, die reeds in de dom gestoken waren. Nadien werd het wiel naar de smid gebracht die er een ijzeren band omheen legde, die nog roodgloeiend was om te voorkomen dat de band eraf zou lopen. Als de band strak om het wiel gekrompen was werd er een gat door de dom geboord. Daarin werd een taps toelopende bus aangebracht waarin later de as moest draaien. De as werd evenals de bus kant en klaar gekocht. Tot aan het begin van de 20e eeuw werden nagenoeg alle onderdelen door de wagenmaker met handwerktuigen vervaardigd. In bepaalde wagenmakerijen was men wel al overgeschakeld naar een mechanische aandrijving. De langgatboormachine – voor het horizontaal boren van velggaten – is hier een voorbeeld van. Na de Eerste Wereldoorlog deed elektriciteit zijn intrede in het wagenmakersbedrijf. Wagenmakers plaatsten vooral een elektrisch aangedreven lintzaag, schaafmachine en draaibank in hun werkplaats. Hoewel het zware zaag- en schaafwerk sterk terugviel, bleef er veel handwerk over.
Het beroep leeft voort in Vlaamse en Nederlandse familienamen Wagenmaker(s) en Wagemaker(s). Ook de Nederlandse namen Wagenaar en Wielenga of Wielinga verwijzen naar dit beroep. In de Vlaamse provincies Antwerpen en Limburg en in zuidelijk Nederland sprak men vaak over een radmaker (rademaker). Vandaar namen als De Raeymaecker, De Rademaecker, Raeymaeckers, Raaijmakers en Rademaker.
CORNELIS DE CANTELEU (Koos' Stamovergrootvader) werd geboren in 1567, in Brussel, België, als kind van Nicolas De Canteleu en Barbe De Canteleu, zoals getoond in stamboom 72. Cornelis werd Goudsmid. Hij is gestorven op 29 augustus 1649, ongeveer 82 jaar oud, in Amsterdam, NH. Cornelis werd begraven op 30 augustus 1649 in Nieuwe Kerk, Amsterdam, Nederland.
SUSANNE JACOBS VAN SCHAGEN (Koos' Stamovergrootmoeder) werd geboren in 1577 als kind van Jacob Laurens van Schagen en Maritgen van Schagen, zoals getoond binnen stamboom 68. Zij is gestorven op 25 september 1648, ongeveer 71 jaar oud, in Amsterdam (Noord Holland-NL). Zij werd begraven op 25 september 1648 in Nieuwe Kerk, Amsterdam, Nederland.
Cornelis De Canteleu, ongeveer 33 jaar oud, huwde SUSANNE JACOBS VAN SCHAGEN, ongeveer 23 jaar oud, op 24 februari 1601 in Amsterdam, NH. Zij kregen vijf kinderen:
Bruijn Cornelisse de Canteleu in 1601
Claes De Canteleu in 1612
Susanna de Canteleu in 1614
Jacob de Canteleu in 1616
Cornelis de Canteleu in 1619
Cornelis De Canteleu werd geboren in een periode van religieuze en politieke onrust. In het jaar 1567 stond Spaans-Nederland, inclusief Brussel, waar Cornelis werd geboren, onder de heerschappij van het Habsburgse rijk. Dit tijdperk werd gekenmerkt door de groeiende onvrede onder de Nederlandse provincies tegen de Spaans-katholieke monarchie, wat leidde tot het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog in 1568. Zijn familie zou de eerste fasen van dit conflict hebben meegemaakt, waarin onafhankelijkheid van de Spaanse overheersing en grotere onafhankelijkheid werd nagestreefd van godsdienstvrijheid voor protestanten.
Tegen de tijd dat Cornelis in 1601 met Susanne Jacobs van Schagen trouwde, stond Amsterdam aan de vooravond van de Gouden Eeuw. De stad was een toevluchtsoord geworden voor mensen die op de vlucht waren voor religieuze vervolging en een belangrijk centrum voor handel en financiën. Als goudsmid nam Cornelis deel aan een van de bloeiende industrieën van die tijd. De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) werd in 1602 opgericht, slechts een jaar na zijn huwelijk, en versterkte de status van Amsterdam als mondiaal handelsknooppunt. De rijkdom die door dergelijke ondernemingen werd gegenereerd, zorgde waarschijnlijk voor een welvarende omgeving voor zijn vak.
Gedurende het hele leven van Cornelis werd het religieuze landschap van de Lage Landen gedomineerd door de strijd tussen het katholieke Spanje en de protestantse Verenigde Provinciën. Hoewel de Vrede van Westfalen, die in 1648 een einde maakte aan de Dertigjarige Oorlog, de onafhankelijkheid van de noordelijke provincies erkende, kwam deze slechts een jaar vóór de dood van Cornelis. Zijn gezinsopvoeding en persoonlijke overtuigingen zijn mogelijk beïnvloed door de veranderende religieuze dynamiek, vooral gezien het feit dat Amsterdam in deze periode bekend stond om zijn relatieve religieuze tolerantie.
Cornelis De Canteleu stierf in 1649, een belangrijk jaar in de Europese geschiedenis. Niet alleen gaf de Vrede van Westfalen een nieuwe vorm aan de politieke grenzen van het continent, maar ook Engeland bevond zich midden in de burgeroorlog, die datzelfde jaar leidde tot de executie van koning Charles I. In Amsterdam vond het overlijden van Cornelis plaats in een context van zowel lokale stabiliteit na het einde van de oorlog met Spanje als bredere onzekerheid in heel Europa. Hij werd ter ruste gelegd in de Nieuwe Kerk, een kerk die symbool stond voor de welvaart en architectonische prestaties van Amsterdam tijdens de Gouden Eeuw.
THOMAS BENNE, BROUWER IN COLCHESTER (Koos' Stamovergrootvader) werd geboren rond 1575, in Colchester, Essex, England, United Kingdom, als kind van Thomas Benne en Margareth. Benne, zoals getoond binnen stamboom 66. Hij werd gedoopt op 27 september 1590, ongeveer 15 jaar oud, in Little Chesterford, Essex, England.
CATHERINE Frantz, (Koos' Stamovergrootmoeder) werd geboren als kind van Nicolas Frantz, zoals getoond binnen stamboom 66. Zij is gestorven van 1623 in Colchester, Essex, England, United Kingdom.
Thomas Benne, brouwer in Colchester huwde Catherine Frantz. Zij kregen vier kinderen:
Thomas Benne, pubhouder in Amsterdam in 1606
Anna De Canteleu BORN BENNE in 1618
James Benne
Frederick Benne
De historische context waarin Thomas Benne, brouwer in Colchester, leefde, omvat verschillende aspecten van het Engeland van de late 16e en vroege 17e eeuw. Hier zijn enkele belangrijke elementen van die tijd:
Elisabethaanse tijdperk: Thomas Benne leefde tijdens het bewind van koningin Elizabeth I van Engeland (1558-1603), een periode die bekend staat als het Elisabethaanse tijdperk. Dit was een tijd van culturele bloei, economische groei en politieke stabiliteit in Engeland.
Economische activiteit: Als brouwer in Colchester was Thomas Benne betrokken bij een belangrijke industrie van die tijd. Brouwerijen waren een essentieel onderdeel van de economie en leverden een bijdrage aan zowel de lokale als de nationale handel.
Religieuze onrust: De late 16e eeuw was een periode van religieuze onrust in Engeland, met conflicten tussen katholieken en protestanten. Hoewel koningin Elizabeth I een protestant was, waren er nog steeds spanningen tussen de verschillende religieuze groepen, wat invloed had op het dagelijks leven van mensen zoals Thomas Benne.
Stedelijke samenleving: Colchester was een bloeiende stad in Essex, met een levendige gemeenschap en een gevarieerde economie. Als brouwer maakte Thomas deel uit van de stedelijke samenleving, waar hij waarschijnlijk sociale en economische interacties had met mensen uit verschillende lagen van de samenleving.
Ontdekkingsreizen en handel: Tijdens de late 16e eeuw was Engeland betrokken bij de ontdekkingsreizen en de expansie van het handelsnetwerk, met name in de Nieuwe Wereld en Azië. Deze ontwikkelingen hadden invloed op de economie en het culturele leven van Engeland, zij het op afstand van het dagelijks leven van Thomas Benne in Colchester.
Al met al leefde Thomas Benne in een periode van opkomende nationale identiteit, economische groei en sociale verandering in Engeland, met zowel kansen als uitdagingen die kenmerkend waren voor zijn tijd.
GERARDUS CORNELIS VAN ARNHEM (Koos' Stamovergrootvader) werd geboren rond 1600, in 's Hertogenbosch (NL).
Gerardus Cornelis van Arnhem is geboren omstreeks 1600 in ´s Hertogenbosch, Gerardus Cornelis trouwde, ongeveer 23 jaar oud, op dinsdag 20 juni 1623 in ´s Hertogenbosch met Elizabeth Thomas, nadat zij op dinsdag 6 juni 1623 in ´s Hertogenbosch in ondertrouw zijn gegaan. Zij is een dochter van Guilielmus Thomas en Catharina Walter Denis.
De historische context waarin Gerardus Cornelis van Arnhem leefde, omvat verschillende aspecten van het Nederland in de vroege 17e eeuw, een periode die bekend staat als de Nederlandse Gouden Eeuw. Hier zijn enkele belangrijke elementen van die tijd: Tachtigjarige Oorlog: De Tachtigjarige Oorlog tussen Spanje en de opstandige Nederlandse provinciën was een belangrijk kenmerk van deze periode. 's-Hertogenbosch, waar Gerardus Cornelis van Arnhem werd geboren en trouwde, was een strategische stad die vaak betrokken was bij militaire conflicten. Economische welvaart: Ondanks de oorlogvoering kende Nederland in de 17e eeuw een periode van ongekende economische bloei. Handel, scheepvaart en nijverheid gedijden, wat leidde tot een groeiende welvaart in steden als 's-Hertogenbosch. Religieuze diversiteit: Tijdens deze periode was er in Nederland een grote mate van religieuze tolerantie, wat resulteerde in een diversiteit aan religieuze gemeenschappen. Dit was onder andere het gevolg van de Acte van Verlatinghe uit 1581, waarbij de Nederlandse provinciën zich losmaakten van de heerschappij van de Spaanse koning Filips II. Handel en stedelijke cultuur: 's-Hertogenbosch was een belangrijk handelscentrum in het zuiden van Nederland. De stad had een bloeiende stedelijke cultuur met markten, ambachtslieden en sociale activiteiten. Gerardus Cornelis van Arnhem zou hieraan hebben deelgenomen als een lid van de lokale gemeenschap. Huwelijk en familieleven: Het huwelijk van Gerardus Cornelis van Arnhem met Elizabeth Thomas illustreert het belang van familiebanden en sociale netwerken in de vroege moderne samenleving. Huwelijken werden vaak gearrangeerd om economische of sociale redenen, en familiebanden waren cruciaal voor het verkrijgen van steun en bescherming. Kortom, Gerardus Cornelis van Arnhem leefde in een periode van politieke, economische en culturele dynamiek in Nederland, met 's-Hertogenbosch als zijn thuisbasis, een stad die getuige was van zowel de uitdagingen als de kansen van die tijd. Ook van moeders kant Engelse voorouders
ELIZABETH THOMAS (Koos' Stamovergrootmoeder) werd geboren rond 1600, in 's Hertogenbosch (NL), als kind van Guilielmus Thomas en Catharina Walter Denis, zoals getoond in stamboom 73. Gerardus Cornelis van Arnhem, ongeveer 22 jaar oud, huwde Elizabeth Thomas, ongeveer 22 jaar oud, op 20 juni 1623. Zij kregen drie kinderen: Gerarda van Arnhem in 1623 Guilielmus Gerardus van Arnhem in 1624 Catharina van Arnhem in 1628



Reacties
Een reactie posten