Generatie van 9 maal oud-oud-grootouders, achternicht koningin maria van Schotland, lodewijk van Frankrijk, Filips van Spanje V, Willem IV van Oranje,
Hier is te zien dat maria van Schotland via vaders en moeders kant afstamt van de Egmond familie.
KONINGIN MARIA VAN SCHOTLAND I (Koos' 9 maal achter-nicht, 11 gen. verwijderd) werd geboren op 7 december 1542, in Linlithgow (Sch), als kind van Jacobus van Schotland V en Maria van Gent. Zij is gestorven op 8 februari 1587, 44 jaar oud, in Fotheringhay Castle.
Maria I Stuart of Stewart (Engels: Mary) (paleis van Linlithgow, 7 of 8 december 1542 – Fotheringhay Castle, 8 februari 1587), ook bekend als Mary, Queen of Scots, was koningin van Schotland van 14 december 1542 tot 24 juli 1567. Zij was de dochter van koning Jacobus V en Maria van Guise. Toen zij zes dagen oud was werd zij al koningin, als gevolg van de dood van haar vader na de Slag bij Solway Moss. Maria Stuart is misschien de bekendste Schotse monarch, deels wegens haar tragische levensgeschiedenis en haar einde op het hakblok.
Maria I van Schotland wordt soms verward met Maria I van Engeland (Bloody Mary) (een nicht van haar vader) die ongeveer tegelijkertijd leefde (1516-1558) en van 1553 tot 1558 koningin van Engeland was.
Hendrik VIII van Engeland ondertekende op 1 juli 1543 het verdrag van Greenwich, dat bepaalde dat de toen zes maanden oude Maria als ze tien jaar werd naar Engeland zou komen om te trouwen met zijn zoon Eduard VI van Engeland. De katholieke kardinaal Beaton Earl of Lennox begeleidde haar op 27 juli 1543 naar Stirling Castle met 3500 gewapende mannen om haar te beschermen tegen protestanten. Ze werd er op 9 september 1543 in de kapel tot koningin gekroond. Kort voor de kroning hielden de Engelsen Schotse kooplieden uit Frankrijk aan en namen hun koopwaar in beslag. Het Parlement van Schotland verbrak daarop in december het verdrag van Greenwich. Hendrik VIII stuurde zijn leger om Maria tot het beloofde huwelijk te dwingen. In mei 1544 nam de Engelse graaf van Hertford - de latere hertog van Somerset - Edinburgh in en de Schotten evacueerden Maria naar Dunkeld. In mei 1546 vermoordden protestanten Beaton. Op 10 september 1547 verloren de Schotten de Slag bij Pinkie Cleugh en Maria vluchtte drie weken naar Inchmahome Priory en de Schotten smeekten koning Hendrik II van Frankrijk om hulp. Die bood een bondgenootschap aan, bezegeld met een huwelijk van vierjarige Maria met zijn driejarige kroonprins Frans. In februari 1548 namen de Engelsen Haddington in en de Schotten brachten Maria naar Dumbarton Castle. In juni landde een Frans leger te Leith en na een belegering heroverden ze Haddington. Op 7 juli 1548 keurde het Schotse parlement in een nonnenklooster het huwelijk van Mary met Frans goed en Maria reisde via Roscoff in Bretagne naar het Franse hof, waar ze opgevoed werd.
Op 24 april 1558 huwde zij in de Notre-Dame van Parijs met de dauphin Frans II van Frankrijk en zo was ze gedurende zeventien maanden koningin van Frankrijk, tot aan de vroegtijdige dood van haar echtgenoot op 5 december 1560. Op haar 18e was zij al weduwe. Op 19 augustus 1561 keerde Maria terug naar Schotland.
Maria zond William Maitland of Lethington als gezant naar het Engelse hof om te bepleiten dat zij troonopvolger was. Koningin Elizabeth I weigerde om een troonopvolger aan te duiden. Eind 1561 en begin 1562 werd een ontmoeting van beide koninginnen gepland in York of Nottingham in augustus of september 1562, maar Elizabeth zond Sir Henry Sidney om af te zeggen vanwege de Hugenotenoorlogen in Frankrijk.
De oom van Maria, kardinaal Karel van Lotharingen, onderhandelde met aartshertog Karel II van Oostenrijk om te huwen met Maria, maar zij wees dat af. Zij onderhandelde met Don Carlos van Spanje, erfopvolger van koning Filips II van Spanje, maar die verhinderde dat. Elizabeth wilde dat Maria zou trouwen met de Engelse protestant Robert Dudley 1e graaf van Leicester, maar die wilde niet.
Begin 1563 werd de Franse dichter Pierre de Boscosel de Chastelard betrapt onder het bed van Maria en hij werd verbannen uit Schotland. Twee dagen later drong hij haar slaapkamer binnen terwijl zij zich uitkleedde. Zij schreeuwde om hulp en haar halfbroer, James Stewart, graaf van Moray, snelde toe en kon de man overmeesteren. Hij werd veroordeeld voor hoogverraad en onthoofd.
In februari 1561 was haar Engelse neef, Lord Darnley, in Frankrijk zijn deelneming komen betuigen bij de dood van haar echtgenoot Frans. Ze zagen elkaar terug op 17 februari 1565 in Wemyss Castle in Schotland en Maria werd verliefd op de 1,80 m lange man. Zij trouwden te Holyrood Palace op 29 juli 1565. Beiden waren katholiek en op 25 september verleende de paus een vrijstelling op datum van 25 mei zodat ze als neef en nicht mochten trouwen. In oktober 1565 bleek Maria zwanger, maar er gingen geruchten dat privésecretaris David Rizzio de vader was en Darnley werd jaloers. Op 9 maart vermoordden protestanten Rizzio in het bijzijn van de zwangere Maria op een banket in Holyrood Palace. In de nacht van 11 op 12 maart vluchtten Maria en Darnley naar Dunbar Castle en keerden op 18 maart terug naar Edinburgh. Mary beviel van James op 19 juni 1566 in Edinburgh Castle. In oktober 1566 verbleef Maria te Jedburgh en reed ze vier uren te paard om de gewonde Graaf van Bothwell te bezoeken te Hermitage Castle. Bij haar terugkeer in Jedburgh was ze ziek, ze moest braken, zag niet, kon niet spreken, had stuiptrekkingen en lag soms bewusteloos. Haar Franse dokters verzorgden haar en op 25 oktober was ze beter.
Eind november 1566 besprak Maria te Craigmillar Castle een echtscheiding van Darnley. Kort voor Kerstmis werd James gedoopt te Stirling. Darnley vluchtte naar Glasgow. Eind januari 1567 gebood Maria haar echtgenoot terug te keren naar Edinburgh. Hij herstelde van een ziekte in het huis van de broer van James Balfour, Lord Pittendreich bij de vroegere abdij van Kirk o' Field en Maria bezocht hem elke dag. In de avond van 9 op 10 februari 1567 bezocht Maria hem iets vroeger waarna ze naar het huwelijk van haar bediende Bastian Pagez ging. In de eerste uren van de ochtend verwoestte een ontploffing Kirk o' Field en Darnley werd dood gevonden in de tuin. Bothwell werd verdacht van moord, maar werd op 12 april vrijgesproken na een rechtszitting van zeven uren.
Een week later overtuigde Bothwell vierentwintig edelen en bisschoppen om de Ainslie Tavern Bond te ondertekenen, waarin ze toestemden in zijn huwelijk met koningin Maria.
Maria bezocht haar zoon tussen 21 en 23 april 1567 te Stirling. Bij haar terugkeer naar Edinburgh op 24 april ontvoerde Lord Bothwell haar naar Dunbar Castle. Volgens ooggetuige James Melville of Halhill verkrachtte hij haar. Op 6 mei keerden Maria en Bothwell terug naar Edinburgh en op 15 mei trouwden ze voor de protestantse kerk. Bothwell was acht dagen daarvoor voor de Protestant Commissary Court te Edinburgh gescheiden van zijn eerste vrouw Jean Gordon, Countess of Bothwell, zus van Lord Huntly.
Katholieken vonden Bothwells echtscheiding en het protestantse huwelijk onwettig. Zowel katholieken als protestanten vonden het ongepast dat Maria hertrouwd was met de man die beschuldigd werd van de moord op haar echtgenoot. Zesentwintig Schotse lords trokken met een leger op tegen Mary en Bothwell. In de Slag bij Carberry Hill op 15 juni deserteerden de soldaten van Maria. Bothwell kreeg een vrijgeleide en de lords voerden Maria naar Edinburgh, waar de menigte haar uitschold voor hoer en moordenares. De nacht erop werd ze opgesloten in Loch Leven Castle op een eiland in het midden van Loch Leven. Tussen 20 en 23 juli kreeg Maria een miskraam van een tweeling. Op 24 juli werd ze gedwongen tot troonsafstand ten voordele van haar eenjarige zoon James en Moray werd regent. Bothwell werd verbannen en werd in Denemarken in de gevangenis opgesloten. Daar werd hij krankzinnig en stierf in 1578.
Op 2 mei 1568 ontsnapte Maria uit Loch Leven Castle met hulp van George Douglas, broer van de kasteelheer Sir William Douglas, 6th Earl of Morton. Ze verzamelde 6000 man en vocht op 13 mei tegen Moray in de Slag bij Langside. Ze werd verslagen en vluchtte naar het zuiden, overnachtte in Dundrennan Abbey en stak op 16 mei in een vissersboot de Solway Firth over naar Engeland. Ze landde te Workington in Cumberland en overnachtte in Workington Hall. Op 18 mei namen de autoriteiten haar in hechtenis in Carlisle Castle.
Maria verwachtte hulp van Elizabeth, maar die stelde een onderzoek in of Maria schuld had aan de moord op Darnley. Midden juli 1568 werd Maria overgebracht naar Bolton Castle. Tussen oktober 1568 en januari 1569 werden conferenties gehouden te York en Westminster. In Schotland vochten haar aanhangers de Marian civil war tegen de regent Moray.
Maria vond de conferentie te York onbevoegd om over haar als koningin te oordelen en bleef afwezig. Later wilde ze zich wel verdedigen op de conferentie van Westminster, maar Elizabeth weigerde toelating. Moray legde acht brieven in het Frans van Mary aan Bothwell voor als bewijs, samen met twee huwelijkscontracten en enkele sonnetten, gevonden in een met zilver ingelegd kistje, opgesmukt met het monogram van koning Frans II. Maria stelde dat het om vervalsingen ging. De voorzitter van de conferentie Thomas Howard, 4th Duke of Norfolk schreef op 11 oktober 1568 aan Elizabeth dat ze de schuld van Maria bewezen als ze echt waren. Moray zond in september een bode naar Dunbar om een kopie van de echtscheidingsacte van Bothwell. De conferenties kwamen niet tot schuld of vrijspraak. Moray keerde terug naar Schotland als regent en Maria bleef opgesloten in Engeland. Ze kreeg een luxueus huisarrest, met een staf van ten minste zestien bedienden en verhuisde regelmatig naar andere kastelen. Ook bracht ze zeven zomers door in de thermale badplaats Buxton.
Als katholiek familielid van de protestantse koningin Elizabeth I van Engeland maakte ze echter aanspraak op de Engelse troon. Katholieken vestigden hun hoop op Maria als de in hun ogen rechtmatige erfgename van de troon. Aldus werd de Schotse koningin een bedreiging voor Elizabeth. Uiteindelijk werd Maria opgesloten in het afgelegen kasteel Fotheringhay.
In 1587 werd haar naam genoemd in de samenzwering van Babington (een plan om Elizabeth te vermoorden en te vervangen door Maria). Zij had schriftelijk ingestemd met het moordcomplot tegen Elizabeth I waarbij zes edelen de door katholieken als onwettig beschouwde Elizabeth moesten vermoorden en Maria op de troon zetten, zodat het katholieke geloof in Engeland weer hersteld kon worden. Francis Walsingham ondermijnde het plan en gaf Elizabeth daarmee een reden om Maria van Schotland te executeren. Na een proces werd zij ter dood veroordeeld en onthoofd. Maria Stuart was 44 jaar toen ze werd geëxecuteerd. Toen de beul het afgehakte hoofd aan het volk wilde tonen, hield hij een donkerharige pruik in zijn hand. Op de grond lag het hoofd met hoofdhaar dat al helemaal grijs was.
LODEWIJK VAN FRANKRIJK (Koos' 14 maal achter-neef, 11 gen. verwijderd) werd geboren op 16 augustus 1682, in Versailles (FR), als kind van Lodewijk van Frankrijk en Maria Anna Christina Victoria van Beieren. Hij werd gedoopt op 16 augustus 1682, in Versailles (FR). Hij is gestorven op 18 februari 1712, 29 jaar oud, in Marly-le-Roi (FR). Hij werd begraven op 22 februari 1712 in Marly-le-Roi (FR).
Lodewijk huwde zijn achternicht, Maria Adelheid van Savoye
Lodewijk, hertog van Bourgondië (Kasteel van Versailles, 16 augustus 1682 - Marly-le-Roi, 18 februari 1712) was de eerste kleinzoon van de Franse koning Lodewijk XIV. Hij kwam lange tijd op de tweede plaats in de troonsopvolging na zijn vader, de Grand Dauphin, en werd na diens dood voor korte tijd dauphin (troonopvolger). Daarom werd hij later wel le Petit Dauphin genoemd. Hij is de vader van koning Lodewijk XV.
Lodewijk was de oudste zoon van Lodewijk, dauphin van Frankrijk (bekend als de Grand Dauphin), de enige wettelijke zoon van Lodewijk XIV, en Maria Anna van Beieren. Hij was het eerste lid van de koninklijke familie dat in Versailles is geboren.
Zijn grootouders aan vaderskant waren koning Lodewijk XIV van Frankrijk en koningin Maria Theresia. Zijn grootouders aan moederskant waren Ferdinand Maria, de keurvorst van Beieren en Henriëtte Adelheid van Savoye, dochter van Victor Amadeus I van Savoye.
Hij kreeg bij zijn geboorte de titel hertog van Bourgondië. Hij was eerst een kwaadaardige en arrogante jonge prins die niemand mocht en ook door niemand aardig werd bevonden maar later werd de hertog van Bourgondië na veel inspanning in een heel vroom en godsdienstig man veranderd door zijn privéleraar François Fénelon (de beroemde schrijver en aartsbisschop van Kamerijk). Fénelons belangrijkste werk, de pedagogische roman Les aventures de Télémaque, werd voor hem geschreven. In 1697, op 15-jarige leeftijd, trouwde hij met zijn drie jaar jongere achternicht Maria Adelheid van Savoye. Hoewel het huwelijk door zijn grootvader Lodewijk XIV was gearrangeerd, hielden de twee erg van elkaar.
De devoten aan het hof omringden de prins met de "kliek van Bourgondië", naast Fénelon, de hertog van Beauvillier, die zijn gouverneur was, en de hertogen van Chevreuse en Saint-Simon, auteur van beroemde memoires die veel informatie over die tijd bevatten.. Samen ontwikkelden zij een hervorming van de Franse regeringsstructuur, die gedecentraliseerd zou worden, en waar het absolutisme zou worden teruggedrongen ten voordele van een aantal raden (polysynodie), waarin de hoge adel - de hertogen en prinsen - de Natie zou vertegenwoordigen. Dit voor die tijd reactionaire, quasi-middeleeuwse ideaal zou mogelijk het regeringssysteem ná Lodewijk XIV geworden zijn, als de hertog niet vroegtijdig was overleden. Onder de regering van de Regent werd de polysynodie beperkt ingevoerd, en snel weer afgevoerd. Begin 1702, werd de jonge prins door zijn grootvader Lodewijk XIV toegelaten in de Conseil d'en haut, het hoogste adviesorgaan op het gebied van diplomatie en oorlog. Dat gebeurde na het uitbreken van de Spaanse Successieoorlog, die was ontstaan doordat zijn jongere broer, de hertog van Anjou, als Filips V de Spaanse kroon had geërfd, wat voor de meeste andere Europese landen een bedreiging vormde. De hertog van Bourgondië zou altijd een fel verdediger zijn van de rechten van zijn broer, ook toen Lodewijk XIV een tijd voorstander was van een compromisvrede waarbij Filips V mogelijk zijn troon zou moeten opgeven.
Nog in 1702 kreeg hij het bevel over het “Leger van Vlaanderen”, dat in de Zuidelijke Nederlanden opereerde. Hij was nog geen twintig en had weinig belangstelling voor de krijgskunst getoond, maar zijn grootvader vond dat een toekomstige koning een krijgsman moest zijn: de koning omringde hem wel met bekwame generaals, die hem moesten adviseren. Zijn leger slaagde er in juni 1702 in de troepen van de Verenigde Provinciën terug te dringen tot bij Nijmegen, maar toen de hertog van Marlborough kort daarop met versterkingen arriveerde, moesten de Fransen zich terugtrekken. Het jaar daarop wist een ander Frans leger onder zijn nominale leiding de Rijnvesting Breisach te belegeren en in te nemen, waardoor de hertog de pluim van de overwinning op zijn hoed kreeg.
In 1708 kreeg de hertog van Bourgondië opnieuw het bevel in de Zuidelijke Nederlanden, nu bijgestaan door de hertog van Vendôme, die Lodewijk XIV als zijn beste generaal beschouwde. Zijn leger boekte enkele successen en wist Gent en Brugge te veroveren, maar werd meteen daarop (11 juli 1709) door Marlborough verrast bij Oudenaarde en zwaar verslagen. Toen de hertog van Vendôme tijdens de slag een cavalerieaanval aanvoerde, vroeg hij dat een deel van de infanterie hem ter hulp zou komen, maar de jonge bevelhebber weigerde dat. Voor Vendôme was die weigering de oorzaak van de nederlaag bij Oudenaarde.
Tussen de twee legeraanvoerders zou het daarna niet meer goed komen. Telkens als Vendôme een aanval voorstelde, ging Bourgondië daar niet op in. Beiden beklaagden zich bij Lodewijk XIV, maar die weigerde partij te kiezen en vroeg dat ze zouden samenwerken. Door deze tweespalt konden de geallieerde legers de belangrijke vesting Rijsel belegeren en uiteindelijk ook innemen. Voor Frankrijk was dat een ramp. In Parijs, waar Vendôme veel aanhang had, circuleerden geschriften en liedjes die de “slechte raadgevers” van de jonge Lodewijk aanvielen (niemand durfde de kleinzoon van de koning rechtstreeks aan te vallen) en ook aan het hof was er veel kritiek vanwege de vijanden van de “Bourgondische kliek”. De hertog van Bourgondië leek zich zelf geen kwaad bewust. Bij zijn terugkeer in Versailles eind dat jaar werd hij door zijn grootvader gefeliciteerd. Toch zou hij daarna nooit meer een militair commando krijgen.
Toen zijn vader in 1711 aan de pokken bezweek, volgde hij hem op als dauphin, maar slechts voor tien maanden. Op 6 februari 1712 stierf zijn vrouw Maria Adelheid na plots ziek te zijn geworden. Hijzelf overleed zes dagen later. De oorzaak van zijn dood is niet zeker, maar hij was in elk geval zeer getroffen door het overlijden van zijn vrouw. Lange tijd is gemeend dat ze beiden aan mazelen overleden, maar het lijkt meer waarschijnlijk dat Maria Adelheid stierf aan een bloedvergiftiging na een infectie aan de tanden en dat haar gemaal door haar besmet werd. De memoires van Saint-Simon en het verslag van de autopsie geven daar aanwijzingen voor.
Zijn oudste nog levende zoon, de hertog van Bretagne, overleed zelf nog geen drie weken later, ook na een besmetting. Uiteindelijk zou zijn jongste zoon in 1715 de troon erven als Lodewijk XV.
FILIPS V VAN SPANJE (Koos' 14 maal achter-neef, 11 gen. verwijderd) werd geboren op 19 december 1683 als kind van Lodewijk van Frankrijk en Maria Anna Christina Victoria van Beieren. Hij is gestorven op 9 juli 1746, 62 jaar oud.
Filips V (Spaans: Felipe V; Frans: Philippe de France; Versailles, 19 december 1683 – Madrid, 9 juli 1746) was koning van Spanje van 15 november 1700 tot 15 januari 1724, toen hij troonsafstand deed ten gunste van zijn zoon Lodewijk, en van 6 september 1724, toen hij de troon weer besteeg na de dood van zijn zoon, tot zijn eigen dood in 1746. Filips was het eerste lid van het Huis Bourbon dat als koning over Spanje heerste. De totale duur van zijn twee regeringsperioden, 45 jaar en 21 dagen, is de langste in de moderne Spaanse geschiedenis.
Vóór zijn koningschap over Spanje had hij een prominente plaats in de koninklijke familie van Frankrijk als een kleinzoon van koning Lodewijk XIV. Zijn vader, Lodewijk, de Grote Dauphin, had de sterkste genealogische aanspraak op de troon van Spanje toen die vrijkwam in 1700. Aangezien hij als grote dauphin en Filips' oudere broer, Lodewijk, hertog van Bourgondië, beiden beschikbaar moesten blijven voor de opvolging van Lodewijk XIV, benoemde de kinderloze koning Karel II van Spanje Filips als zijn erfgenaam in zijn testament. Er werd algemeen van uitgegaan dat een personele unie van Frankrijk en Spanje onder één vorst het Europese machtsevenwicht zou verstoren, zodat andere Europese machten stappen zouden ondernemen om dit te voorkomen.
Hij was de tweede zoon van Lodewijk, le Grand Dauphin en Maria Anna Victoria van Beieren. Hij was een jongere broer van Lodewijk, hertog van Bourgondië, en een oom van koning Lodewijk XV van Frankrijk. Filips was een oudere broer van Karel van Frankrijk, hertog van Berry.
Zijn grootouders aan vaderskant waren koning Lodewijk XIV van Frankrijk en koningin Maria Theresia van Oostenrijk. Zijn grootouders aan moederskant waren Ferdinand Maria van Beieren en Henriëtte Adelheid van Savoye, een dochter van hertog Victor Amadeus I van Savoye en Christina van Frankrijk.
Hij voerde eerst de titel hertog van Anjou. Na de dood van de Spaanse koning Karel II (1700) brak een strijd om de opvolging uit (Spaanse Successieoorlog). Via zijn grootmoeder was Filips pretendent voor een deel van het Spaanse Rijk, maar door het testament van Karel II van Spanje werd hij universeel erfgenaam.
Bij de Vrede van Utrecht (1713) die een eind maakte aan de Spaanse Successieoorlog werd hij als koning van Spanje erkend. Daarbij werd uitdrukkelijk vastgelegd dat Filips' nakomelingen uitgesloten waren van de Franse troon; daarmee was het hoofddoel van de anti-Franse coalitie, het voorkomen van de vereniging van Frankrijk en Spanje onder één dynastie, bereikt. Het Spaanse imperium in Europa werd bovendien drastisch verkleind. Spanje werd gedwongen Gibraltar en het Mediterrane eiland Minorca af te staan aan Groot-Brittannië en moest de Spaanse Nederlanden, koninkrijk Napels, Milaan, en Sardinië aan de Oostenrijkse Habsburgers opgeven. Het hertogdom Savoye kreeg stukken van de Milanese gebieden en het koninkrijk Sicilië. Filips was van nature traag en onzelfstandig; hij liet de regering over aan zijn respectievelijke gemalinnen Maria Louisa van Savoye (dochter van koning Victor Amadeus II van Sardinië) en Elisabetta Farnese, bijgestaan door zijn minister Alberoni. Dankzij Elisabetta kwamen het Koninkrijk Napels, Sicilië en het hertogdom Parma en Piacenza toe aan zijtakken van het Spaanse koningshuis. Op het Iberisch schiereiland kon hij Catalonië annexeren na de val van het kasteel van Cardona en vaardigde in 1714 het decreet van Nova Planta uit, waardoor de Catalaanse instellingen en de Generalitat de Catalunya afgeschaft werden en het Catalaans als administratieve taal verboden werd. Het eerste officiële koninkrijk Spanje ontstond.
De koning begunstigde de handel van Spanje met zijn Amerikaanse bezittingen. Tijdens deze Atlantische handel traden belangrijke figuren van de zeegeschiedenis van Spanje, waaronder Amaro Pargo, op de voorgrond. De monarch profiteerde vaak van de kaper met zijn commerciële en corsaire invallen.
In 1724 trad hij af ten gunste van zijn zoon Lodewijk, die echter nog datzelfde jaar stierf. Filips hielp zijn Bourbon-familieleden om gebieden te verkrijgen in de Poolse Successieoorlog en de Oostenrijkse Successieoorlog, hij veroverde Napels en Sicilië op Oostenrijk en in Noord-Afrika Oran op het Ottomaanse Rijk. Aan het einde van zijn regering verdedigden Spaanse troepen hun Amerikaanse gebieden met succes tegen een enorme Britse invasie tijdens de Oorlog om Jenkins' oor.
Koning Filips stierf op 9 juli 1746 in Madrid; Ferdinand, zijn vierde zoon uit zijn eerste huwelijk, volgde hem op als koning Ferdinand VI.
VORST WILLEM VAN NASSAU DIETZ IV (Koos' 14 maal achter-neef, 11 gen. verwijderd) werd geboren op 1 september 1711, in Leeuwarden, als kind van Johan Willem Friso van Nassau Dietz en Maria Louise van Hessel Kassel. Willem werd „prins van oranje” genoemd. Hij is gestorven op 22 oktober 1751, 40 jaar oud, in 's-Gravenhage. Hij werd begraven op 4 februari 1752 in Nieuwe Kerk, Delft.
Willem Karel Hendrik Friso (Leeuwarden, 1 september 1711 – Den Haag in Paleis Huis ten Bosch, 22 oktober 1751), was prins van Oranje en vorst van Oranje-Nassau. Hij was de eerste erfstadhouder van de Republiek der Verenigde Provinciën. Hij was voornaam, vredelievend en minzaam in zijn optreden, maar had te kampen met een zwakke gezondheid en een vergroeiing van zijn rug die zijn politiek-bestuurlijke optreden meer en meer parten zou gaan spelen.
Willem Karel Hendrik Friso werd geboren in Leeuwarden als zoon van Johan Willem Friso van Nassau-Dietz, die achtenveertig dagen daarvoor was overleden en Maria Louise van Hessen-Kassel. Bij zijn geboorte werd hij daarom, als zijn overleden vader, Stadhouder van Friesland, maar niet van de overige Nederlandse gewesten, die in het Tweede Stadhouderloze Tijdperk verkeerden. De val van een paard, in 1717 in de tuin van Paleis Soestdijk, de zomerresidentie, deed even voor zijn leven vrezen. Hij hield er een vergroeide rug aan over, waarvan complicaties later tot zijn dood zouden leiden. Willem IV kreeg meer dan de gebruikelijke opvoeding van adellijke kinderen. De prins studeerde aan de Universiteit van Franeker en aan de Universiteit Utrecht. Willem IV sprak diverse talen (waaronder naast Duits, Engels, Frans, Latijn en Nederlands ook Fries) en was geïnteresseerd in geschiedenis; ook in de fouten van zijn voorgeslacht, zoals hij zijn hoogleraar meldde.
Zijn benoeming had veel voeten in de aarde: er waren kapers op de kust en daarbij zijn de bronnen niet eensluidend; iedere auteur beweert wat anders. In de Gelderse archieven is echter terug te vinden dat Willem IV op 2 november 1722 werd benoemd tot stadhouder, wat in zou gaan in 1728, als hij meerderjarig werd. Voorlopig had hij echter in Gelderland alleen de titel en de toelage. In 1726 werd hem een plaats in de Raad van State geweigerd door de niet-stadhouderlijke provincies. De ontvangst van de prins drie jaar later in Den Haag was uitgesproken koel. Drenthe en Groningen zouden hem daarentegen in 1729 en Friesland in 1731 tot stadhouder benoemd hebben. Vanaf die tijd was hij in feite de hoogste ambtenaar van deze gewesten.
Al in 1721 was er sprake van een huwelijk met de Engelse prinses Anna van Hannover. De Engelse ambassadeur William Cadogan, de eerste graaf Cadogan, die met Margaretha Cecilia Munter was getrouwd, speelde mogelijk een belangrijke rol. De onderhandelingen voor het huwelijk van prinses Anna met de Nederlandse vorst zouden twaalf jaar duren. De oorzaak lag grotendeels op het internationale politieke vlak. Na de dood van koning-stadhouder Willem III, tijdens het Tweede Stadhouderloze Tijdperk, waren Pruisische en ook Engelse diplomaten en juristen druk doende om voor hun vorst aanspraak te maken op de begerenswaardige titel 'prins van Oranje', met alle hierbij behorende emolumenten en bezittingen.
Toen de nalatenschap van stadhouder Willem III werd geregeld in een geheim verdrag, bekend als het Traktaat van Partage, en zowel Willem Karel Hendrik Friso als koning Frederik Willem I van Pruisen als prins van Oranje werden erkend, maar de eerste de meeste bezittingen verkreeg – Willem deed afstand van Lingen en van Meurs – en de tweede naar verluidt de meeste schulden, steeg Willems waarde op de huwelijksmarkt aanzienlijk. In 1732 kwam Paleis Huis ten Bosch, dat onderdeel was van de erfeniskwestie, alsnog in bezit van prins Willem IV, waarna hij het tussen 1734 en 1737 liet restaureren en uitbreiden met twee grote zijvleugels, naar een ontwerp van Daniël Marot. Hij bezat nu in Den Haag een paleis dat voldeed aan de statuur van een vorst. Dit was van belang, gezien zijn dynastieke ambities.
Op 21 oktober 1733 ging hij voor het Gerecht van Leeuwarden in ondertrouw. Het huwelijk, dat gepland was in november 1733, werd uitgesteld omdat de bemoeienissen van zijn toekomstige schoonvader George II met de Republiek niet op prijs werden gesteld. Willem werd, mede vanwege alle ophef, ziek en vertrok naar het Britse kuuroord Bath. Pas enkele maanden later was hij voldoende hersteld om in het huwelijk te treden.
Georg Friedrich Händel, die Anna en haar jongere zussen klavecimbel- en muziekles had gegeven en haar als zijn beste leerling beschouwde, componeerde ter gelegenheid van het huwelijk zijn serenata Il Parnasso in Festa (HWV 73), waarvoor delen uit Athalia (HWV 52) gebruikt zijn. Op 25 maart 1734 trouwde het paar in de Franse kapel van het St. James's Palace. Händel componeerde hiervoor, op een tekst van Prinses Anna (naar twee psalmen), het anthem This is the day the Lord hath made (HWV 262). In Amsterdam werd het paar op 8 mei 1734 met zó weinig animo ontvangen door burgemeester Lieve Geelvinck, dat het paar al na een half uur besloot om door te reizen naar Leeuwarden.
In Engeland was hij door de universiteit van Oxford met een eredoctoraat bedacht en trad hij toe tot de vrijmetselarij. Bij zijn terugkeer in de Republiek ontstonden ook loges in Den Haag en Leeuwarden. Zo had hij een eigen hofloge "Antiqua Virtute et Fide" in Leeuwarden. Zijn kok Vincent la Chapelle en Douwe Sirtema van Grovestins waren daarbij betrokken.
In 1740 brak de Oostenrijkse Successieoorlog uit, waarin Oostenrijk en Frankrijk tegenover elkaar stonden. De Republiek, Groot-Brittannië en Oostenrijk vormden een bondgenootschap, waarbij de anderen zouden helpen als één van hen werd aangevallen. De Republiek talmde om openlijk Frankrijk de oorlog te verklaren en stuurde met tegenzin vanaf 1742 troepen om het Geallieerde leger te versterken. In 1746 veroverden de troepen van Lodewijk XV de meeste steden in de Oostenrijkse Nederlanden waar de Republiek krachtens het Barrièretraktaat troepen had gelegerd, evenals de belangrijkste plaatsen in Zeeuws-Vlaanderen. In 1747 gaf de Franse koning aan het grondgebied van de Republiek niet langer te kunnen ontzien, waarop Franse troepen de Republiek binnenvielen. In paniek werd de prins op 2 mei 1747 benoemd tot kapitein-generaal, tot admiraal-generaal van de Republiek en tot stadhouder van alle gewesten. Dirk Hubert Verelst of zijn vader coördineerde de benoeming in de provincie Zeeland al vanaf 15 april. Over zijn bevoegdheden kon Willem het na diverse pogingen tot 'promotie' niet eens worden met de Staten-Generaal. Zij legden hem een instructie voor die overeenkwam met de Unie van Utrecht. Willem wilde alleen de eed afleggen op de instructie van zijn voorganger, Willem III.
Op 11 mei 1747 deed de prins zijn intrede in Amsterdam. Ter begroeting waren niet alleen de burgemeesters, maar ook alle predikanten aanwezig. Wie geen oranje droeg liep de kans in de gracht gegooid te worden. Zelfs de paarden en ook de ossen op weg naar de slager waren ermee versierd. In november van datzelfde jaar volgde verheffing tot erfstadhouder van de Republiek, waarbij ook de opvolging in vrouwelijke lijn werd geregeld, want Willem IV had toen enkel een dochter. Hiermee kwam een eind aan het Tweede Stadhouderloze Tijdperk. De organisator was de porseleinverkoper Daniël Raap, een gematigd doelist, die de oranjegezinde bevolking mobiliseerde. Nog datzelfde jaar verhuisde prins Willem IV met zijn gezin en een deel van zijn hofhouding naar Den Haag, van waaruit de Vereenigde Nederlanden werden bestuurd, alwaar hij ging wonen in Paleis Huis ten Bosch.
In 1748, enkele maanden na de geboorte van zijn zoon Willem Batavus, ontstond het Pachtersoproer. Raap, die zich verzette tegen de regenten - van oudsher tegenstanders van een rol van de Oranjes in het Nederlandse staatsbestel - overlegde diverse malen met de prins en zijn vrouw. In veel steden werden diverse burgemeesters en vroedschapsleden vervangen. Omstreden was zijn benoeming van de Groningse jonker Rudolf de Mepsche tot drost van Westerwolde.
Zijn belangrijkste raadgevers waren graaf Bentinck en Mattheus Lestevenon. In de nieuwe regeringsreglementen kreeg de erfstadhouder meer invloed op de benoemingen. Veel afgezette vroedschapsleden kregen echter na verloop van tijd hun zetel terug. Een besluit dat hem niet in dank is afgenomen; de positieve stemming onder de bevolking jegens de prins sloeg volledig om, volgens Lodewijk Ernst van Brunswijk-Lüneburg-Bevern in een brief aan zijn nicht Maria Theresia.
Willem kreeg te maken met een teruglopende economie. Een poging de handel op te beuren door het instellen van een vrijhaven, liep door tegenwerking van de admiraliteitscolleges op niets uit. De bankier Thomas Hope en de politiek econoom Isaac de Pinto beloonde hij met respectievelijk een functie in de WIC en VOC.
Willem IV stelde veel belang in een aanstelling van Lodewijk Ernst, hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel toen zijn gezondheid hem steeds meer parten speelde. Anna van Hannover nam de lopende zaken over. Willem IV stierf op 22 oktober 1751 in Den Haag na een kuur in Aken. De bijzetting vond plaats op 4 februari 1752 in de grafkelder van de Oranjes te Delft. De erfstadhouder werd opgevolgd door zijn dan drie jaar oude zoon. Anna van Hannover nam de landszaken waar tot haar dood in 1759; Friesland benoemde haar schoonmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel, die de functie van regentes uitoefende tot 1765.
Uit het huwelijk van prins Willem en prinses Anne werden de volgende kinderen geboren:
een doodgeboren dochter (19 december 1736), werd bijgezet te Delft
een doodgeboren kind (1739)
Carolina (1743-1787), gehuwd met Karel Christiaan van Nassau-Weilburg
Anna (15 november 1746 - 29 december 1746)
Willem Batavus (1748-1806), de latere erfstadhouder Willem V, gehuwd met Wilhelmina van Pruisen (1751-1820).



Reacties
Een reactie posten