Generatie van zes maal oud-oud-grootouders, Jan Gerrits van der gracht, guilielmus ignatius godefridesz van Arnhem, Jaconus van Engeland, Willem II der Nederlanden en Anna Paulowna
CLAAS KAEGH = (Koos' Oudbetovergrootvader) werd geboren rond 1705.
Claas was de vader van een zoon:
Teunis Claasz de Boer (kaegh) in 1732
Claas Kaegh leefde rond 1705, waardoor zijn leven zich afspeelde in de 18e eeuw. Helaas zijn er geen specifieke details verstrekt over zijn beroep, woonplaats of andere aspecten van zijn leven. Zijn naam suggereert dat hij mogelijk een agrarische achtergrond had, gezien de toevoeging "de Boer" aan de naam van zijn zoon.
In de 18e eeuw onderging Nederland grote veranderingen op het gebied van economie, politiek en samenleving. Het land was betrokken bij verschillende oorlogen, waaronder de Spaanse Successieoorlog (1701-1714) en de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748), die invloed hadden op het dagelijks leven van mensen.
Op het gebied van economie en handel was de Nederlandse Republiek nog steeds een belangrijke speler, maar het gezag van de Republiek begon te tanen naarmate andere landen, zoals Engeland en Frankrijk, hun macht uitbreidden. Landbouw en handel bleven echter vitale sectoren in de Nederlandse economie, en het boerenleven was voor veel mensen nog steeds de norm.
Deze periode markeerde ook het begin van de Verlichting, een intellectuele beweging die de nadruk legde op rede, wetenschap en individuele vrijheden. Hoewel de impact van de Verlichting niet onmiddellijk voelbaar was voor alle lagen van de samenleving, begonnen de ideeën ervan langzaam door te dringen in de maatschappij.
Als Claas Kaegh inderdaad een boer was, zou zijn leven gekenmerkt worden door het harde werk op het platteland, afhankelijk van de seizoenen en de vruchtbaarheid van de grond. Zijn familie zou waarschijnlijk nauw betrokken zijn geweest bij de lokale gemeenschap, en hun leven zou beïnvloed zijn geweest door de normen en tradities van die tijd.
JAN GERRITS VAN DER GRACHT (Koos' Oudbetovergrootvader) werd geboren in 1675, in Hoorn, West Friesland, Nederland, als kind van Gerrit Jansz van der Gracht en Susanna van der Gracht, zoals getoond in stamboom 61. Jan werd Hoedenmaker. Hij is gestorven op 9 januari 1716, ongeveer 40 jaar oud, in Hoorn, West Friesland, Nederland. Hij werd begraven op 9 januari 1716 in Hoorn, Noord Holland, Nederland.
Jan Gerrits van der Gracht leefde in de late 17e en vroege 18e eeuw in Nederland, een periode die gekenmerkt werd door politieke, economische en sociale veranderingen.
Politiek gezien was Nederland in die tijd een republiek, bekend als de Nederlandse Republiek of de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het was een periode van relatieve stabiliteit na de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) tegen Spanje. Hoewel de Republiek een welvarende handelsnatie was, had het ook te maken met politieke spanningen en oorlogen met andere Europese mogendheden.
Economisch gezien was de Nederlandse Republiek een centrum van handel en maritieme macht. Steden als Amsterdam, Rotterdam en Hoorn waren belangrijke handelscentra, waarbij de Nederlandse Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC) grote invloed hadden op de economie. Als hoedenmaker in Hoorn zou Jan Gerrits van der Gracht waarschijnlijk hebben geprofiteerd van de welvaart die voortkwam uit de handel en nijverheid in die periode.
Sociaal gezien was de Nederlandse samenleving sterk hiërarchisch en gebaseerd op sociale klasse. Hoewel de Republiek bekend stond om haar relatieve tolerantie ten opzichte van religieuze minderheden, zoals de vele vluchtelingen die uit andere delen van Europa kwamen, was de maatschappij nog steeds streng gestructureerd.
GRIETJE CLAES VAN DER GRACHT (Koos' Oudbetovergrootmoeder) werd geboren rond 1672, in Hoorn. Zij is gestorven in 1727, ongeveer 55 jaar oud, in Hoorn, West Friesland, Nederland. Jan Gerrits van der Gracht, ongeveer 21 jaar oud, huwde Grietje Claes van der Gracht, ongeveer 24 jaar oud, op 27 januari 1697 in Hoorn. Zij kregen twee kinderen:
Marijtje Overbeek in 1706 Jan Jansz van der Gragt in 1716
ANTONIE VERKERK (Koos' Oudbetovergrootvader) werd geboren op 26 juli 1696, in Beusichem, Buren, Gelderland, Nederland, als kind van Cornelis Cornelisz Verkerk en Lijsbeth Huiberts van der Lee, zoals getoond binnen stamboom 56. Hij werd gedoopt op 26 juli 1696, in Beusichem (Nh). Hij werd grutter/molenaar. Hij is gestorven op 12 juli 1740, 43 jaar oud.
Economisch gezien was de Nederlandse Republiek een van de welvarendste landen ter wereld. Het was een tijd van bloeiende handel en economische groei, vooral in steden zoals Amsterdam, Rotterdam en Utrecht. Als grutter/molenaar zou Antonie Verkerk hebben geprofiteerd van de agrarische activiteiten en handel in graan en meel, die essentieel waren voor de voedselvoorziening van de groeiende stedelijke bevolking.
Sociaal gezien was de Nederlandse samenleving streng hiërarchisch en gebaseerd op sociale klasse. De adel en de gegoede burgerij bekleedden de hoogste posities in de samenleving, terwijl de meerderheid van de bevolking uit arbeiders, boeren en ambachtslieden bestond. Het leven van Antonie Verkerk als grutter/molenaar zou waarschijnlijk hebben plaatsgevonden in de context van een kleine gemeenschap, waar sociale banden en lokale economische activiteiten belangrijk waren.
ANNA MARIA TEN BRINCK (Koos' Oudbetovergrootmoeder) werd geboren in 1695. Anna werd dienstmaagd. Zij is gestorven in 1717, ongeveer 22 jaar oud. Antonie Verkerk, 20 jaar oud, huwde Anna Maria Ten Brinck, ongeveer 21 jaar oud, op 19 december 1716 in Utrecht, Nederland. Zij kregen vier kinderen: Jacobus Verkerk in 1717 Joannes Verkerk in 1719 Huijberta Verkerk Petrus Verkerk
GUILIELMUS IGNATIUS GODEFRIDUSZ VAN ARNHEM (Koos' Oudbetovergrootvader) werd geboren in 1688 als kind van Godefridus van Arnhem en Aldegundis van Arnhem, zoals getoond in stamboom 64. Hij is gestorven op 21 juni 1754, ongeveer 65 jaar oud. Guilielmus Ignatius Godefridusz van Arnhem (Aarnhem, Arem) is geboren in 1688 in ´s Hertogenbosch, zoon van Godefridus (Goijart) van Arnhem (Arem) en Cornelia Haese (Haze, Hase). Hij is gedoopt op zaterdag 31 juli 1688 in ´s Hertogenbosch. Bij de doop van Guilielmus Ignatius Godefridusz waren de volgende getuigen aanwezig: Goswindus Goumans, Cornelia Haese (Haze, Hase) en Catharina Staijbos. Guilielmus Ignatius Godefridusz is overleden op vrijdag 21 juni 1754 in 's Hertogenbosch, 66 jaar oud. Guilielmus Ignatius Gedefridusz trouwde, 26 jaar oud, op zaterdag 14 april 1714 in 's Hertogenbosch met Johanna Elisabeth van Huijgermans. Johanna Elisabeth is geboren in ´s Hertogenbosch, dochter van Gerardus van Huijgermans en Maria van der Venne.
MARIA HENRIETTE STUART I (Koos' 12 maal achter-nicht, 8 gen. verwijderd) werd geboren op 4 november 1631, in St. James's Palace, St. James's, London, England, als kind van Karel van Engeland I en Henriette Maria van Frankrijk. Maria werd Fürstin von Oranien, Gräfin von Nassau-Dillenburg(1647 - 1650). Zij is gestorven op 24 december 1660, 29 jaar oud, in Whitehall Palace, Whitehall, London, England. Zij werd begraven op 29 december 1660 in Westminster Abbey, Westminster, London, England.
Maria Henriëtte Stuart, Engels: Mary Henrietta (Londen, 4 november 1631 — aldaar, 24 december 1660), Princess Royal en Prinses van Oranje-Nassau, was de oudste dochter van koning Karel I en zijn vrouw Henriëtta Maria. Maria Henriëtte was de vrouw van stadhouder Willem II van Oranje en de moeder van koning-stadhouder Willem III van Oranje. Zij was een zuster van koning Karel II. Maria Henriëtte Stuart werd geboren in St. James's Palace, Londen. Karel I gaf haar in 1642 de titel princess royal, waarmee de traditie werd gevestigd dat de oudste dochter van de Britse vorst deze titel zou dragen. De titel werd ingesteld op het initiatief van koningin Henriëtta Maria, die de Franse etiquette wilde navolgen, waar de oudste dochter van de koning de titel Madame Royale droeg. De wens van haar vader was om haar een zoon van Filips IV van Spanje te laten huwen, terwijl haar neef Karel I Lodewijk van de Palts ook naar haar hand dong. Beide intenties mislukten en zij verloofde zich met Willem, de zoon en de erfgenaam van Frederik Hendrik, de prins van Oranje en stadhouder in de Verenigde Provincies, en van Amalia van Solms. Frederik Hendrik hoopte met een koninklijk huwelijk voor zijn zoon zijn eigen monarchistische aspiraties kracht bij te zetten; hij was ook een van de grootste geldschieters van Karel I tijdens de Engelse Burgeroorlog. Het huwelijk vond op 12 mei 1641 plaats in de Royal Chapel van het Palace of Whitehall in Londen, maar werd verscheidene jaren niet geconsummeerd vanwege de jonge leeftijd van de bruid. In 1642 maakte Maria de oversteek naar Holland met haar moeder en in 1644 begon ze haar rol in het openbare leven te spelen als schoondochter van de stadhouder. In maart 1647 volgde haar echtgenoot Willem II zijn vader op als stadhouder. Maria Henriëtte had een miskraam in het najaar van 1647. Op 6 november 1650 stierf Willem onverwacht aan de pokken, vlak na zijn poging om Amsterdam op zijn politieke tegenstanders te veroveren. Het enige kind van het paar, Willem (later Willem III van Oranje, de stadhouder-koning), werd acht dagen later geboren. Maria Henriëtte werd gedwongen om het voogdijschap over haar pasgeboren zoon te delen met zijn grootmoeder Amalia, weduwe van Frederik Hendrik, en met Frederik Willem I van Brandenburg. Zij was niet erg populair bij de Staatse regering vanwege de connecties met haar familie, de Stuarts. Zij bleef wonen in het stadhouderlijk paleis aan het Binnenhof, in het gebouwencomplex waar later de Eerste Kamer der Staten-Generaal werd gevestigd. Het boudoir van de Princess Royal is bij de verbouwingen in dat complex steeds intact gebleven. Het staat bekend als het Mary Stuart-kabinet. Karel I was op het eind van de Engelse Burgeroorlog onthoofd en de aanwezigheid van Maria in Den Haag leidde tot spanningen met de nieuwe republikeinse Commonwealth onder Oliver Cromwell. Het gedrag van de Engelse royalistische edelen in ballingschap tegenover het gezantschap dat Cromwell naar Den Haag stuurde was een van de directe aanleidingen van de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog. Ze irriteerde de publieke opinie nog verder door de gastvrijheid die ze verleende aan haar broers, Karel (de latere Karel II van Engeland) en Jacobus (later Jacobus II van Engeland), nadat die Engeland ontvlucht waren. Het werd haar na de vrede met Engeland door de Staten verboden om haar verwanten nog verder te ontvangen. Zelfs bij de Orangisten was ze niet erg populair omdat ze er van jongs af aan op stond altijd strikt volgens protocol als een koninklijke prinses behandeld te worden en het vertikte om ook maar een woord Nederlands te spreken. Van 1654 tot 1657 bracht de prinses het grootste deel van haar tijd door buiten Holland, meestal in Frankrijk. In 1657 werd zij regent namens haar zoon voor het prinsdom Orange, maar de financiële moeilijkheden waarin ze inmiddels verkeerde brachten haar ertoe om de hulp van koning Lodewijk XIV van Frankrijk in te roepen. Maria had geen groot politiek inzicht en liet zich, opgeslokt als ze werd door haar wufte levenswijze, makkelijk door anderen beïnvloeden. De Restauratie van Karel II in Groot-Brittannië, verbeterde de positie van de "Dowager Princess" en haar zoon in Holland zeer. In 1660 wordt de roep in de Republiek om verheffing van de prins steeds luider. Om de Oranjegezinden de wind uit de zeilen te nemen lanceerde Johan de Witt het idee om de prins een goede opvoeding te laten geven onder directe leiding van de Staten van Holland. Dit idee was hem aangedragen door zijn oom Cornelis de Graeff. Intussen wees De Witt een voorstel van prinses Maria Henriëtte om de prins te benoemen tot kapitein-generaal, in navolging van een besluit van de Staten van Gelderland, af. De prinses vroeg raad aan Karel II en zocht ook steun bij Amsterdam, waar de Graeff haar goedgezind was. De Staten van Holland besloten op 1 december 1660 conform het voorstel van prinses Maria Henriëtte de commissie samen te stellen. Naast de Witt en de Graeff werden enkele vooraanstaande leden zoals Lodewijk van Nassau-Beverweerd en Nanning van Foreest met het voogdijschap over prins Willem III, "het kind van staat", benoemd. In september 1660 keerde zij naar Engeland terug. Zij stierf twee maanden later op 29-jarige leeftijd aan pokken in het Palace of Whitehall en werd begraven in Westminster Abbey. In haar testament had ze haar broer Karel tot voogd over haar zoon Willem benoemd en de nieuwe koning van Engeland gebruikte dit onmiddellijk om zijn invloed in de Republiek te vergroten.
JACOBUS VAN ENGELAND II (Koos' 12 maal achter-neef, 8 gen. verwijderd) werd geboren op 14 oktober 1633 als kind van Karel van Engeland I en Henriette Maria van Frankrijk. Hij is gestorven op 16 september 1701, 67 jaar oud.
Jacobus II en VII (Engels: James) (Londen, 14 oktober 1633 – Saint-Germain-en-Laye, 16 september 1701) was koning van Engeland, Schotland en Ierland van 6 februari 1685 tot 1688. Hij was de laatste rooms-katholieke monarch van Engeland, Schotland en Ierland. Sommigen van Jacobus' aanhangers waren het niet eens met zijn politieke overtuigingen. Hij was bijvoorbeeld een fanatiek aanhanger van de absolute monarchie. Ook waren die mensen het niet eens met zijn religieus beleid. Dat resulteerde uiteindelijk in de Glorious Revolution. Zowel door het Engelse parlement als het Ierse parlement werd Jacobus op 11 december 1688 afgezet. Het Schotse parlement zette hem op 11 april 1689 af. Hij werd echter niet opgevolgd door zijn katholieke zoon, prins Jacobus Frans Eduard Stuart van Engeland en Schotland, maar door zijn protestantse dochter, koningin Maria II, en zijn schoonzoon en neef Willem III van Oranje-Nassau. Vanaf 1689 werden Willem en Maria gezamenlijk koning en koningin van Engeland, Schotland en Ierland. Jacobus II heeft nog één serieuze poging gedaan om zijn tronen te heroveren, in 1689. Hij landde toen in Ierland met een jacobitisch leger. Maar hij werd in de zomer van 1690 door de legers van Willem III verslagen tijdens de Slag aan de Boyne. Jacobus II keerde terug naar Frankrijk. Hij leefde de rest van zijn leven onder de bescherming van zijn neef en bondgenoot, koning Lodewijk XIV van Frankrijk.
Jacobus II is het best bekend om zijn inzet voor de absolute monarchie en tevens bekend omwille van zijn pogingen om in het koninkrijk de volledige godsdienstvrijheid in te voeren. Dit was echter tegen de wens van een meerderheid in het Engelse parlement. In Ierland en Schotland alsook in enkele Engelse en Welshe streken zoals Lincolnshire genoot Jacobus II wel de volledige steun van de katholiekgezinde bevolking en adel aldaar.
Jacobus werd geboren op 14 oktober 1633 als derde zoon van koning Karel I van Engeland en koningin Henriëtta Maria van Frankrijk. Zijn geboorte vond plaats in het St. James's Palace te Londen. Later in dat jaar werd Jacobus gedoopt door William Laud, de anglicaanse aartsbisschop van Canterbury. Jacobus werd opgevoed door leraren samen met zijn oudere broer, de latere koning Karel II van Engeland en met twee zonen van de hertog van Buckingham, George en Francis Villiers. Toen hij drie jaar oud was, werd Jacobus benoemd tot Lord High Admiral; deze titel was echter titulair, maar zou inhoud krijgen na de Restauratie, toen Jacobus een volwassen man was.
Jacobus was een kleinzoon van de Engelse koning Jacobus I en diens vrouw koningin Anna van Denemarken. Hij was ook een kleinzoon van de Franse koning Hendrik IV en diens vrouw, koningin Maria de' Medici. Hij was daardoor een neef van koning Lodewijk XIV.
Jacobus had twee oudere broers, de jong overleden prins Karel Jacobus (1629) en de latere Engelse koning Karel II (1630-1685). Deze huwde de Portugese infanta Catharina van Bragança. Jacobus had ook een oudere zus, prinses Maria Henriëtte (1631-1660), de eerste Princess Royal. Zij huwde met prins Willem II van Oranje-Nassau en werd moeder van de latere koning Willem III. Jacobus kreeg vier jongere zusjes, waarvan er drie op jonge leeftijd overleden, prinses Elizabeth (1635-1650), prinses Anne (1637-1640) en prinses Catherine (1639). Zijn zusje dat wel een volwassen leeftijd behaalde was prinses Henriëtta Anne (1644-1670). Zij huwde Filips I, hertog van Orléans. Ook kreeg Jacobus nog een jonger broertje, prins Hendrik, hertog van Gloucester (1639-1660).
In 1643 ontving hij de titel hertog van York. Tijdens de burgeroorlog tussen de parlementsgezinden van Oliver Cromwell en de koningsgezinden werd hij door het parlement gevangengenomen, maar hij ontsnapte in 1648 naar Den Haag. In 1649 ging hij naar Frankrijk. In 1652 diende hij onder Turenne en in het Spaanse leger.
Na Richard Cromwells ontslag in 1659 als Lord Protector en de daaropvolgende instorting van het Engelse Gemenebest in 1660, werd Karel II op de Engelse troon hersteld. Hoewel Jacobus de vermoedelijke troonopvolger was, leek het op dat moment nog onwaarschijnlijk dat hij de Engelse Kroon zou erven. Karel was op dat moment nog een jonge man die in staat moest worden geacht om legale kinderen te verwekken. Op 31 december 1660, na zijn broers restauratie, werd Jacobus in Schotland tot Hertog van Albany verheven, als Schots complement van zijn Engelse titel, Hertog van York. Na zijn terugkeer naar Engeland veroorzaakte Jacobus onmiddellijk een schandaal door de aankondiging van zijn verloving met Anna Hyde, de dochter van Karels eerste minister, Edward Hyde. Toen hij haar in 1659 probeerde verleiden, had Jacobus beloofd met haar te trouwen. Anne werd in 1660 zwanger, maar na de Restauratie en Jacobus' terugkeer naar de macht, verwachtte niemand aan het koninklijk hof dat Jacobus zich daadwerkelijk aan zijn belofte zou houden en een burgervrouw zou huwen, ook al had hij van tevoren beloofd dat wel te doen. Hoewel bijna iedereen, met inbegrip van Annes vader, er bij het paar op aandrongen om vooral niet te trouwen, trouwde het echtpaar toch in het geheim. De officiële huwelijksceremonie vond op 3 september 1660 in Londen plaats. Hun eerste kind, Karel, die twee maanden na het huwelijk werd geboren, stierf nog voor zijn eerste verjaardag, net als vijf andere zonen en dochters. Slechts twee dochters overleefden hun kindertijd: Maria (geboren 30 april 1662), de latere echtgenote van stadhouder Willem III van Oranje en Anna (geboren op 6 februari 1665).
Samuel Pepys schreef dat Jacobus dol was op zijn kinderen en zijn rol als vader zeer serieus nam. Hij speelde met hen "als een gewone vader van een kind", een contrast met het ouderschap op afstand dat in de koninklijke kringen van die tijd gebruikelijk was. Jacobus' vrouw was hem zeer toegewijd en beïnvloedde veel van zijn beslissingen. Desondanks hield Jacobus er een verscheidenheid aan minnaressen op na, waaronder Arabella Churchill en Catherine Sedley. Hij had de reputatie de meest "openlijke vrouwenaanstaarder van zijn tijd" te zijn. Met Catherine Sedley kreeg Jacobus II een dochter, Catherine Darnley (zo genoemd omdat Jacobus II een afstammeling was van Henry Stuart Darnley). Anna Hyde overleed in 1671.
Bij het herstel van het Huis Stuart (de troonsbestijging van zijn broer Karel II) in 1660 werd hij 'Lord High Admiral' van Engeland. In die hoedanigheid was hij commandant van de marine en versloeg tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog die hij zelf mede had uitgelokt, de Nederlanders in de Slag bij Lowestoft (1665). De kolonie Nieuw Amsterdam, die bij de Vrede van Breda 1667 aan Engeland kwam, werd naar hem New York genoemd. Deze periode werd ook wel de Engelse Restauratie genoemd.
Onder invloed van zijn vrouw, Anna Hyde (22 maart 1638 – 31 maart 1671), met wie hij in op 24 november 1659 te Breda was getrouwd, was hij overgegaan tot het katholicisme. Na de afkondiging van de Test Act (1673) moest hij daardoor al zijn ambten neerleggen. Op 21 november 1673 hertrouwde hij te Dover met de katholieke Maria d'Este (5 oktober 1658 – 7 mei 1718), prinses van Modena. Zijn populariteit onder de bevolking nam steeds verder af en in 1678 moest hij zelfs vluchten. Jacobus was de wettige troonopvolger, maar in 1680 brak een hevige strijd om zijn erkenning uit tussen koning en parlement, en tussen de politieke partijen van de Whigs (liberalen) en de Tories (conservatieven). Voor zijn veiligheid werd hij door zijn broer als koninklijk stadhouder naar Schotland gestuurd, waar hij hard optrad tegen de protestanten.
In 1682 hadden de Whigs de strijd verloren en hun leiders gingen in ballingschap naar Nederland. Jacobus kon terugkeren naar Londen en was aan boord van het schip de Gloucester dat op 6 mei 1682 vastliep op een zandbank voor de kust van Great Yarmouth en zonk. Bij deze scheepsramp kwamen tussen de 120 en 350 mensen om het leven, omdat Jacobus aanvankelijk weigerde het schip te verlaten. Het protocol vereiste dat eerst de leden van de koninklijke familie van boord dienden te gaan voor de rest het schip mocht verlaten.
Toen Karel stierf zonder erfgenaam, was Jacobus de wettige opvolger voor de troon van Engeland en Schotland. De koning stierf op 6 februari 1685 te Palace of Whitehall in Londen. Jacobus, hertog van York, volgde hem op als koning Jacobus II.
Jacobus werd op 23 april 1685 gekroond in Westminster Abbey. Enkele maanden later ondernam de hertog van Monmouth, de bastaardzoon van zijn overleden broer Karel, een poging tot een staatsgreep, die op 6 juli 1685 bloedig werd neergeslagen tijdens de slag bij Sedgemoor.
Uit zijn eerste huwelijk waren nog twee dochters in leven, beide protestants en ook uit zijn tweede huwelijk had hij geen mannelijke erfgenaam. Op 10 juni 1688 schonk echter zijn tweede vrouw het leven aan haar vijfde kind, ditmaal een zoon. De algemene ontevredenheid nam met de geboorte van deze katholieke erfgenaam nog meer toe. Het vooruitzicht van een katholieke dynastie was zeer bedreigend voor de protestanten, die niet gelukkig waren met een katholiek als hoofd van de Kerk van Engeland, noch met de religieuze tolerantie die Jacobus instelde met de Declaration of Indulgence. Dit leidde tot een samenzwering, de Glorious Revolution, met het doel de katholieke koning Jacobus II te vervangen door zijn dochter Maria, een overtuigd protestantse en lid van de publieke Kerk van Engeland.
Op 5 november 1688 landde Maria's echtgenoot Willem III van Oranje-Nassau in Engeland (bij Torquay) met een groot Nederlands leger. Willem gaf het bevel het Engelse leger te ontbinden en daar werd goeddeels gehoor aan gegeven. Jacobus had daardoor al snel in Engeland zelf niet veel steun meer. Op 11 december vluchtte hij om vanuit het katholieke Ierland - een deel van zijn rijk waar hij nog wel steun had - de strijd voort te zetten. Hiermee kwam zijn regering feitelijk ten einde, omdat het parlement in Westminster zetelde.
Op 28 januari 1689 besloot het parlement dat Jacobus met zijn vlucht afstand had gedaan van de troon en dat Willem en Maria hem wettig konden opvolgen. Hiermee kwam ook het primaat van het parlement over het koningschap vast te staan. De Schotten volgden het besluit op 11 april 1689. Jacobus was in Ierland nog aan de macht tot aan de Slag aan de Boyne op 1 juli 1690.
Na zijn nederlaag vluchtte Jacobus naar Frankrijk, waar Lodewijk XIV hem een jaargeld gaf. Officieel trad hij nooit af en bleef hij aanspraak maken op de troon van Engeland, Schotland en Ierland. Hieruit ontstond het jacobitisme dat nog tot in het midden van de 18e eeuw een factor in de Engelse politiek zou blijven.
Hij mocht van Lodewijk XIV in het koninklijke kasteel van Saint-Germain-en-Laye nabij Parijs wonen. De vrouw van Jacobus en een paar van zijn volgelingen sloten zich bij hem aan en gingen ook in ballingschap. De meesten waren rooms-katholiek. In 1692 werd zijn jongste kind geboren, Louise Maria Theresia. Sommige volgelingen van Jacobus die nog in Engeland woonden, probeerden hem weer op de troon te zetten door koning Willem III in 1696 te vermoorden. Dit verraad werd echter op tijd ontdekt en zo kon de moord op Willem III worden vermeden. Dit voorval maakte Jacobus in Engeland nog minder populair. Lodewijk XIV heeft nog een poging gedaan om Jacobus tot koning van het Pools-Litouwse Gemenebest te laten verkiezen. Dit ging echter niet door.
Jacobus II stierf aan intracerebraal hematoom, een bloeding in de hersenen, op 16 september 1701 te Saint-Germain-en-Laye. Zijn oudste dochter, Maria, was in 1694 overleden als koningin van Engeland. Na de dood van koning Willem III in 1702 werd een andere dochter van Jacobus, Anna, koningin van Engeland, Schotland en Ierland. Zij werd in 1707 de eerste koningin van het koninkrijk Groot-Brittannië.
bij zijn eerste echtgenote Anna Hyde:
Karel (Worcester Park House, Surrey 22 oktober 1660 – Palace of Whitehall, Londen, 5 mei 1661), hertog van Cambridge (niet officieel)
Maria (St. James's Palace, Londen 30 april 1662 - Kensington Palace, Londen 28 december 1694), koningin van Engeland en Schotland 1689-1694
Jacobus (St. James's Palace, 12 juli 1663 - Richmond Palace, Richmond upon Thames 20 juni 1667), 1e hertog van Cambridge
Anna (St. James's Palace, 6 februari 1665 - Kensington Palace, 1 augustus 1714), koningin van Groot-Brittannië 1702-1714
Karel (St. James's Palace, 4 juli 1666 – aldaar, 22 mei 1667), 1e hertog van Kendal
Edgar (St. James's Palace, 14 september 1667 – Richmond Palace, 8 juni 1671), 1e hertog van Cambridge
Henriette (Palace of Whitehall, 13 januari 1669 - St. James's Palace, 15 november 1669)
Catherina (Palace of Whitehall, 9 februari 1671 - St. James's Palace, 5 december 1671)
bij zijn tweede echtgenote Maria d'Este:
Catherina Laura (St. James's Palace, 10 januari 1675 – aldaar, 3 oktober 1675)
Isabella (St. James's Palace, 18 augustus 1676 – aldaar, 2 maart 1681)
Karel (St. James's Palace, 7 november 1677 – aldaar, 12 december 1677)
Elizabeth (* en † 1678)
Charlotte Maria (St. James's Palace 16 augustus 1682 – aldaar, 6 oktober 1682)
Jacobus Frans Eduard (St. James's Palace, 10 juni 1688 – Rome, 1 januari 1766), jacobitisch troonpretendent
Louise Maria Theresa (Saint-Germain-en-Laye, 28 juni 1692 – aldaar, 8 april 1712)
bij zijn maîtresse Arabella Churchill
Henriette FitzJames (1667 – 30 april 1730); ∞ I (29 november 1683) Hendrik Waldgrave (1661 – 24 januari 1690), 1e baron Waldegrave; ∞ II (1695) Piers Butler (1652 – 1697), 3e burggraaf Galmoyle
Jacobus FitzJames (1670 – 1734), 1e hertog van Berwick 1687
Hendrik FitzJames (1673 – 1702), 1e hertog van Albemarle
Arabella FitzJames (1674 – 7 november 1704)
bij zijn maîtresse Catherine Sedley:
Catherine Darnley (ca. 1681 – 14 maart 1743); ∞ I (Westminster Abbey, 28 oktober 1699) James Annesley (1674 – 1702), 3e graaf van Anglesey; ∞ II (16 maart 1706) John Sheffield (7 april 1648 – Londen, 27 februari 1721), 1e hertog van Buckingham
HENRIETTE ANNA VAN ENGELAND (Koos' 12 maal achter-nicht, 8 gen. verwijderd) werd geboren in 1644 als kind van Karel van Engeland I en Henriette Maria van Frankrijk. Zij is gestorven in 1670, ongeveer 26 jaar oud.
Henriëtta Anne van Engeland (Exeter, 16 juni 1644 — Saint-Cloud, 30 juni 1670) was de jongste dochter van de Engelse koning Karel I en diens echtgenote koningin Henriëtta Maria van Frankrijk en de eerste echtgenote van Filips I, hertog van Orléans, de broer van de Franse koning Lodewijk XIV.
Prinses Henriëtta werd geboren op het Bedford House te Exeter, in het zuiden van Engeland, op een moment dat de Engelse Burgeroorlog een hoogtepunt bereikte. Twee weken na haar geboorte vluchtte haar moeder, de koningin, uit Engeland om naar haar geboorteland Frankrijk terug te keren (Henriëtta Maria was een dochter van de Franse koning Hendrik IV. Ze liet haar dochter over aan de zorgen van Anne Villiers, gravin van Morton, als gouvernante. Ze werd in de kathedraal van Exeter anglicaans gedoopt. Toen de troepen van het Parlement in 1646 Exeter veroverden, werd ze met haar gouvernante naar Londen overgebracht. Daarop wist Lady Morton haar, als boerin verkleed, naar Frankrijk te smokkelen.
Henriette Anne ("Anne" werd bij haar naam gevoegd toen ze toetrad tot de Rooms-Katholieke Kerk) stond met haar moeder onder bescherming van haar volle neef, de Zonnekoning Lodewijk XIV. Ze mochten met een hofhouding het kasteel van Saint-Germain-en-Laye bewonen. Intussen werd haar vader, Karel I, onthoofd en Engeland werd een republiek. Frankrijk kende intussen de Fronde, een opstand tegen de macht van de koning. Henriëtta en haar moeder stonden in deze moeilijke tijden dicht bij Lodewijk. Hij en Henriëtta konden het goed met elkaar vinden en er werd van een huwelijk gesproken. Maar om politieke redenen trouwde Lodewijk XIV uiteindelijk in 1660 met Maria Theresia van Spanje.
Nog in 1660 werd in Engeland de monarchie hersteld en kwam Henriëtta's broer als Karel II op de Engelse troon. Om de banden met Engeland aan te halen besliste Lodewijk XIV dat Henriëtta zou huwen met zijn enige broer Filips, hertog van Orléans. De twee trouwden in de Koninklijke Kapel te Parijs op 31 maart 1661. Als echtgenote van Monsieur (benaming voor de broer van de Franse koning) stond Henriëtta voortaan bekend als Madame. Het echtpaar verbleef onder meer in het Palais-Royal in Parijs en het kasteel van Saint-Cloud.
Aanvankelijk konden Monsieur en Madame het goed met elkaar vinden, maar zij moest zich snel neerleggen bij de homoseksuele relaties van haar man. Hij omringde zich met mooie mannen, de mignons, die de strijd om de macht met Henriëtta aangingen. Ondanks de geaardheid van Monsieur werd Henriëtta acht keer zwanger en kreeg ze uiteindelijk vier kinderen. Er waren geruchten dat Lodewijk XIV de vader van sommige kinderen was, of de graaf van Guiche, een edelman met wie ze in het begin van haar huwelijk een relatie had.
Henriëtta had hoe dan ook veel invloed op de koning (haar hofdame Louise de La Vallière werd een favoriete minnares van Lodewijk). Ze gebruikte deze invloed om de macht van de mignons in te perken. Filips' grootste favoriet, de mooie chevalier de Lorraine, werd naar Rome verbannen.
Intussen had Madame een goede band behouden met haar broer Karel II, met wie ze een intense briefwisseling voerde. Lodewijk XIV had zoveel vertrouwen in zijn schoonzuster dat hij haar in 1670 naar Engeland stuurde om in het geheim met haar broer te onderhandelen over een bondgenootschap dat vooral tegen de Verenigde Provinciën was gericht. Dat resulteerde in het geheime Verdrag van Dover, waarin Karel II beloofde zich tot het katholicisme te bekeren, tegen de wil van het Engelse Parlement. Voor de Zonnekoning was dit een groot diplomatiek succes, waar Henriëtta een belangrijk aandeel in had.
Twee weken na haar terugkeer uit Engeland kreeg Madame hevige pijnen na het drinken van een kop cichorei. Ze stierf enkele uren later, amper 26 jaar oud.
Er werd meteen aan vergiftiging door de mignons gedacht (chevalier de Lorraine zou het vergif vanuit Rome hebben gezonden). Een door de koning bevolen autopsie, waar zowel Franse als Engelse artsen aan deelnamen, stelde vast dat ze aan buikgriep was overleden en niet aan vergiftiging. Ze werd met grootse plechtigheden in de abdijkerk van Saint-Denis begraven.
Meer dan veertig jaar na haar dood hebben zowel de hertog van Saint-Simon (in zijn bekende memoires) als Filips' tweede echtgenote, Elisabeth-Charlotte van de Palts bevestigd dat het om vergiftiging ging. Geen van beiden was aanwezig op het moment van haar overlijden (Saint-Simon was nog niet eens geboren), maar ze waren goed op de hoogte van wat er aan het hof werd verteld. Lodewijk XIV zou, toen hij zeker was dat zijn broer zelf niet in de moord was betrokken, de hele zaak in de doofpot hebben gestopt om het kersverse bondgenootschap met Engeland niet in gevaar te brengen. Historici zijn blijven discussiëren of "de eerste Madame" (Monsieur zou snel hertrouwen) al dan niet werd vergiftigd, maar bewijzen daarvoor zijn nooit geleverd.
kinderen
Marie Louise (27 maart 1662 - 12 februari 1689), trouwde in 1679 met de Spaanse koning Karel II
Filips Karel (16 juli 1664 - 8 december 1666), hertog van Valois
Een doodgeboren dochter (9 juli 1665)
KONING WILLEM DER NEDERLANDEN II (Koos' 17 maal achter-neef, 8 gen. verwijderd) werd geboren op 6 november 1792, in 's-Gravenhage, ZH, Netherlands, als kind van Willem der Nederlanden I en wilhelmina van Pruisen. Hij werd gedoopt op 6 februari 1793, in Noordeinde Palace, Den Hague, Zuid Holland, Nederland. Hij werd King of the Netherlands. Hij verbleef te Royal Palace of Amsterdam, Amsterdam, Government of Amsterdam, North Holland, The Netherlands. Willem is gestorven op 17 maart 1849, 56 jaar oud, in Tilburg, NB, Nederland. Hij werd begraven op 4 april 1849 in Nieuwe Kerk, Delft, Zuid Holland, Nederland.
Willem Frederik George Lodewijk (Den Haag, 6 december 1792 – Tilburg, 17 maart 1849), prins van Oranje-Nassau, was van 7 oktober 1840 tot aan zijn dood in 1849 koning der Nederlanden, groothertog van Luxemburg en hertog van Limburg.
Willem (roepnaam Guillot) werd in 1792 geboren in Den Haag. Zijn ouders waren de latere koning Willem I der Nederlanden en Wilhelmina van Pruisen. Zijn grootvaders waren de heersende stadhouder Willem V en de Pruisische koning Frederik Willem II van Pruisen. Hij had een jongere broer: Frederik (1797-1881), en twee jongere zusters: Paulina (1800-1806) en Marianne (1810-1883). Na de uitroeping van de Bataafse Republiek in januari 1795 vluchtte de gehele stadhouderlijke familie, onder wie de toen tweejarige Willem, naar Engeland. Vanaf 1797 verbleef Willem samen met zijn ouders aan het hof van de koning van Pruisen in Berlijn. Hier werd hij van 1803 tot 1809 opgeleid aan de militaire academie. Een van de leraren verbonden aan deze academie was Carl von Clausewitz. Willem raakte hier goed bevriend met de Pruisische prinsen.
Vanaf 1809 tot 1811 studeerde hij in Oxford. In deze periode maakte hij in gezelschap van zijn gouverneur De Constant Rebecque twee lange reizen. Eerst door het zuidwesten van Engeland, later een reis van ruim vier maanden door het noorden van Engeland, Schotland en Ierland. Daarna diende hij op het Iberisch schiereiland drie jaar lang in het Engelse leger als een van de aides-de camp van Arthur Wellesley (sinds 1814 ook bekend als de hertog van Wellington), de bevelhebber van het Engelse expeditieleger op het Iberisch schiereiland. Hier maakte hij in 1812 onder andere de zeer bloedige bestorming van het fort van Badajoz en de succesvolle Slag bij Salamanca mee. Hij ontsnapte meermalen maar nipt aan de dood. De reden dat zijn vader zulke ongebruikelijk grote risico's met het leven van de troonopvolger nam, was gelegen in het feit dat Willem de laatste troefkaart was waar de Oranje-dynastie nog over kon beschikken in een poging om weer een vooraanstaande rol op het Europees toneel te gaan spelen. Het plan was om Willem te laten trouwen met de Engelse prinses Charlotte.
Nadat zijn vader in november 1813 met Engelse steun (met name van de minister van buitenlandse zaken Castlereagh) soeverein vorst van de Nederlanden was geworden, zette Willem enige weken later voet op Nederlandse bodem. Toen zijn vader zich in 1815 in de aanloop naar de Slag bij Waterloo uitriep tot koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd Willem officieel troonopvolger. In die periode was hij tot de komst van Wellesley opperbevelhebber van de aanwezige geallieerde Engelse, Nederlandse, Belgische en Duitse troepen. Zijn rol met name in de voorbereiding op de Slag bij Quatre-Bras was cruciaal. Hij zag de strategische waarde van Quatre-Bras en had van tevoren goede afspraken gemaakt met de generaals De Constant Rebecque (zijn vroegere gouverneur) en De Perponcher over hoe te handelen in het geval van een Franse aanval langs deze route. Vooral daardoor wist zijn leger van Belgische, Nederlandse, Duitse en Engelse troepen hier onverwachts stand te houden tegen een Franse overmacht onder maarschalk Ney. Zonder dit succes was er geen Slag bij Waterloo geweest. In de Slag bij Waterloo raakte Willem zwaar gewond aan zijn schouder. Ook zijn paard, Wexy, raakte gewond bij die slag. De rest van zijn leven werd hij zowel in binnen- als buitenland gezien als een van de grote helden die Napoleon definitief hadden verslagen.
Van december 1813 tot in juni 1814 was Willem verloofd met de Britse prinses Charlotte, dochter van de latere koning George IV. Deze 'uithuwelijking' was tevergeefs; Charlotte verbrak de verloving en huwde uiteindelijk met Leopold van Saksen-Coburg, de latere koning Leopold I van België. Op 21 februari 1816 trad Willem in het huwelijk met Anna Paulowna, een dochter van tsaar Paul I van Rusland. Uit het huwelijk werden vijf kinderen geboren, waarvan er vier de volwassen leeftijd bereikten. Erfopvolging was hiermee veiliggesteld.
De seksuele relaties die Willem als kroonprins en koning met mannen onderhield werden door onder anderen Eillert Meeter (1818-1862) beschreven. De koning zou zich hebben omringd met dienaren die hij niet kon ontslaan vanwege wat Meeter de "afschuwelijke motieven" noemde, waarvoor hij hen had aangenomen. Historici hebben Meeter meer dan een eeuw voor leugenaar uitgemaakt, maar in 2004 bleek uit documenten in het Koninklijk Huisarchief dat hij de waarheid heeft geschreven.
Dat Willem een seksueel losbandig leven leidde was ook in Tilburg bekend. Prostitutie was daar, in tegenstelling tot in veel andere garnizoenssteden, niet gereglementeerd en de danspartijen die Willem in besloten sociëteiten bijwoonde werden getolereerd als 'toelaatbaar kwaad'. Willem heeft menig 'bastaardkind' verwekt. Buitenechtelijke relaties waren in de Nederlandse elite op zich geen probleem - onthouding zou slecht zijn voor de gezondheid - maar het diende wel discreet te worden gezocht en heteroseksueel van aard te zijn. Met beide voorwaarden had Willem een probleem. Met name vanwege zijn seksuele verhoudingen met mannen was hij kwetsbaar voor chantage. In 1819 schakelde Willem de politie in om twee afpersers te arresteren. Van een proces werd afgezien, omdat dat tot ongewenste publiciteit zou leiden. De afpersers werden respectievelijk naar Suriname en Nederlands-Indië gestuurd, voorzien van maandelijkse toelagen (zwijggeld). In 1845 volgde een verbanning van een andere afperser naar de Verenigde Staten. Dreiging met openbaarmaking van zijn biseksualiteit heeft ook een rol gespeeld bij Willems instemming met de grondwetsherziening van 1848. Reeds in 1833 was Thorbecke op de hoogte van Willems 'sodomie', zoals dat destijds heette. Na de hereniging van de Nederlanden in 1815 werd Willem onder meer minister van Defensie in de regering van zijn vader. Hij verbleef echter meestal in de Zuidelijke Nederlanden in Brussel; ook in de zes maanden per jaar dat de regering zetelde in Den Haag. In Brussel kwam Willem in 1819 waarschijnlijk via de vrijmetselaarsloge in contact met Marc-René de Voyer de Paulmy d'Argenson en deze stelde hem voor de om de Bourbonkoning van de Franse troon te stoten. Na de moord op Karel Ferdinand van Berry raakte het complot in stroomversnelling en werd Willem een kandidaat voor de Franse troon. Toen deze geruchten de Franse regering bereikte stelden zij ambassadeur Robbert Fagel op de hoogte. Aanvankelijk ontkende Willem zijn betrokkenheid tegenover de Franse gezant en zijn vaders kamerheer, maar hij zocht ook de steun voor zijn project bij de Russische tsaar. Deze raadde hem het plan af. Uiteindelijke bood de Franse regering in februari 1821 hun officiële excuses aan bij kroonprins Willem, vanwege hun aantijgingen zonder hard bewijs. In 1829 werd Willem benoemd tot vicepresident van de Raad van State en voorzitter van de ministerraad, wat hij zou blijven tot zijn troonsbestijging in 1840. In deze functies was hij formeel de belangrijkste adviseur van zijn vader. Op 4 oktober 1830 riep het Belgische 'Voorlopig Bewind' eenzijdig de onafhankelijkheid van de Zuidelijke Nederlanden uit. Deze werd zeer tegen de zin van koning Willem I bekrachtigd door zijn zoon. Willems vader wilde echter de zuidelijke gebieden niet zonder slag of stoot laten gaan, alleen al om een nadelige boedelscheiding te voorkomen. De koning besloot daarom tot een offensief, dat bekend is geworden als de Tiendaagse Veldtocht (2-12 augustus 1831). In juni 1832 verlegde Willem, in de functie van hoofdveldmaarschalk, zijn bedreigd hoofdkwartier te Turnhout, via Den Bosch, naar Tilburg, waar het tot juli 1839 gevestigd bleef. Ook na deze militaire periode kwam Willem nog vaak naar Tilburg. Hij hield ervan in Tilburg het 'eenvoudige' leven te leiden van een vooraanstaand burger te midden van het gewone volk, wars van het Haagse hofleven met al zijn etiquette. In 1833 kocht Willem even buiten Tilburg het landhuis Koningshoeven van George Schouw, kerkvoogd van de kleine Hervormde Gemeente in de stad. Het was "een tuin met een planken gebouw en koepel, groot 44 roeden en 42 ellen". De bovenverdieping diende tot verblijf, het sous-terrain was stalling. Over deze lustwarande zou Willem gezegd hebben "Hier adem ik vrij en voel ik mij gelukkig". In 1834 kocht hij nog eens drie boerderijen in de omgeving, waaronder 'De Schaapskooi', een voor Nederland toonaangevende schapenfokkerij. Om de twee of drie jaar voerde Willem nieuwe, buitenlandse rasdieren aan. Zo kocht hij in Saksen Spaanse rammen, en ter verbetering van de inlandse schapen importeerde hij eens 42 Silezische ooien en rammen. Doorgaans logeerde Willem in het huis van koopman Thomas van Dooren in de Heuvelstraat, waar hij herhaaldelijk diners gaf aan de hoofdofficieren en vooraanstaande burgers. Deze laatsten huisvestten ook andere leden van de koninklijke familie. Tot Willems nauwe relaties behoorden de politicus Mutsaers, lakenverver Frankenhoff, wollenstoffenfabrikant Diepen en pastoor Zwijsen, de latere bisschop. In Den Haag werd het vertrouwelijke optreden van de koning en zijn grote vriendschap met Zwijsen niet altijd begrepen of gewaardeerd. In 1841 verkocht Frankenhoff zijn riante woning, later wel 'het oude paleis' genoemd, aan koning Willem II. Toch was de pastorie van Zwijsen nog altijd groter dan Willems woning. Willem hield er maar een kleine hofhouding op na en bewoog zich vaak geheel vrij door de stad, zonder dat iemand hem vergezelde. Op 7 oktober 1840 besteeg Willem de troon als koning Willem II. Hij was bijna 48 jaar oud en is daarmee tot op heden bij aantreden het oudste Nederlandse staatshoofd. De inhuldigingsplechtigheid vond plaats op 28 november 1840 in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.
Onder Willems koningschap was de macht van de vorst al minder dan voordien. De revoluties van 1848 en 1849, waarin Lodewijk Filips I van Frankrijk werd afgezet en andere Europese vorsten met geweld tot concessies werden gedwongen, deden hem vrezen voor zijn troon. Dit is de belangrijkste achtergrond van de Grondwetsherziening van 1848, waar Willem II uit overtuiging mee instemde. Als grap zei de koning tegenover diplomaten, dat hij in één nacht van conservatief verworden was tot liberaal, maar waarschijnlijk ging hier een langer proces aan vooraf en was hij in zijn hart al vrij liberaal. De grondwetsherziening werd hem echter ook afgedwongen: door de omwentelingen elders in Europa en door een groep journalisten en politici, ‘smeerlappen en intriganten’ zoals een minister hen noemde, die op de hoogte waren van zijn biseksuele geaardheid. Zij dreigden met openbaarmaking als hij niet bereid was tot vergaande politieke concessies. De grondwetsherziening zelf was vooral de verdienste van de liberaal Thorbecke, die de nieuwe grondwet bijna volledig had geschreven. Willem II hield van bouwkunst. In Engeland had hij tijdens zijn studie aan de Universiteit van Oxford belangstelling gekregen voor de 'Gothic revival'. Hij liet de voorgevel van Paleis Kneuterdijk van Daniël Marot naar een ontwerp van De Greef vervangen door de huidige classicistische voorpui en bouwde een groot neogotisch gebouwencomplex achter zijn paleis aan de Kneuterdijk in 's-Gravenhage. Passend bij zijn nieuwe status besloot Willem ook in Tilburg een neogotisch paleis te bouwen. Hij zou er echter nooit wonen, want vlak voor het paleis gereed kwam stierf hij, in de huiskamer van zijn eerste Tilburgse woning. Van zijn in 1841 gekochte jachtslot Vaeshartelt in Nederlands Limburg liet Willem de ingangspartij verfraaien. Hier heeft hij naar verluidt maar twee keer twee weken doorgebracht. Ook Rheeburg en Zionsburg in Vught werden door hem aangekocht, maar niet verbouwd of uitgebreid. Daarnaast is er voor de koning een gotisch jachthuis in Gorp gebouwd. In Paleis Het Loo liet de koning weinig sporen na. Hij woonde op het nabijgelegen jachtslot, Kasteel Het Oude Loo, dat meer aan zijn voorkeur voor de neogotiek beantwoordde. Willem II regeerde korte tijd als constitutioneel vorst. Na het overlijden van zijn lievelingszoon Alexander ging zijn gezondheid achteruit. Ook de problemen met zijn oudste zoon, de latere koning Willem III, gingen hem niet in de koude kleren zitten. Kroonprins Willem was het oneens met de grondwetswijziging van 1848, waarmee zijn vader had ingestemd. Hij deed zelfs schriftelijk afstand van zijn rechten op de troon, wat hij later introk. Toen Willem II op 13 februari 1849 de verenigde zitting der beide Kamers van de nieuwe Staten-Generaal toesprak , werd opgemerkt dat hij er slecht uitzag en zijn stem zwak was. Begin maart wenste de koning zich voor korte tijd terug te trekken in het door hem geliefde Tilburg. Zijn lijfarts raadde hem dit af, maar hij zette zijn wil door. Op 13 maart nam hij afscheid van zijn vrouw en reed per koets naar Rotterdam. In Rotterdam was Willem II gekleed in een lange mantel met als hoofddeksel zijn typische Russische muts. In de haven wilde hij een in zijn opdracht in aanbouw zijnde stoomjacht bezichtigen. Bij het aflopen van de trap raakte hij met zijn laars verward in zijn mantel en viel van zes treden af. Onmiddellijk daarna stond hij weer op en op de ontstelde vragen reageerde hij met een geruststellend: "Het is niets." Toen de koning via Geertruidenberg naar Tilburg reisde, werd hij door de menigte toegejuicht. Maar tegen de gewoonte in werd er vanuit het rijtuig niet gereageerd. Het slechte weer deed de koning geen goed en hij had de mantel dicht om zich heen geslagen. In Tilburg werden de gezondheidsproblemen erger. Willem II was niet meer in staat om staatsstukken te bestuderen. Twee dagen lang was de koning ernstig kortademig. Op 16 maart kwam zijn zoon Hendrik op bezoek, waardoor zijn zin enigszins verbeterde. Toen koningin Anna Paulowna kort daarna ook arriveerde, werd zij niet meer toegelaten. Zij luisterde van achter de deur gespannen of zij zijn dierbare stem hoorde. Op 17 maart werd zijn toestand zeer kritiek. Even voor drie uur 's nachts kreeg Willem II een ernstige aanval van kortademigheid, waarbij hij zijn arts in de armen vloog. Deze zette hem terug in zijn stoel, waarna hij stierf. Koningin Anna Paulowna was zo geschrokken dat zij zich gillend op zijn levenloze lichaam wierp. Enkele dagen heeft zij urenlang geknield bij zijn lijk gezeten. Willem II wenste na zijn dood niet gebalsemd te worden en had in zijn testament opgenomen dat de 'houten kist, die zijn gebeente bevatten moest' de vorm moest krijgen van 'zijn lijk' en hij 'gekleed in de gewoone tenue, die hij bij zijn leven droeg' moest worden bijgezet: "De kist is dus aan het hoofd smal, aan de schouders breed en aan de voeten smal toeloopende. Van ’t fijnste hout gemaakt, werd hij aldus in de vierkante looden kist geplaatst". Op 3 april werd zijn lichaam opgehaald om de volgende dag bijgezet te worden in de grafkelder van de Oranjes in Delft. Zijn tijdelijk in Engeland verblijvende zoon, de Prins van Oranje, volgde als koning Willem III zijn vader op. De drie wettige kinderen Willem, Hendrik en Sophie vreesden grote schulden en weigerden aanvankelijk de erfenis te accepteren toen tsaar Nicolaas I, zwager van de overleden koning, zich als schuldeiser meldde. Willem II bleek niet lang voor zijn dood een persoonlijke lening van een miljoen gulden te hebben ontvangen ter vergroting van zijn kunstcollectie, met diezelfde collectie als onderpand. Zijn broer Frederik bleek bereid die schuld onmiddellijk te delgen, met inbegrip van de rente, op voorwaarde dat de befaamde kunstverzameling zou worden geveild. Deze verkoop in 1850 bracht in eerste instantie 771.059 gulden op. Een verkoop van de schilderijen waarvoor op de eerste veiling geen kopers gevonden waren, leverde nog eens 60.694 gulden op. De tsaar ging ermee akkoord om het restbedrag kwijt te schelden in ruil voor een aantal van de overgebleven schilderijen. Toen de daartoe belaste commissie in 1856 uiteindelijk de administratie van Willem II op orde had, bleek hij zoveel grond en huizen te bezitten dat de schulden afbetaald hadden kunnen worden zonder de kunstcollectie te verkopen. De grote uitbreiding achter Paleis Kneuterdijk bleef jarenlang leegstaan, zodat de galerij en de torens in de loop van de jaren zestig gesloopt moesten worden. Wegens onoordeelkundige bouw moest de zogeheten Marmerzaal die bedoeld was voor de moderne kunst, al eerder afgebroken worden. De wintertuin werd verkocht. Van al deze gebouwen rest nu alleen de Gotische zaal. Een groot portret van koning Willem II hangt sinds 1848 in de vergaderzaal van de Eerste Kamer der Staten-Generaal aan het Binnenhof in Den Haag. In dat jaar verloor de koning het grondwettelijk recht de leden van de Eerste Kamer te benoemen. Hij zou het portret geschonken hebben met de woorden: "Ik kan niet bij u komen, daarom wil ik u mijn portret geven, dan ben ik altijd bij u". Willem II is de laatste regerende Oranje van wie geen fotoportret bekend is, ondanks dat tijdens zijn leven al met succes met fotografie werd geëxperimenteerd. Foto's van zijn weduwe, zoon Alexander en stiefmoeder bestaan wel. Willem II was in elk geval enige tijd vrijmetselaar, want hij was voor zijn koningschap ingewijd in de Brusselse Loge L'Espérance. Hij wilde echter geen grootmeester worden. Willem II had een bewonderaar, Anthony van Tetroode, die in Den Haag in 1850 een stichting oprichtte voor het museum Willem II. Het museum kwam niet echt van de grond en was eerder een boekhandel en een uitgeverij met die naam, hoewel het ongeveer een jaar gevestigd was aan het Lange Voorhout.
De Tilburgse voetbalclub Willem II is naar koning Willem II vernoemd.
ANNA PAULOWNA VAN RUSLAND (Koos' Vrouw van 17 maal achter-neef, 8 gen. verwijderd, ) werd geboren op 18 januari 1795, in Pushkin, St Petersburg, Russia, als kind van Paul Petrovitsj Romanov en Maria Fjodorovna Romanova. Zij werd gedoopt op 18 februari 1795, in Winter Palace, Saint Petersburg, gorod, Saint Petersburg, Russia. Zij werd Queen Consort of the Netherlands, Grand Duchess of Luxembourg, Duchess of Limburg, Grand Duchess of Russia, Queen of the Netherlands. Zij verbleef te Den Haag, Zuit Holland, Nederland. Anna is gestorven op 1 maart 1865, 70 jaar oud, in S Gravenhage, Zuid-Holland, Nederland. Zij werd begraven op 17 maart 1865 in Nieuwe Kerk, Delft, Zuid Holland, Nederland.
Anna Paulowna (uitspraakⓘ; Russisch: Áнна Пáвловна, Anna Pavlovna [ˈanːə ˈpavləvnə]?) (Sint-Petersburg, 18 januari 1795 — Den Haag, 1 maart 1865), grootvorstin van Rusland, behorend tot het huis Romanov, was als echtgenote van koning Willem II van 1840 tot 1849 koningin der Nederlanden en groothertogin van Luxemburg. Anna was een dochter van tsaar Paul I van Rusland en Sophia Dorothea Augusta Louisa van Württemberg, in Rusland beter bekend als tsarina Maria Fjodorovna. Toen zij zes jaar was, werd haar vader vermoord en opgevolgd door zijn zoon Alexander I, de oudste broer van Anna. In 1809 (ze was toen veertien jaar oud) wilde keizer Napoleon met haar trouwen. Hij was op zoek naar een adellijke echtgenote, maar kreeg Anna's hand niet, na verzet van Anna zelf en haar moeder. In 1814 was er een plan om Anna uit te huwelijken aan de Franse prins Karel, zoon van de latere koning Karel X, maar omdat Anna zich dan tot het katholicisme zou moeten bekeren, ging dit uiteindelijk niet door. Toen de verloving tussen de Nederlandse prins Willem II en de Engelse prinses Charlotte werd verbroken, werd Anna door haar broer, tsaar Alexander – hij was een goede vriend van Willems vader – als geschikte huwelijkskandidate naar voren geschoven. Na een reis van bijna een maand arriveerde kroonprins Willem met zijn vader koning Willem I op 20 december 1815 in het Russische Sint-Petersburg, waar hij een huwelijksaanzoek deed. Na onderhandelingen op het gebied van geloofsovertuiging werd overeengekomen dat zij Russisch-orthodox mocht blijven, eventuele kinderen voortkomend uit het huwelijk zouden Nederlands Hervormd worden opgevoed. Later bezocht zij ook veel hervormde kerkdiensten. Op 21 februari 1816 trouwde ze met veel pracht en praal met een Russisch-orthodoxe dienst in de hofkapel van het Winterpaleis met de latere koning Willem II, waarbij haar twee broers, de grootvorsten Nicolaas en Michaël de huwelijkskronen boven de hoofden van het echtpaar hielden. Aansluitend hierop werd in de Witte Zaal van het Winterpaleis, door de Waalse predikant De la Saussaye een bescheiden protestantse huwelijksdienst gehouden. De feestelijkheden vonden plaats in het Rozenpaviljoen, dat zich in de paleistuin van het Pavlovsk-paleis nabij Sint-Petersburg bevindt en duurden elf dagen. Het paar bleef een half jaar in Rusland en nam deel aan vele luxueuze diners en festiviteiten. In de zomer vertrok het paar naar Berlijn waar de eerste ontmoeting met haar schoonmoeder Wilhelmina plaatsvond. Na een reis via Nassau mocht Anna op 22 augustus voor het eerst voet op Nederlandse bodem zetten. Anna onderging een cultuurschok toen ze in Nederland aankwam; de afstand tot het volk was in Nederland veel kleiner dan in haar geboorteland Rusland. De toeren door het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden moesten eerder dan gepland worden stilgelegd omdat Anna zwanger was. Schoonvader Willem I had ondertussen Paleis Kneuterdijk gekocht voor het paar, waar ze kort daarna hun intrek namen. In de winter werd besloten om naar het voor hen gebouwde paleis, het huidige Academiënpaleis in Brussel te gaan. Anna verbleef hier het liefst, want Brussel had meer pracht en praal dan het noorden; maar op wens van Willem I wisselden ze hun verblijf af met paleizen in het noorden. Zo verbleven ze 's zomers ook afwisselend op paleis Tervuren en op Paleis Soestdijk, dat Willem ontvangen had als nationaal cadeau voor zijn optreden bij Quatre-Bras en Waterloo in de strijd tegen Napoleon. Tot de afscheiding van de Zuidelijke Nederlanden in 1830 woonde het kroonprinselijk paar voornamelijk afwisselend in 's-Gravenhage en Brussel.
Uit het huwelijk werden vijf kinderen geboren:
Willem, de latere koning Willem III (1817-1890)
Alexander (1818-1848)
Hendrik (1820-1879)
Ernst Casimir (21 mei 1822 – Brussel, 22 oktober 1822)
Sophie (1824-1897)
Anna was een zorgzame moeder voor haar kinderen. Echtgenoot Willem had de opvatting dat de kinderen publiek onderwijs moesten volgen, maar Anna zag hier niets in. De relatie tussen Willem en diens vader Willem I is nooit hartelijk geweest. In 1817 liepen de gemoederen zo hoog op dat Anna overspannen was geraakt van alle familieproblemen. Alhoewel Willem in Brussel op handen werd gedragen, was hij in het noorden minder populair. Toch werd het vertoeven in het door Anna zeer geliefde Brussel bemoeilijkt. In de eerste plaats door de toenemende spanningen tussen noord en zuid, die later tot de Belgische Revolutie zouden leiden. Maar ook door andere drama's; zoals een door verhitte verwarmingsbuizen veroorzaakte brand in 1820. Naar verluidt kon de kroonprinselijke familie ternauwernood ontsnappen aan de vlammenzee. In 1829 zijn grote hoeveelheden Russische juwelen van Anna uit het paleis ontvreemd. Anna beschuldigde Willem van nalatigheid, terwijl aan het hof werd gefluisterd dat buitenechtelijke relaties van Willem er met de sieraden vandoor waren gegaan. Hij was Anna niet altijd trouw geweest en heeft verschillende buitenechtelijke kinderen verwekt.
Constant Polari werkte in dienst van de prins van Oranje en werd op 8 maart 1834 door het Hof van Assisen veroordeeld wegens de diefstal.
Na 1830 maakte de Belgische Revolutie het leven in de Brusselse paleizen onmogelijk. Op 27 oktober 1830 vertrok Anna noodgedwongen voor het laatst uit Brussel. De rest van haar leven zou ze moeten vertoeven in het noorden en een hekel manifesteren aan het niet loyale zuiden. Na het overlijden van Willem nam haar schoondochter, met wie zij nooit goed had kunnen opschieten, de eerste plaats in aan het Hof. Daardoor zonderde zij zich steeds meer af in haar buitenverblijven, waardoor ze de weelde van het Russische hof van haar jeugd steeds meer ging missen. Toch maakte ze eens in de zoveel jaren de reis naar het verre Rusland. In 1840 deed Willem I afstand van de troon omdat hij zijn geplande omstreden tweede huwelijk met gravin Henriette d'Oultremont de Wégimont wilde doorzetten. Hierdoor werd Anna op 7 oktober 1840 koningin. De inhuldigingsplechtigheid vond plaats op 28 november 1840 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. De relatie tussen Willem II en Willem I zonk hierna opnieuw naar een dieptepunt. Na de troonsafstand hebben zij elkaar lang niet gezien. Verschillende familieleden ondernamen in de zomer van 1842 een geslaagde verzoeningspoging. Willem en Anna ontmoetten op Paleis Het Loo de ex-koning en zijn tweede vrouw. Willem I en Henriëtte noemden zich voortaan graaf en gravin van Nassau; waardoor koningin Anna het niet kon laten zich op haar allerfraaist uit te dossen, om zo zeer trots boven de gravin – voormalige hofdame van Willem I – uit te steken. In de rol van koningin voelde en gedroeg zij zich erg hoog verheven boven het volk. Ze liep altijd kaarsrecht en bij officiële verplichtingen doste zij zich graag fraai uit. Anna hield erg van etiquette en bleef bij karakterbotsingen altijd rustig. Door tijdgenoten werd de koningin omschreven als niet knap, maar zeer majesteitelijk, haar stem was zeer beschaafd en aangenaam en ze was iets bleek, maar had ogen met veel uitdrukking. Aan het hof was de aanwezigheid van Anna duidelijk te merken. Zo stond het Nederlandse hof tijdens de regering van koning Willem II bekend om zijn pracht en praal. Anna verklaarde dikwijls dat Holland in vergelijking met moederland Rusland veel kleiner was, maar het trof haar diep dat het koninklijk huis zo dicht bij het volk stond. Begin 1849 begon Willem II krachten te verliezen. Toen hij in maart in Tilburg was verslechterde zijn situatie zodanig dat de arts zijn vrouw inlichtte. Omdat de arts het niet verantwoord vond, werd zij niet bij haar echtgenoot gelaten. In de nacht van 17 maart 1849 stierf Willem II aan een hartstilstand. Anna was diep geschokt en wierp zich volgens ooggetuigen gillend op het levenloze lichaam van haar man. Ze was zich zeker bewust van het feit dat ze nu geen koningin meer was; de rol waarop ze zo trots was. In de dagen dat het lichaam van haar man opgebaard lag, heeft Anna Paulowna verscheidene dagen urenlang geknield voor het lijk doorgebracht. Anna Paulowna, nu koningin-moeder geworden, trok zich na het overlijden van haar man uit het openbare leven terug. Zij woonde afwisselend op Soestdijk en op Buitenrust in Den Haag, waar zij over een Russisch-orthodoxe kapel beschikte. Op Soestdijk fungeerde het gewezen jachthuisje van haar zoon prins Hendrik als kapel. Herinneringen aan de regering van haar man hield zij in veel van haar paleizen zo veel mogelijk intact. Na de dood van haar gemaal werd zij erg eenzaam. In de eerste plaats doordat in 1848 haar lievelingszoon Alexander was overleden. Ook was de relatie met haar schoondochter en opvolger Sophie slecht. Toen er huwelijksplannen werden gemaakt tussen haar zoon en Sophie was zij zeer tegen het huwelijk tussen haar zoon en nichtje gekant geweest; ze beschouwde het naar de Russisch-orthodoxe norm als inteelt. Vreemd genoeg was Anna juist voorstander van het huwelijk van haar dochter met Karl van Saksen-Weimar, de zoon van haar zuster Maria, die ook neef en nicht waren. Waarschijnlijk was zij tegen het eerstgenoemde huwelijk, omdat het nooit geboterd heeft tussen Anna en haar zuster Catharina (de moeder van Sophie), en was zij vóór het tweede genoemde huwelijk, omdat zij het uitstekend kon vinden met deze zuster (de moeder van Karl). Anna had er begrijpelijkerwijs ook veel moeite mee de koninginnenkroon, die zij negen jaar had gedragen, aan Sophie over te geven. In Rusland bleef immers de keizerin-weduwe de eerste plaats innemen aan het Hof. In haar latere leven kreeg Anna Paulowna te maken met enorme financiële problemen. Het echtpaar had reeds jaren te veel geld uitgegeven, waardoor Willem II enorme schulden achterliet. Gelukkig kon Anna een groot deel van de schulden afkopen door haar riante vermogen en de Russische toelage die zij jaarlijks ontving. Om overige schulden af te betalen wist Anna haar broer, tsaar Nicolaas I, zover te krijgen dat hij een groot aantal schilderijen uit het familiebezit van Oranje-Nassau aankocht. Dit is een van de oorzaken waardoor er in de Hermitage te Sint-Petersburg een grote collectie Hollandse meesters hangt, waaronder een aantal Rembrandts. In 1854 werd de buitenplaats Bronbeek aangekocht door koning Willem III voor een prijs van 75.000 gulden. Bronbeek was naar verluidt in eerste instantie bedoeld voor zijn moeder, koningin Anna Paulowna, maar daarvoor is geen bewijs. Haar laatste reis naar Rusland maakte Anna van november 1855 tot juni 1856. In de zomer van 1864 werd zij bezocht door haar neef, tsaar Alexander II. In een van de paleizen in Den Haag werd zij in februari 1865 ernstig ziek. Ze had last van een borstkwaal, die steeds erger werd. Dochter Sophie kwam over uit Saksen-Weimar-Eisenach en verpleegde haar moeder samen met schoondochter Amalia. Tot ieders verbazing stond ook schoondochter Sophie haar bij in deze moeilijke tijd. Op 1 maart overleed Anna Paulowna op 70-jarige leeftijd, 's middags om 16.38 uur in Den Haag.
Haar lichaam werd opgebaard in haar Russisch-orthodoxe kapel op Rustenburg. Anna werd niet gebalsemd. De nabestaanden waakten bij toerbeurt naast de kist. Schoondochter Sophie zei hierover:"..., de staat van ontbinding was al spoedig onbeschrijflijk, want tijdens haar ziekte had zij steeds overvloedig gegeten en gedronken (...) Dat ellendige lijk moet gedurende 17 dagen boven de aarde blijven staan." De rouwdienst in Den Haag op 17 maart werd strikt uitgevoerd volgens de Russisch-orthodoxe wijze en verliep als volgt: Eerst werd er door drie Russisch-orthodoxe priesters, de aalmoezenier van Anna Paulowna, aartspriester A. Soedakov, de priester Izmajlov van de Griekse kerk in Amsterdam en de priester Ladynski van de kerk in Weimar een Goddelijke Liturgie gevierd, waarna de priesters bij de open kist de absolutie verleenden. De Koning, de Koningin en de prins van Oranje waren hier niet bij aanwezig. Wel de beide andere kinderen van Anna Paulowna, prins Hendrik der Nederlanden en prinses Sophie der Nederlanden. Daarna vertrok de begrafenisstoet te voet van Rustenburg naar Delft, waar Anna Paulowna werd bijgezet in de koninklijke Grafkelder van Oranje-Nassau in de Nieuwe Kerk te Delft. De bijzetting in Delft was protestants en werd gedaan door hofpredikant Gerrit Ruitenschild. Na Anna's overlijden is er in aanwezigheid van koningin Sophie, tot haar overlijden in 1877, jaarlijks een panichida (Russisch-orthodoxe requiemdienst) gehouden in de Haagse kapel, die gevestigd was in paleis Rustenburg, dat stond op de plaats waar nu het Vredespaleis is.
Bij testament werd haar vermogen van 1,5 miljoen gulden gelijkelijk verdeeld over haar drie kinderen. Haar oudste zoon Willem kreeg daarnaast alle juwelen, waaronder die van Anna's moeder, evenals het Willemshospitaal in 's-Gravenhage. Haar dochter Sophie erfde ook de buitenplaatsen Rustenburg, Zorgvliet en Buitenrust. Haar jongste zoon Hendrik kreeg naast het geld de in haar bezit zijnde effecten, Paleis Soestdijk en het Czaar Peterhuisje in Zaandam.
De Anna Paulownaboom (Paulownia tomentosa) is naar haar genoemd. De voormalige gemeente Anna Paulowna in Noord-Holland is eveneens naar haar genoemd, net als de bijbehorende Anna Paulownapolder en het dorp Anna Paulowna. Het Anna Paulownaplein is een plein in het Zeeheldenkwartier in Den Haag, waar een bankje staat met een bronzen beeld van Anna Paulowna. De in 1817 in Zaandam opgerichte vrijmetselaarsloge draagt ook haar naam: Loge Anna Paulowna. De Anna Paulownatoren aan het Anna Paulownahof is een wooncomplex in Tilburg, een stad waar Willem II vaker verbleef. Anna Paulowna heeft Tilburg enkele keren bezocht.






Reacties
Een reactie posten